Taal

Struikelpartijen over taalkronkels

Hoe te neuzelen

Je neus volgen, met je neus kijken, tussen neus en lippen, iets aan je neus hangen, een neus voor iets hebben, je neus ophalen, doen alsof je neus bloedt, iemand bij de neus nemen, iets aan je neus voorbij laten gaan, de neuzen in dezelfde richting krijgen en met je neus in de boter vallen. Er zijn er nog veel meer. Geen lichaamsdeel dat zoveel wordt gebruikt in onze taal als de neus.

Je kunt dan ook moeilijk om de neus heen. Hij zit nogal prominent op onze aangezichten en is een erg veelzijdig orgaan. Het kan snuiven, snuffelen en snotteren. Je kunt het in boeken en andermans zaken steken. Je kunt er mee neuzen in archieven, bibliotheken en curieuze winkeltjes. Het is onze fijnste keurinstrument. En je kunt heerlijk neusie-neusie doen met een ander, ik stel zelfs voor dat we die vreselijke 3-wangzoen hierdoor gaan vervangen.

“Wat een zinloos gewauwel!”, zul je nu wellicht denken, en “Heeft die blogger niks beters te doen dan een beetje ouwehoeren over het reukorgaan?”. Ja, haal je neus er maar voor op. Dat is de gebruikelijke reactie. Dit fenomeen heet “neuzelen” en is helemaal niet moeilijk. Iedereen kan het en jij ook (alhoewel…). Om te neuzelen hoef je alleen maar eindeloos en nasaal te wauwelen over een ongelooflijk suf onderwerp dat niemand ene moer interesseert. In alle bescheidenheid durf ik te beweren dat ik er zelfs bijzonder goed in ben. En dat je dit nog leest zegt wel veel over jezelf hoor 😉

hoe ‘m te knijpen

“Nou, ik knijp ‘m wel hoor” is een algemeen gebezigde uitdrukking. Ik vraag me er altijd het volgende bij af: wát dan? Het is namelijk nogal onspecifiek en dat stuit me tegen de borst. Wat wordt er geknepen? 

Misschien is er een reden dat het onspecifiek is. Misschien wil ik helemaal niet weten wat er geknepen wordt. ‘m kan natuurlijk vanalles zijn. Kijk, ik snap dat er sprake is van angst. Je kunt bang zijn in allerlei gradaties: van een licht gevoel van onbehaagelijkheid tot het schijten van zeven kleuren stront in je broek (zeven ja, er bestaan waarschijnlijk niet zoveel kleuren stront).

Dus “‘m knijpen” is dus eigenlijk in het midden laten hoe bang je precies bent. Je moet dan bijvoorbeeld als martelaar op lichaamstaal en je neus afgaan om te bepalen hoe bang de uitspreker van de uitdrukking, de gemartelde, is. Deze legt ook altijd sterk de nadruk op “knijp”. Wat de suggestie wekt dat ‘m ook anders behandeld zou kunnen worden, maar dat gezien de huidige gemoedstoestand de voorkeur wordt gegeven aan knijpen. Allemaal vaagheden waar je als martelaar niet zoveel mee kan.

Maar wacht es even, ik vat ‘m (vraag me niet wat precies, ik hou dit graag vaag): angst beïnvloedt blijkbaar de zindelijkheid. Ofwel, bij verhoogde angst vermindert het knijpvermogen van je sluit- en bilspieren. Dus als iemand zegt: “ik knijp ‘m”, geeft deze aan zich bewust te zijn van aangespannen sluit- en bilspieren ter voorkoming van het bevuilen van het ondergoed. Volkomen logisch eigenlijk. Dus martelaren doen er verstandig aan de aanspanning van sluit- en bilspieren te controleren om zich een goed beeld te vormen van de mate van angst die zij teweeg brengen. Buitengewoon praktisch toch? Zeg nou zelf…

Hoe te popelen

Popelen. Dat is een werkwoord dat, als je het heel vaak achter elkaar zegt, op je lachspieren gaat werken. Popelen doe je vanuit een soort acuut gebrek aan geduld. “Ik popel om te beginnen”, zegt iemand die niet kan wachten om te beginnen. Popelen betekent dus “niet kunnen wachten”.

Het is een gek werkwoord, want eigenlijk doe je helemaal niks als je popelt. Je bent vaak wel druk als je popelt. Heel druk met niet kunnen wachten. Van binnen gloeien en jeukende handen zijn de bijwerkingen. Gek genoeg kun je niet op commando popelen, zo van: “Hee, jij daar! Ja jij daar met je zielige kop. Ga onmiddellijk popelen! Nou? Komt er nog wat van?” Dat gaat averechts werken dus.

En als je in de gelukkige omstandigheid verkeert te popelen, dan valt het ook niet onmiddelijk op. Mensen merken het niet echt. Hebben er ook geen last van voor zover ik weet. Je hoort nooit dat mensen zich eraan ergeren als een ander popelt. “Potverdorie, wat zit jij ontzettend te popelen zeg! Schei es uit! Weet je wel hoe irritant dat is? Hè?”

Popelen doe je ook niet vrijwillig. Het overkomt je. Net als bij twijfelen, treuzelen, hopen, vallen of schrikken. Je gaat immers niet zomaar voor je lol even lekker twijfelen, treuzelen, hopen, schrikken of vallen, toch? Hoewel vallen een twijfelgeval is waarbij schrikken een handige bijwerking zou kunnen zijn, maar dat terzijde.

Popelen is in ieder geval wel altijd positief, volgens mij. Wie popelt barst van verlangen om te beginnen te doen waar je je zo op verheugt. We popelen om in een nieuwe baan te starten, we popelen om onze geliefden weer te zien, we popelen om op reis te gaan, noem het maar op.

Popelen is dus fijn. Ja, het is misschien wel iets waar je naar zou kunnen verlangen. Dus dat je als het ware popelt om weer es te popelen. En daar ligt de sleutel tot “vrij popelen”. Popelen wanneer je er zin in hebt dus. Het zal waarschijnlijk wel een beetje hol voelen dat vrije popelen, maar misschien baart oefening ook hier kunst. Nou, waar wacht je nog op? Hup, popelen geblazen!

van gisteren

– jaaaa, die is óók niet van gisteren hoor
– hoezo, óók niet?
– nou gewoon, omdat het niet normaal is
– wát is niet normaal?
– van gisteren zijn natuurlijk!
– mag je niet van gisteren zijn dan?
– nee slimmerd, dat probeer ik je dus duidelijk te maken!
– van wanneer mag je dan wel zijn?
– wat bedoel je?
– nou, mag je bijvoorbeeld wel van éérgisteren zijn? of van vorige week of vorige maand?
– eh, wat?
– ik bedoel of het alleen om gisteren gaat
– eh, ja, ‘k geloof het wel, maar eh…
– dus als je van gisteren bent hoef je alleen maar tot morgen te wachten om weer normaal te worden?
– hè, wat bazel je nou man??
– laat maar, morgen snap je het wel

Tussen de middag

Een middag bestaat blijkbaar uit twee helften. Je kunt er namelijk iets tussen doen. Een boterham bijvoorbeeld. Ja, eigenlijk bedoelen we met “tussen de middag” een periode tussen de ochtend en de middag. In Nederland begint de ochtend ergens tussen half 6 of  6 uur, en eindigt om 12 uur.  Daarna begint in Nederland (en ook Vlaanderen) de middag, welke doorloopt tot circa 18 uur. In Vlaanderen duurt de ochtend daarentegen maar een half uurtje: van  9 uur tot half 10. Gelukkig hebben ze in Vlaanderen ook nog een voormiddag (van half 10 tot 12 uur).

Wij Nederlanders hebben tussen de ochtend en de middag dus officieel geen periode. Immers, de ochtend en de middag sluiten naadloos op elkaar aan. En tóch hebben wij een tussen de middag die geen tussen de middag is. Tussen de middag bestaat eigenlijk niet. Eigenlijk is het een “tussen de ochtend en de middag”. De lengte van die periode is nergens opgeschreven, maar het is in ieder geval lang genoeg om een boterhammetje in weg te kanen, of een appeltje weg te knagen.

Taalkundig gezien is “tussen de middag” natuurlijk sowieso een gedrocht. Net als “tussen de deur” overigens. Het woordje “tussen” heeft altijd tenminste twee meewerkende voorwerpen nodig. En tussen die delen dient ruimte te zitten zodat het onderwerp er tussen kan. De grammatica is er glashelder over. Maar in de volksmond is al die grammatica maar onhandig, dus lopen we de kantjes eraf. ’t Is een rommeltje. Wedden dat ze in Duitsland geen “zwischen dem Mittag” hebben? Ook “between the afternoon” is utter nonsense. I rest my case.

mijntens en jountens

Terwijl ik in de vakantie mijn ogen bij de weg hield, hield ik mijn oren bij mijn kinderen achter mij. Zo hoorde ik deze vakantie regelmatig de woorden “jountens” en “mijntens”. Een voorbeeld van een stukje gesprek:

“Mijntens is lekker al bijna af”

“Ja maar jountens is ook veel makkelijker”

Je moet weten dat ik een lichtelijk pedante vader ben. Zeker als het gaat om taal. Dus ik heb een nauwelijks te onderdrukken neiging tot verbeteren. Dan roep ik dus heel pedant naar achteren: “Neee, het is de mijne, of die van mij, en de jouwe, of die van jou”. Waarop twee kinderen met hun oogjes rollen, en hun moeder me een veeg uit de pan geeft omdat ik mijn aandacht niet bij de weg heb en dat we dan weer een afslag missen. En ik moet ook gewoon niet zo zemelen, vindt hun moeder bovendien.

Mijn mond was effectief gesnoerd (voor dat moment althans), maar mijn hoofd ging er toch eens over nadenken. Ik vind die woordjes “jountens” en “mijntens” eigenlijk toch wel wat hebben. Ik hoor mijn eigen kinderen ze gebruiken, maar ook andere kinderen. En ze zijn ook best wel praktisch. Ik overweeg sterk om ze over te nemen. Bijvoorbeeld heel serieus op het werk onder collega’s:

Collega: “Vandaag was toch de deadline voor de ontwerpen?”

Ik: “Klopt”

Collega: “Maar jountens is nog niet compleet hoor”

Ik: “Weet ik, maar mijntens is ook veel ingewikkelder dan we van te voren hadden ingeschat” 

Collega: “Nou, mijntens was anders ook geen sinecure hoor, poeh!”

Ik: “Is jountens dan ook nog niet helemaal af soms?”

Collega: “Mijntens is in ieder geval wel veel verder uitgewerkt dan jountens”.

In het begin zal het een beetje kinderlijk aanvoelen, maar na verloop van tijd is het ingeburgerd. En op een zekere dag staat het gewoon in de Van Dale en heb ik wat dat betreft niets meer om over te zemelen. 

Twijfelachtig

Schilderachtig: Als het wel een schilderij lijkt
Heuvelachtig: Als de glooiingen wel heuvels lijken
Lenteachtig: Als het wel voorjaar lijkt
Regenachtig: Als het wel lijkt te regenen
Fabelachtig: Als het onvoorstelbaar lijkt
Kernachtig: Als het wel lijkt of je duidelijk bent
Koortsachtig: Als het wel lijkt of je verhit bent 
Leugenachtig: Als de leugen wel twijfelachtig lijkt
Waarachtig: Als de waarheid wel twijfelachtig lijkt
Twijfelachtig: Als het wel lijkt of we twijfelen

Onderschat nooit de macht van ooit

Zeg nooit ‘nooit’, zeggen ze wel eens. Nooit is namelijk nooit zo definitief als het soms lijkt. Met ‘nooit’ zeggen moet je blijkbaar voorzichtig zijn. Laatst legde ik nog aan mijn zoon uit dat de bliksem echt nooit inslaat, en prompt sloeg hij binnen een week drie keer in de omgeving van ons dorp in. Ik bedoel dus maar. Onderschat nooit de macht van nooit.

Ooit mag je daarentegen blijkbaar te pas en te onpas gebruiken. Niemand die zegt dat je nooit ‘ooit’ mag zeggen. Mijn kinderen maken van die vrijheid dankbaar gebruik en zeggen het dan ook zo ongeveer om de 5 zinnen: Wanneer mag ik ooit nog eens weer DS-en? Hoe moet ik die knoop ooit uit mijn veters krijgen? Hoe kon ik dat nou ooit weten? Hoe kan ik nou ooit winnen als jij steeds vals speelt? Hoe lang duurt dit ooit? Wie heeft ooit gezegd dat Chili con carne gezond is? 

Ze gebruiken ‘ooit’ om een stuk verzuchting in te bouwen. Een beetje drama zodat het erger klinkt dan het is. Als je een ‘ooit’ in je vraag zet, wordt ‘ie wanhopiger. En hoe langer je de ooit uitspreekt, hoe dramatischer het wordt: wanneer mogen we ooooooit nog eens wat lekkers? Dan natuurlijk de rest van de dag nooit meer. En heel vaak voegt ‘ooit’ ook extra verbazing en verwondering toe: Jeetje, hoe dééjedat ooit!? Nah, hoe verzín je dat ooit!? 

En deze schreeuwde dochterlief vanmiddag (armpjes over elkaar, vuur schietende oogjes): “JA HÁLLO!! HOE KAN IK NOU ÓÓÓÓÓIT RUSTIG DOEN ALS JULLIE ME STEEDS BOOS MAKEN!? En bij dat ‘ÓÓÓÓÓIT’ stampte ze heel hard met haar voetje op de grond en balde ze haar kleine vuistjes naar me. En hoe moet je dan als vader op zo’n moment óóóóit je gezicht nog in de plooi houden? Dat lukt dus nooit. Mijn boosheid was terstonds vervlogen (waar was ik ook ooit boos over eigenlijk?) en ik was ontwapend. Onderschat dus ook nooit de macht van ooit. 

Het punt van de punt

Dit is een zin. Dit niet. De grammatica heeft daar, taaltechnisch, een punt. Persoonlijk vind ik zin 2 best zinnig in zijn context, maar technisch is het inderdaad geen zin. En dat is ook precies het punt van dit verhaal. Een ónzijdig punt dus. Punten kunnen ook zijdig zijn. Denk aan de punt van je neus, of van je schoen of van het leesteken: “punt”.

Het punt van het leesteken de punt is dat het een zin termineert. De komma last slechts een pauze in, zie daar, waarna de zin verder gaat. Het punt is dat een zin die eindigt met een komma niet af is. Een punt maakt de zin af. Zinnen kunnen, net als i’s, niet zonder punt. Wel zonder komma. Weer geen zin dat laatste. Eigenlijk was het een voortzetting van de zin daar voor. Die zin eindigde in een premature punt. De grammatica gebiedt mij die punt te vervangen door een komma, maar dat staat me tegen. 

Mijn punt is dat ik de pauze waarin de komma voorziet, gewoon te kort vind. Een komma kan het momentum van een zin niet breken, zodat deze door kan rollen. Tot het einde. Daar heb ik dus moeite mee. Ik wil eigenlijk een zwaardere komma die de zin even helemaal lam legt. Zodat het weer helemaal opnieuw op gang moet komen.

De puntkomma kan dat op zich wel; maar van de grammatica mag ik na de puntkomma, strikt genomen, geen hoofdletter gebruiken; tenzij het een eigen naam betreft. Een puntkomma laat de zin nog steeds haar verband behouden, hoe lelijk het er ook uit ziet. Ik wil zinnen helemaal uit hun verband kunnen trekken. Dus gebruik ik lekker de punt. Punt uit en daarmee basta!

Ontmoet

we zouden ‘ns minder moeten zeuren,
minder zeiken en zaniken
we zouden beter moeten weten,
beter vertrouwen op ons verstand
we zouden ‘ns meer moeten geloven,
meer geloven in elkaar
we zouden ‘ns vaker moeten lachen
vaker onbedaard schateren
we zouden ‘ns vaker moeten leven
niet morgen, maar vaker leven in het nu
we zouden ‘ns meer moeten laten
meer laten los gaan, laat maar gaan
ja, we zouden ‘ns minder moeten móeten
ontsnap aan de waan van de dag, ontspan en ontmoet!