Binnen je bubbel ben je onder gelijken. Binnen je bubbel ben je in je eigen wereld. Binnen je bubbel denkt iedereen zoals jij. Binnen je bubbel sta je niet apart. Binnen je bubbel weet je wel beter. Binnen je bubbel hoor je erbij. Binnen je bubbel word je begrepen. Binnen je bubbel word je behoed voor vreemde invloeden. Binnen je bubbel doet iedereen normaal. Binnen mijn bubbel wordt dit inzicht breed gedeeld. Binnen mijn bubbel snapt iedereen hoe idioot bubbels natuurlijk zijn.
Cynisme
Ons verhouden
Als we de situatie niet kunnen veranderen, dan gaan we ons er dan maar toe verhouden. Dat moeten we dan proberen van onszelf. Ik doe daar de laatste tijd volop aan mee. Meedoen is misschien ook een soort van je ergens toe verhouden. Is je ergens toe verhouden moeten een modeverschijnsel of verhielden wij ons in de geschiedenis al vaker tot het onveranderbare? Het is in ieder geval iets dat ik nog niet zo lang geleden zelf nooit zei en ook niet veel hoorde. Zoals me wel vaker gebeurt, verbaasde ik me ineens over dit stukje taal. Plotseling klonk het me vreemd in de oren. Wat zeggen we nou eigenlijk als we ons verhouden tot iets?
Er hangen weer overal blauw-wit-rode vlaggen te wapperen. Dat lijkt mij het tegenovergestelde van je ergens toe verhouden. Ikzelf probeer me ook te verhouden tot al het gedoe over stikstof. Die vlaggen laat ik rustig wapperen en doe alsof ik ze niet zie. Zo verhoud ik me dan tot dat stille boerenprotest. Ik sluit me er voor af. Er zijn genoeg andere dingen om me druk over te maken.
Je ergens toe verhouden is dan misschien wel het opmaken van een balans: hoeveel energie wil ik steken in de verandering van de situatie, en hoeveel zin heeft dat? Zakt het schaaltje “nou is het genoeg, ik zie kansen en ik kom in actie!” helemaal tot op je tafelblad, dan bemoeien we ons ermee. Maar als het in evenwicht schommelt of als de balans doorslaat naar de andere kant, dan gaan we ons ertoe verhouden. Zo bekeken wordt ons ergens toe verhouden hetzelfde als ons ver houden van bemoeienis, en dat is natuurlijk te zwart-wit. Voor mijn gevoel zijn het twee uitersten en betekent ons verhouden tot iets het innemen van een positie ergens daartussen. Dat is dan ook weer duidelijk. Hoef ik me daar ook niet meer druk om te maken.
Men denkt natuurlijk
Wat zullen ze wel niet denken? Dat ik zo diep in gedachten verzonken was dat ik niet doorhad dat ik mijn paraplu open boven mijn hoofd hield toen ik door het fietser- en voetgangerstunneltje liep? Of ik word, ten onrechte uiteraard, verward met een verwarde persoon. Vanwege die vermoede gedachten en om dus verwarring te voorkomen klap ik die paraplu dus heel bewust dicht als ik door dat tunneltje ga.
Vanmiddag stond ik een flinke boodschappentas vol lege bierblikjes leeg te halen bij de inzamelautomaat van de supermarkt. “Allemaal alcoholvrij hoor”, hoor ik mezelf tegen de ietwat ongeduldig ogende mevrouw achter me zeggen. Ze deed een klein stapje achteruit alsof ik niet zo fris rook en mompelde een opmerking over het tijdstip en de geschiktheid daarvan om dan zo idioot veel blikjes in te leveren. En zo werd ik ook nog eens verward met een arme sloeber. Demonstratief doneerde ik met een zwierig gebaar het hele bedrag aan stichting Dierenhulp. Ja mevrouw, dat had u vast niet gedacht!
Soort van
Laatst ging ik een soort van hiken. Of ik droomde dat soort van. Er liep een soort van pad door het bos. Langs het pad stonden van die prehistorische planten of zo, die zich qua vorm zeg maar soort van oneindig herhalen. Een soort van amandelbroodjes. Het juiste woord komt effe niet naar boven. Mijn tong staat een soort van te trappelen om het uit te spreken, maar mijn brein is nog aan het processen. Elk takje is weer een miniversie van die plant zeg maar. Een soort van broccoli maar dan anders. Het pad vertakte zich trouwens een soort van op dezelfde manier. Terwijl ik het pad een soort van volgde kreeg ik een soort gevoel van onrust. Er bekroop me een soort van twijfel of zo. Het is zo’n soort gevoel dat je ook krijgt als je zeg maar niet meer precies weet waar je soort van bent, weet je wel? Daar is ook een soort van woord voor geloof ik. Verdwaasd of zo. In mijn hoofd is het altijd een soort van chaos. Je hersenen zijn eigenlijk ook een soort van broccoli. Ja toch? Ik denk dan goh die planten die er ook waren toen de Dodo’s nog niet uitgestorven waren krullen zich takje voor takje eindeloos uit, zoals broccoli, je weet wel, een soort van groene bloemkool dat me altijd doet denken aan wolken die opstijgen van de zee die trouwens golven maakt die ook eindeloos omkrullen totdat ze op het strand uitrollen terwijl jij kijkt naar de schepen die je in de verte ziet varen. Varens! Wauw! Dat is toch een soort van wonderlijk, hoe het brein werkt? Een soort van organische computer. En als het een bepaald woord niet snel genoeg vinden kan, kan het je toch soort van intelligent laten overkomen door je iets te laten zeggen wat nog net niet helemaal klopt maar daar dan gewoon “soort van” voor te plakken. Waanzinnig toch?
Kaders
Je staat in menig kader. Of je dat nou wilt of niet. Mensen plaatsen elkaar voortdurend in kaders. Het ligt in onze natuur. Het gaat er niet om of jij in dat kader past, maar dat het kader om jou heen past. Op dat moment. Op basis van het gedrag dat van je wordt waargenomen. Met de kennis die de ander van jou heeft. Het kader is van de maker. Het kader is typerend voor de maker. Het kader geeft de maker ervan houvast aan hoe om te gaan met jou. Kaders kunnen heel hardnekkig zijn. De instandhouding van een gedateerd beeld van jou steunt een belang van de kadermaker. Je mag niet veranderen, want dan pas je niet meer in het kader. Ik geef dat gedrag dan maar eenvoudig mijn eigen omkadering. Daar kom je voorlopig zelf ook niet meer uit.
Mag ik vragen waarom?
“Mag ik vragen waarom?”, vroeg de vrouw die met haar gemanicuurde handen net een prikkertje worst met augurk van de schaal had gepakt gedecideerd. Deze vraag was haar reactie op mijn tussen neus en lippen gemaakte vermelding dat wij geen vlees eten. De vraag voelde als een nogal dwingend verzoek dus legde ik onverwijld uit waarom en zelfs hoe het zo kwam. Terwijl ik dat deed zag ik op het gezicht van de vrouw een mix van afschuw en ongeloof. Dit kwam wel heel erg dichtbij voor haar. “Waarom zien jullie er dan toch zo gezond uit? Nou?”, vroeg de vrouw vertwijfeld. Met het antwoord dat dat natuurlijk kwam doordat wij heel veel fietsen en bovenal principieel niet op een e-bike, joegen wij de vrouw inclusief haar metgezel definitief tegen ons in het harnas. We namen nog een laatste blokje kaas en stapten maar weer eens op. Sindsdien stellen wij elkaar dus bij alles wat we zeggen te gaan doen steevast quasi gedecideerd de vraag: “Mag ik vragen waarom?”
Verlost van narcisme
Weten narcisten dat ze narcisten zijn? Ik waag dat te betwijfelen. De narcisten die ik om me heen zie geven daar zeer weinig blijk van. Uiteindelijk is narcisme natuurlijk ook maar een etiket. En etiketten moet je niet lukraak overal op plakken want dan boet het woord in aan betekenis. Niet iedere overheersende, vileine, zichzelf verheerlijkende persoonlijkheid is automatisch narcist. Bovendien kan ik me zo voorstellen dat narcisme gradaties kent. Van licht tot zwaar. Zouden narcisten zich dan tenminste afvragen of ze narcistisch zijn? Ik vermoed van niet, want narcisten staan niet bekend om hun introspectieve vaardigheden. Zeker niet de zware gevallen, die erkennen het woord narcisme niet en zouden het denk ik zelfs per decreet schrappen uit het woordenboek. Wat een geweldenaar. Met een enkele pennenstreek is de wereld verlost van narcisme.
Ik mag hangen
Bij vrienden hang ík
mezelf uit
kinderen
Daar buiten hang ík
kleren uit
kinderen
Aan neuzen hang ík
dus geen fluit
kinderen
In wilgen hang ík
naar verluidt
kinderen
Toegangspoespas
Mijn agenda bevindt zich in een vesting. Om toegang te krijgen moet iemand eerst de zware ophaalbrug neerlaten. Vanachter de kantelen ziet de poortwachter me staan. Ik voer het benodigde ritueel uit om te bewijzen dat ik ben wie ik roep dat ik ben. Op mijn woord kan ik niet worden vertrouwd. Ik moet bewijzen dat ik echt degene ben voor wie ik me uitgeef. Dus ik voer mijn unieke dansje uit dat ik hier speciaal voor heb ingestudeerd. En jawel, de kettingen van de ophaalbrug beginnen te ratelen en de brug komt naar beneden. Even later sta ik in de binnenpoort alwaar mijn gezicht minutieus wordt vergeleken met een portret dat de poortwachter uit een kluis heeft gehaald. Over de gelijkenis is vandaag gelukkig geen twijfel en ik mag door naar de volgende hindernis.
“Als ik jong ben, ben ik lang. Als ik oud ben, ben ik kort. Wat ben ik?”, vraagt de poortwachter. Het is het nieuwe raadsel van dit kalenderjaar, besef ik. Over het nieuwe raadsel wordt iedereen met toegang tot deze vesting tijdig geïnformeerd. Via de beveiligde post natuurlijk, die alleen binnen de vestingmuren geopend kan worden. Gelukkig wordt een nieuw wachtraadsel weken van te voren aangekondigd door de heraut, zodat we niet vergeten om die belangrijke post te openen. Ik heb die post plichtsgetrouw en op tijd ingezien en weet het antwoord op het raadsel.
Ik spreek het antwoord op het raadsel duidelijk uit. De poortwachter knikt plechtig en kijkt op de klok. Hij schrijft de datum en de tijd op een nieuwe regel van het intekenregister. Dan overhandigt hij me de ganzenveer en verzoekt me om mijn naam in het daarvoor bestemde vakje te schrijven. Om mijn intekening te voltooien moet ik ook nog eens mijn vinger op een inktkussentje duwen en mijn vingerafdruk naast mijn dagtekening zetten. Maar dan mag ik eindelijk naar binnen.
Ik loop het agendahuis binnen, dat zich tegenover de toegangspoort bevindt en vraag de agendabewaarder om mijn agenda voor me te pakken. De agendabewaarder bewaakt en beheert alle agenda’s. Dat is een belangrijke en onmisbare taak. De regel is dat alle agenda’s openbaar zijn voor alle personen die toegang hebben tot de vesting. De agendabewaarder zorgt ervoor dat gezamenlijke afspraken in de agenda’s van alle genodigden komen. Mijn agenda wordt snel uit een diepe lade van een grote archiefkast gehaald en aan mij overhandigd.
Ik raadpleeg snel mijn agenda om te zien hoe laat ik morgen mijn eerste werkafspraak heb en prent dit in mijn geheugen. Daarna overhandig ik mijn agenda weer aan de agendabewaarder die deze vervolgens weer veilig opbergt. Ik wens haar nog een fijne zondag en verlaat het agendahuis. Even later klop ik weer aan bij de poort om naar buiten gelaten te worden. De poortwachter schrijft het tijdstip van mijn vertrek in het register en laat meteen de brug voor me neer. Terwijl ik weer naar huis wandel verbaas ik me ten zoveelste male hoofdschuddend over al die poespas. Het is blijkbaar nodig. Hoe laat was nou morgen ook al weer die eerste afspraak?…
Voornemens
Vandaag eindigt een kalenderjaar. Meer niet. Morgen is gewoon weer morgen. Nieuwjaarsdag is een construct. Het voelt op dit moment voor mij van weinig betekenis. Het is ook weer tijd om over goede voornemens na te denken. Goede voornemens. Misschien moeten we “goede” voortaan maar weglaten. De goede voornemens die men zoal uitspreekt rond 31 december zijn doorgaans halfbakken en worden meestal niet langer dan enkele weken volgehouden. Een echt goed voornemen is er eentje die je voor de rest van je leven neemt. Vanaf nu eet ik nog maar 1 koekje per dag. Vanaf nu fluit ik elke dag fietsend naar mijn werk. Laat “goede” er dus maar lekker af en neem je gewoon iets voor wetende dat je het misschien niet zal volhouden. Geeft niks. Een voornemen kan je op ieder moment uitspreken. Je hoeft niet te wachten tot het einde van het kalenderjaar. Neem je lekker vanalles voor wanneer je maar wil. Mijn “goede” voornemen voor 2026 (en alle jaren daarna) laat zich nu wel raden.