Taal

Struikelpartijen over taalkronkels

Ons verhouden

Als we de situatie niet kunnen veranderen, dan gaan we ons er dan maar toe verhouden. Dat moeten we dan proberen van onszelf. Ik doe daar de laatste tijd volop aan mee. Meedoen is misschien ook een soort van je ergens toe verhouden. Is je ergens toe verhouden moeten een modeverschijnsel of verhielden wij ons in de geschiedenis al vaker tot het onveranderbare? Het is in ieder geval iets dat ik nog niet zo lang geleden zelf nooit zei en ook niet veel hoorde. Zoals me wel vaker gebeurt, verbaasde ik me ineens over dit stukje taal. Plotseling klonk het me vreemd in de oren. Wat zeggen we nou eigenlijk als we ons verhouden tot iets?

Er hangen weer overal blauw-wit-rode vlaggen te wapperen. Dat lijkt mij het tegenovergestelde van je ergens toe verhouden. Ikzelf probeer me ook te verhouden tot al het gedoe over stikstof. Die vlaggen laat ik rustig wapperen en doe alsof ik ze niet zie. Zo verhoud ik me dan tot dat stille boerenprotest. Ik sluit me er voor af. Er zijn genoeg andere dingen om me druk over te maken.

Je ergens toe verhouden is dan misschien wel het opmaken van een balans: hoeveel energie wil ik steken in de verandering van de situatie, en hoeveel zin heeft dat? Zakt het schaaltje “nou is het genoeg, ik zie kansen en ik kom in actie!” helemaal tot op je tafelblad, dan bemoeien we ons ermee. Maar als het in evenwicht schommelt of als de balans doorslaat naar de andere kant, dan gaan we ons ertoe verhouden. Zo bekeken wordt ons ergens toe verhouden hetzelfde als ons ver houden van bemoeienis, en dat is natuurlijk te zwart-wit. Voor mijn gevoel zijn het twee uitersten en betekent ons verhouden tot iets het innemen van een positie ergens daartussen. Dat is dan ook weer duidelijk. Hoef ik me daar ook niet meer druk om te maken.

Soort van

Laatst ging ik een soort van hiken. Of ik droomde dat soort van. Er liep een soort van pad door het bos. Langs het pad stonden van die prehistorische planten of zo, die zich qua vorm zeg maar soort van oneindig herhalen. Een soort van amandelbroodjes. Het juiste woord komt effe niet naar boven. Mijn tong staat een soort van te trappelen om het uit te spreken, maar mijn brein is nog aan het processen. Elk takje is weer een miniversie van die plant zeg maar. Een soort van broccoli maar dan anders. Het pad vertakte zich trouwens een soort van op dezelfde manier. Terwijl ik het pad een soort van volgde kreeg ik een soort gevoel van onrust. Er bekroop me een soort van twijfel of zo. Het is zo’n soort gevoel dat je ook krijgt als je zeg maar niet meer precies weet waar je soort van bent, weet je wel? Daar is ook een soort van woord voor geloof ik. Verdwaasd of zo. In mijn hoofd is het altijd een soort van chaos. Je hersenen zijn eigenlijk ook een soort van broccoli. Ja toch? Ik denk dan goh die planten die er ook waren toen de Dodo’s nog niet uitgestorven waren krullen zich takje voor takje eindeloos uit, zoals broccoli, je weet wel, een soort van groene bloemkool dat me altijd doet denken aan wolken die opstijgen van de zee die trouwens golven maakt die ook eindeloos omkrullen totdat ze op het strand uitrollen terwijl jij kijkt naar de schepen die je in de verte ziet varen. Varens! Wauw! Dat is toch een soort van wonderlijk, hoe het brein werkt? Een soort van organische computer. En als het een bepaald woord niet snel genoeg vinden kan, kan het je toch soort van intelligent laten overkomen door je iets te laten zeggen wat nog net niet helemaal klopt maar daar dan gewoon “soort van” voor te plakken. Waanzinnig toch?

Ordening

Hoe ik doe wat ik vaak doe. Koffie zetten, een plaat opzetten. Mijn gewoontes. Mijn ordening. Hoe jij ritueel je vensterbank versiert. De tafel dekt. Jouw ordening. Zo noemen wij dat, al doet het woord te streng aan. Het zijn gewoon onze manieren van doen. Manieren die we prettig vinden. Waarmee we zijn vergroeid. Het is precisie. Het is aandacht voor detail. De vaas met bloemen ietsje draaien. Voor hoe het licht dan precies goed valt. Het gekookte water twee tellen langer laten rusten voor ik het op de koffie giet. Voor dat extra beetje smaak. Ordening is eigen. Ordening is liefde. Ordening is taal. Het zegt gewoon zo veel. Ordening is wezenlijk. Jouw ordening maakt jou jou. Ordening zit in mijn vingers. In mijn ritme. In jou oog voor schoonheid. In je bewegingen door het huis. Ons huis, waarin onze ordeningen zich met elkaar zullen vermengen. Langs elkaar zullen schuiven. We zullen ons over elkaars manieren verwonderen. Ik zal steeds zien hoe bijzonder je bent. Niks wil ik aan je veranderen. Ik ga gewoon precies goed staan als ik naar je kijk.

Kaders

Je staat in menig kader. Of je dat nou wilt of niet. Mensen plaatsen elkaar voortdurend in kaders. Het ligt in onze natuur. Het gaat er niet om of jij in dat kader past, maar dat het kader om jou heen past. Op dat moment. Op basis van het gedrag dat van je wordt waargenomen. Met de kennis die de ander van jou heeft. Het kader is van de maker. Het kader is typerend voor de maker. Het kader geeft de maker ervan houvast aan hoe om te gaan met jou. Kaders kunnen heel hardnekkig zijn. De instandhouding van een gedateerd beeld van jou steunt een belang van de kadermaker. Je mag niet veranderen, want dan pas je niet meer in het kader. Ik geef dat gedrag dan maar eenvoudig mijn eigen omkadering. Daar kom je voorlopig zelf ook niet meer uit.

Verhuizen

Was verhuizen maar als vervellen. Dat je je oude huis eenvoudig afwerpt en dan klaar bent. Je nieuwe huis moet even drogen in de zon maar je voelt je er meteen thuis. Je oude huis ligt dan nog een tijdje te verdorren en te verteren tot het uiteen valt en verwaait.

Verhuizen is denk ik vooral het verworden tot huis. Een transformatie. Een plek dat gaandeweg verhuist en waar je je steeds meer thuis voelt. En op een dag gaat het weer kriebelen en werp je je huis weer af. Net zo makkelijk.

Daar dus niet

Daar wij wollig taalgebruik voortaan te allen tijde dienen te verbloemen zou ik willen voorstellen om per ommegaande rigoureus te snijden in het gebruik van daar in de betekenis van omdat. Nu omdat al voldoende alternatieve synoniemen kent zoals aangezien en nu, kunnen we mijns inziens prima daar daar niet meer voor gebruiken. Daar wordt daarmee in betekenis teruggebracht tot er en hier. Daar wordt onze taal niet alleen eenduidiger door, maar ook aanmerkelijk minder wollig. Wellicht zullen op termijn eveneens stemmen opgaan om ook nu te zuiveren van de onnodige en verwarrende synonimiteit met omdat, maar in deze memo beperk ik me vooralsnog eerst tot daar aangezien we hiermee al een aanzienlijke eerste verbetering aanbrengen. Simpelweg komt bovenstaande neer op de volgende, makkelijk te onthouden vuistregel: Nu en aangezien mogen in plaats van omdat worden gebruikt, maar daar dus niet.

Zelfscan

Jezelf op iets betrappen. Daarop betrap ik mijzelf eigenlijk ook best wel eens. Dat je ineens door hebt dat je door hebt wat je aan het doen bent. En zie op zo’n moment dan maar eens tot jezelf door te dringen om duidelijk te maken dat je tot jezelf probeert door te dringen. Ik betrap me dan eigenlijk vooral op verwarrend gebazel.

Naakt

Je mag niet zomaar naakt over straat lopen, maar wel op blote voeten. Ik hoor trouwens ook nooit dat we onze voeten of handen ontbloten. Dat doen we vooral met ons bovenlichaam en onze tanden. Ontbloten is gek genoeg synoniem aan onthullen. Een beeld van iemand die weinig verhult noemen we een naakt. Een bloot is, voor zover ik weet, niks. Naakt klinkt in mijn hoofd bloter dan bloot. Alsof je meer van jezelf bloot geeft als je naakt bent. Naakt ben je ook altijd met je hele lijf. Bloot zijn kan gedeeltelijk. Blote voeten, blote handen, blote billen. Bloot is gewoon gewoner dan naakt. En om bloot nog een beetje gewoner te maken zeggen we dat we in ons blootje lopen. En in je nakie in de zee zwemmen klinkt ook best gewoontjes. De waarheid is dat je billen er echt niks minder bloot van worden. De zuivere waarheid is trouwens altijd naakt. Volgens een oud fabel zaten de waarheid en de leugen ooit samen in bad. De leugen stapte er als eerste uit en trok toen de kleren van de waarheid aan. De waarheid wilde de kleren van de leugen niet dragen en bleef daarom dus naakt.

Dat pakken ze je niet meer af

“Groot gelijk dat jullie dat doen. Heerlijk! En je moet maar zo denken, dat pakken ze je niet meer af”. We gingen even samen uitwaaien en we kregen deze boodschap vooraf mee. Het is ontegenzeggelijk goedbedoeld en zo ontving ik het ook. Maar later, terwijl we de zilte zeelucht van het wad inademden, hadden we het erover hoe vreemd die uitspraak eigenlijk is. Dat je niet bang hoeft te zijn dat ze het van je afpakken. Dat je er überhaupt vanuit gaat dat mensen of mogendheden (ze) almaar dingen van je willen afpakken. Maar godzijdank, een ervaring kunnen ze lekker niet afpakken! Het deed me ook denken aan schapen die je op het droge zou moeten hebben. Als je ze niet hebt, kunnen ze ook niet gestolen worden. Die vrees voor het afpakken moet daar haast wel mee in verband staan. Het calvinisme is diep geworteld. Het zal je dan niet verbazen dat die schapen wat mij betreft gestolen kunnen worden. En pik als je toch bezig bent gelijk ook Fikkie’s portie maar in. Het wordt echt wel een keer weer winter. Je moet maar zo denken, wie wat afpakt van een ander die heeft wat.

Jeenzeggers

Ja noch nee zeggen. Jeen dus. Een jeen gaat vaak gepaard met een typische beweging van het hoofd. De nekspieren van de jeenzegger lijken ook niet goed te weten hoe ze nu moeten bewegen. Het hoofd kantelt een beetje heen een weer en knikt ook wat. Ook worden de mondhoeken in een gepijnigde grimas getrokken. Mijn gesloten vraag brengt mijn jeenzegger duidelijk in benarring. Eigenlijk zie ik de jeen al op het gelaat verschijnen voordat het uit de mond komt.

Een jeen doet mij inwendig ineen krimpen. Een opmerkzame jeenzegger zou mijn ongemak (lees: irritatie) kunnen waarnemen. Heel even knipper ik namelijk een keertje met mijn ogen. Eigenlijk wil ik op dat moment mijn schouders dramatisch laten zakken, mijn blik naar de grond richten en vertwijfeld mijn hoofd schudden. Maar ik onderdruk het geroutineerd en ontvang wat er allemaal nog op de jeen volgt, want op een jeen volgt ook altijd geheid een lezing.

Mijn alter ego steekt zijn irritatie natuurlijk niet onder stoel of bank, onderbreekt de noodlottige jeenzegger midden in de lezing en vuurt er een reeks vragen op af zoals: “Wanneer voelde jij je het laatst gelukkig? Wat is je diepste verlangen? Hoe ga jij om met sarcasme?”.