Taal

Struikelpartijen over taalkronkels

Der Klempner

(bron foto: wikipedia)

Giet een loodgieter eigenlijk nog lood vandaag de dag? Vroeger gebruikte de loodgieter lood om leidingen waterdicht te maken. Tegenwoordig doen ze dat niet meer volgens mij. Rioolpijpen zijn tegenwoordig van kunststof en de koperen waterleidingen knel je eenvoudig aan elkaar. Loodgieten heeft niks meer met lood te maken, net zomin als het Engelse plumbing nog met plumb te maken heeft.

De Duitse vertaling voor loodgieter is Klempner. Oh, spreek het maar eens uit in je beste Derrick-imitatie: KlemPneRRR (articuleer die hoofdletters!). Duitser dan dat kom je niet tegen. Ik vind het een schitterend woord. Het is waarschijnlijk een verbastering van de oudere woorden Klemperer en Klamperer.

Een Klemperer was een plaatbewerker, een plaatslager. Het is het geluid van een hamer op een metaalplaat: klemp klemp klemp!  En een Klamperer was iemand die niets anders deed dan klammern: verbinden. Nieten in het Duits is trouwens ook klammern. Klammern klink degelijk, definitief. Iets dat festgeklammert is gaat nooit meer los.

Duitsers en hun Grundigkeit. Bij ons kwam de altijd goed geluimde loodgieter met zijn kannetje gesmolten lood om je leidingen waterdicht te smeden. Dat ging van een kloddertje lood hier, een kloddertje lood daar (bij wijze van hè). In Duitsland kreeg je een nors kijkende beul die je leidingen aan elkaar beukte met zijn Klemphammer. En dat ging van klemp klemp klemp! Van schrik zwoeren die pijpen voor eeuwig waterdicht te blijven.  

Mededelingen

Dankzij sociale media (een blog-platform zoals WordPress is zo’n medium, maar we denken vooral aan Facebook en Twitter bij het horen van die term) is het erg makkelijk geworden om dingen met de wereld te delen. En met dingen bedoel ik voor het gemak maar even vanalles. En omdat er miljoenen mensen heel actief vanalles met de wereld delen, zit daar een heel groot stuk overlap in. Je kunt er eigenlijk altijd wel van uit gaan dat een ding dat jij wilt delen al gedeeltelijk of geheel is gedeeld door iemand anders. Misschien niet letterlijk in jouw bewoordingen, maar wel met dezelfde strekking.

Is dat erg? Nee, dat is niet erg. Herhaling is juist de kracht van sociale media. Als iets heel belangrijk is, dan wordt het heel erg veelvuldig gedeeld en is de kans heel groot dat jij het leest. Deze constatering is op zichzelf vast ook al veelvuldig gedeeld. Ik deel het nog maar eens mede met de wereld. Het woord “mededeling” heeft eigenlijk precies de juiste betekenis. De nadruk is alleen meer op “mede” komen te liggen.

 

Ode aan de waardeloosheid

Er zijn woorden die teveel betekenis hebben. Neem nou “waardeloos”. Bij dat woord denkt iedereen (jij ook, geef maar toe) meteen aan “slecht”. Helemaal platgeslagen kan iets waarde hebben, of geen waarde hebben. Daar speelt natuurlijk ook het perspectief van de beoordelaars een rol. Waarde is vaak subjectief. Waarde is vaak iets dat een gek ervoor geeft. Maar als iets, bezien vanuit een bepaald gezichtspunt (ook al is het een gekke), geen waarde heeft, dan is het dus vanuit dat gezichtspunt zonder waarde, ofwel: waarde-loos.

 

Dus als Gordon (om eens een gek te noemen) bij Holland’s got Talent jouw auditie waardeloos noemt, dan heeft jouw optreden alleen maar geen waarde voor Gordon en iedereen die waarde hecht aan Gordon’s mening. Dan is het dus niet per definitie een slechte auditie, alleen maar een auditie die niet wordt gewaardeerd door Gordon. En dan gaat het ook alleen maar om de auditie en niet om jou als persoon. Jouw eigen waarde bepaal je vooral zelf. Heb daar vertrouwen in. Dan kun je altijd waardig van een podium verdwijnen (of er gewoon blijven staan, zoals Gordon).

 

Niemand is natuurlijk waardeloos, en als iemand je toch waardeloos vindt, dan betekent het niets meer dan dat die persoon je niet kan waarderen om wat hij of zij van je heeft gezien. Je kunt hooguit waardeloos gedrag vertonen en zelfs dat is subjectief. Ik ga er altijd van uit dat alles en iedereen waarde heeft. Als het niet voor mij is, dan wel voor een ander. Zelfs voor waardeloosheid kan waardering worden opgebracht. Vandaar deze ode aan de waardeloosheid.

Tegenwoordigheid van geest

“Ja, maar je had blijkbaar wél de tegenwoordigheid van geest om een paraplu mee te nemen”, hoorde ik laatst een vrouw tegen haar echtgenoot zeggen. Ik ving alleen dit stukje van een gesprek (meer een monoloog eigenlijk) tussen een 60+ echtpaar op terwijl ik over een perron liep. De vrouw zei het op verwijtende toon. De man keek ietwat ongemakkelijk om zich heen. Heel even hadden we oogcontact. Instant begrip over en weer.

Later bleef ik maar nadenken over dat “tegenwoordigheid van geest”. Wat een mooie uitdrukking is het eigenlijk. Ook al misbruikte die vrouw op het perron het om haar echtgenoot een veeg uit haar pan te geven. Het betekent dat je in een heldere toestand verkeert, een toestand waarbij je je hoofd er goed bij hebt. De mopperende echtgenote verwees met haar snibbige opmerking natuurlijk naar de periode van totale afwezigheid van geest dat vooraf ging aan dat moment dat hij er aan dacht om zijn paraplu te pakken.

De man onderging het gelaten. Hij had duidelijk de tegenwoordigheid van geest om haar niet tegen te spreken. Uit liefde voor zijn vrouw hield hij zijn geestdrift maar in toom.

Eens te meer begrijp ik dit prachtige lied: Liefde van later (gezongen door Herman van Veen, geschreven door Jacques Brel):

Als liefde zoveel jaar kan duren
dan moet het echt wel liefde zijn
ondanks de vele kille uren
de domme fouten en de pijn…

Telepret

Kinderen kunnen soms geweldig uit de hoek komen. Laatst vroeg onze oudste zoon waarom een telefoon “telefoon” heet. Dus legde ik uit dat “tele” betekent dat iets op afstand (ver weg) is, en dat “foon” “geluid” betekent. Dus met een telefoon kun je geluid horen dat ver weg is.

In het hoofd van mijn zoon vielen blijkbaar diverse kwartjes, zag ik aan zijn oogjes, dus ik vroeg of hij nu zelf kon uitleggen waarom  televisie “televisie” heet. Hij hoefde niet lang na te denken en zei: “een televisie is een ding waarmee je iets kunt zien dat ver weg is”.

“Maar hoe zit dat dan met een telescoop?”, vroeg ik toen. Ja, dat was natuurlijk gewoon een hele grote verrekijker. En toen mijn zoon dat hardop zei, viel er weer een kwartje: ver (tele) kijken (scoop). 

“En weet je misschien nog een ander voorbeeld van een woord dat begint met tele?”, vroeg ik bemoedigend. Aan de pretlichtjes in zijn oogjes zag ik dat hij er nog wel eentje wist. “Jahaa, ik weet er nog wel eentje hoor Papa”, begon hij, en hield het een beetje spannend. Hier ging een heel goed voorbeeld komen. En toen kwam het: Teletubbie. Wat een boef is het ook.

Glunders voor nop!

Glunderen heeft te maken met nopjes, geloof ik. Als ik namelijk erg in mijn nopjes ergens over ben, dan ga ik helemaal vanzelf glunderen. Hoe dat glunderen dan gaat weet ik eigenlijk niet zo precies. Het gaat gewoon vanzelf. Zodra je in je nopjes bent. Volgens mij kun je het ook niet op commando. Alhoewel, als ik denk aan iets waarover ik erg in mijn nopjes was, dan komt de glunder toch best snel op mijn gezicht. Oogjes gaan glanzen, mondhoekjes worden van elastiek en trekken helemaal door naar de oren. 

In het woordenboek staat dat glunderen “opgewekt kijken” betekent. Maar glunderen is natuurlijk veel meer dan een opgewekte blik. Ik kan heel goed veinzen dat ik opgewekt kijk. Maar een glunder kun je niet veinzen. Glunders zijn altijd echt. Glunders komen van binnenuit. Ik denk dat je een glunder ook maar met heel veel moeite kunt onderdrukken. Ik kan het in ieder geval helemaal niet. Voor mij is dus geen pokercarrière weggelegd.

Ik vermoed eigenlijk dat de mensen met hele goeie poker faces gewoon veel te weinig in hun nopjes zijn. Ze walsen hun nopjes plat door hun trots en tevredenheid te onderdrukken en af te vlakken. Dat gaat deste makkelijker als je ooit eens in een soort nopjes-overdosis was. Na die overdosis valt alle geluk die je dan nog overkomt, in het niet. Je glunderweerstand is daardoor sterk vergroot, als het ware.

Je hebt ook mensen die totaal geen glunderweerstand hebben en zelfs doorslaan naar de andere kant. Die kunnen glunderen zonder in hun nopjes te hoeven zijn. Die lopen de hele dag gelukzalig voor zich uit te stralen. Die moeten eerst aan een moment denken dat ze ergens over in de put (een negatieve nop eigenlijk) zaten, om hun smoel glad te kunnen strijken.  

En dan nog dit bijzondere fenomeen: glunderen omdat je in de nopjes van iemand anders bent. Ouders en grootouders hebben daar bijvoorbeeld heel vaak last van als ze zien hoe trots hun (klein)kind is op een eigen prestatie. Die lekkere glunderkoppies die mijn kindertjes soms hebben om een eigen prestatie zijn gewoon ontzettend aanstekelijk. Dan glunder ik vanzelf mee, in hun kleine, o zo lieve nopjes. Gratis glunders, als het ware. Glunders voor nop! De allerlekkerste glunders zijn dat.

Woorden en daden

Daadkracht dat is, zeg maar, je capaciteit om daden te verrichten. Het maakt niet zoveel uit of het goede of slechte daden zijn. Hoe groter je daadkracht, des te makkelijker je overgaat tot daadverrichting. Koelbloedige moordenaars zijn dus bijvoorbeeld behoorlijk daadkrachtig. Daar worden ze vaak dik voor betaald. Net als topmanagers eigenlijk. Die worden ook geselecteerd op hun daadkracht. Een topmanager hakt los op lastige knopen en een moordenaar hakt er, zeg maar, ook op los.

Daden gaan vaak gepaard met woorden. Eerst is er dan het woord en vervolgens wordt daar een daad bij gevoegd. Zo gaat dat. De daad is de bekrachtiging van het woord. Je hebt mensen die aan 1 woord genoeg hebben om tot de bijbehorende daad over te gaan. Anderen hebben iets meer woorden nodig. Zolang ze de daad maar bij die woorden voegen vertonen ze een bepaalde mate van daadkracht. Daadkracht heb je dus in gradaties.

Mensen die zeggen dat ze iets gaan doen, maar vervolgens de daad achterwege laten, ontberen blijkbaar de moed om die daad te verrichten. Die zou je daadzwak kunnen noemen. Doe mij maar daadzwakke moordenaars. Niets mis mee. Dat zijn die spreekwoordelijke blaffende honden die heus niet bijten.

Maar er is nog een tandje erger. Je hebt ook mensen die A zeggen en dan vervolgens B doen. Die mensen verrichten een daad die niet in overeenstemming is met het woord. De verrichter van de daad is dan niet getrouw aan zijn woord. Het zijn de types waar je moeilijk vat op krijgt. Ze kronkelen en verdraaien je woorden, de valse slangen. Ik stap liever in een kennel vol blaffende honden dan in een kamer waarin zich één valse slang bevindt.

Maar wat moeten we dan met dit gezegde: geen woorden maar daden? Die moeten we maar niet al te letterlijk nemen. We grijpen naar dit gezegde als er teveel woorden zijn uitgesproken terwijl er nog niets is gedaan. Zolang dit uiteindelijk leidt tot de beoogde daad, is er niets aan de hand. Er was slechts een tijdelijke daadzwakte, maar met de juiste pep talk kregen we de mekkerende schapen allemaal over de dam.

Honden, slangen, schapen. Hebben we ze dan allemaal gehad? Nou, ik weet er nog wel eentje. Deze wezens leven volgens het motto: geen daden maar woorden. Deze wezens zijn bijzonder vaardig met woorden. Net als de slangen, maar dan zonder daadkracht. Op de momenten waarop ze hun verantwoordelijkheid moeten nemen, steken ze hun kop in het zand. In de politiek zie je ze maar al te vaak: struisvogels.

Zelf ben ik een man van woorden. Ik bouw er dammen mee.  

Dingetjes

Ik vraag: “Heb je nog iets met dat idee van jou gedaan?”.
Collega antwoordt: “Eh, tja, het is een beetje een dingetje geworden”.

Ai, heel vervelend, dingetjes. We hebben liever geen dingetjes. Als iets een dingetje wordt, of dreigt te worden, gaan teveel mensen er iets van vinden. Meningen raken verdeeld. Wat eerst heel eenvoudig leek, is uitgegroeid tot een complicatie.

Plotseling lopen er beren op de weg. Beren die jij weg wuift. Maar door je gewuif wordt het dingetje alleen maar groter. Het wordt steeds moeilijker voor je om het dingetje te blijven zien voor wat het eerst was. Je oorspronkelijke idee wordt steeds minder leuk. Het is niet meer helemaal jouw ding, zeg maar. 

 

Überhaupt raar eigenlijk

Wij hadden in München ooit een huisbaas die bij alles dat wij hem vroegen zei: “Das ist überhaupt kein Problem”. Herr Feitl heette deze beste man. Een rasechte Beier. Het Beiers is een heerlijk dialect. Ik krijg er zo’n lekker groezelig gevoel van. Ik krijg ineens trek in Erdinger (of Franziskaner) Hefe Weizen Bier met een verse, nog warme Pretzel. Herr Feitl sprak heerlijk Beiers en gebruikte het woordje “überhaupt” te pas en te onpas.

Ik werd hieraan herinnerd doordat onze zoon ineens met zijn neus uit zijn boek kwam en grinnikend aan me vroeg wat dit woordje, en hij wees het aan in zijn boek, nou toch weer betekende. Überhaupt, stond er. “Ja, dat is eigenlijk een heel vaag woord”, zei ik. Ik had er überhaupt nog nooit over nagedacht wat het woordje betekende, terwijl ik het ook te pas en te onpas gebruik. Dus ik vroeg me hardop af: “Ja, wat betekent übehaupt überhaupt?”. En toen was het plotseling bedtijd voor hem, dus zeiden mijn vrouw en ik min of meer in koor: “Zeg, heb jij überhaupt wel in de gaten hoe laat het is?”

Verbolgen dat zijn tijdrektaktiek niet had gewerkt slungelde onze zoon de trap op. Hij nam zich voor om morgen op school aan meester te vragen wat überhaupt eigenlijk betekent. Wel ja, wat weten ouders überhaupt ook over taal. Meesters en juffen genieten überhaupt meer respect van onze kinderen. In de klas blijken de kinderen überhaupt altijd oneigenlijk engelachtig te zijn. Kleine huichelaartjes zijn het. Thuis hangen ze hun aureooltjes aan de kapstok en plakken ze hun duivelshorentjes weer op hun guitige tronies. Blijkbaar maken ze op school hun gehoorzaamheid helemaal op, zodat ze thuis überhaupt niet meer te genieten zijn. Maar goed, ik moet überhaupt verdraagzamer worden. Gelukkig weet ik zeker dat ze het überhaupt niet persoonlijk bedoelen allemaal.

Blijkbaar kun je “überhaupt” zo’n beetje in elke zin gebruiken. Heeft “überhaupt” überhaupt nog een betekenis, of is het slechts een pedantig preekwoord. Teruglezend verliezen mijn zinnen nauwelijks aan betekenis als ik “uberhaupt” weg laat. Wel aan dynamiek en ritme. Überhaupt raar eigenlijk.

van de gezifte mugjes

Onnodig verontschuldigde iemand zich laatst tegen mij voor een gemaakt grapje. Hij is namelijk nogal van de geintjes, zo schreef hij. Zelf ben ik dat ook best, dus ik nam het hem in het geheel niet kwalijk. In een buitensportzaak vroeg iemand me ooit ook eens of ik van de grammetjes was, of toch meer van ’t comfort. Van geen van beide, zei ik, want ik ben namelijk nogal van de argwaantjes. Vooral bij verkopers, want die zijn vaak nogal van de gladde praatjes. 

Nu ben ik zelf nogal van de lettertjes, dus ik heb zoiets van: goh, wat een bijzonder taalgebruik eigenlijk. Het is een soort manier om luchtigheid in hetgeen je wilt zeggen te stoppen. Je klopt je zinnetje, als het ware een beetje op, zodat het makkelijker te verteren wordt voor jezelf of voor een ander. Een vent die bijvoorbeeld zegt dat ‘ie nogal van de vrouwtjes is, is dus meer óf juist minder van dat wat ‘ie zegt, afhankelijk van wie hij wil overtuigen: de ander, of zichzelf. Ik ben zelf aardig van de gezifte mugjes, maar onopgeklopt dus gewoon een aardige mierenneuker.