Verkopersfobie

Het is een tic, ik weet het zeker. Ik raak namelijk nogal geagiteerd als ik ongevraagd wordt benaderd door verkopers. Alleen al als iemand de schijn wekt iets aan me te willen verdienen, krijg ik al stuiptrekkingen. Ik móet ontwijken, een ruime boog om de verkoper heen maken. En als dat niet kan door ruimte- of tijdgebrek, dan versnel ik mijn tred en kijk strak voor me uit. Aktief negeren. Desnoods loop ik dwars door de verkoper heen.

Ik heb een pesthekel aan die types die op straat mensen tegenhouden met vragen zoals “welke krant leest u?” of “bent u tevreden met uw energieleverancier?”. “Geen interesse!”, onderbreek ik hun verkopersriedel en wurm me er langs. Opzouten met je product, kan me niet schelen wat het is. Als ik iets wil kopen neem ik zelf wel het initiatief. Soms staan ze met een aantal tegelijk in bijvoorbeeld een treinstation en is er geen ontwijken aan. Wat dan nog wel eens werkt is te doen alsof ik aan het bellen ben. Ik klets dan maar wat in mijn mobieltje en loop om de verkopers heen. Maar soms werkt zelfs dát niet. Dan willen ze je toch nog persé één of ander blaadje in je handen duwen alsof ze worden betaald per afgegeven foldertje.

Het is vooral de opdringerigheid waar ik me aan erger. Met de vraag “kan ik u ergens mee helpen”, als ik loop te snuffelen in een kledingzaak, kan ik nog net overweg. Inwendig denk ik: “ga in je hoek!”, en wil ik antwoorden: “ja, zorg ervoor dat ik u kan vinden als ik u nodig heb”, maar dat is natuurlijk erg bot. Ze doen ook maar hun werk, denk ik dan maar, dus ik zeg vriendelijk “nee hoor, ik kijk even wat rond”. Natuurlijk moet een verkoper zich behulpzaam opstellen, maar vooral op mijn verzoek.

Helaas maak ik ook weer te vaak het andere uiterste daarvan mee. Dit gebeurt me vooral in bouwmarkten. Bouwmarktpersoneel is óf maar moeilijk te vinden, óf ze moeten zich voor de klant verstoppen. Een bouwmarkt moet aan de andere kant ook geen lege schappen hebben, dus er lopen wel vakkenvullers rond. Die worden dan belaagd door doe-het-zelvers die graag willen weten of je een gat van 14 centimeter ook met dit vulmiddel kan vullen, of ze ook betonboortjes verkopen van 1 millimeter en of deze schroevendraaier er ook in een linkshandige versie is. De vakkenvuller weet het allemaal niet natuurlijk en verwijst je naar de informatiebalie waar je net vandaan kwam omdat daar niemand kwam ook al had je op de bel gedrukt.

Mijn ideale verkoper heeft dus verstand van zaken en kan me goed adviseren welk product ik het beste zou kunnen aanschaffen, is er wanneer het nodig is, maar stelt zich vooral nederig op. Als de verkoper ook maar de geringste schijn wekt extra centen uit mijn zak te willen kloppen, dan winkelhaak ik af. Doei!

Powered by ScribeFire.

Wat een strop

Onze gezinsmobiel is een wagen vol met snufjes. Het is zo’n flexibele, alleskunnende 7-zitter. In een handomdraai tover je het ding van kindertaxi om in miniverhuiswagen. Gisteren nog verhuisde ik een heleboel grof vuil naar de vuilstort. Niks aanhangertje huren, gewoon alle stoelen eruit en de hele zooi in de auto kieperen.

De auto voelt of ik mijn autosleutel, een soort dikke credit kaart met een paar knopjes erop, bij me heb. Als dat zo is, kan ik het portier gewoon open doen. Ik pak de handgreep vast en “klak!”, de deuren worden ontgrendeld. En er is geen contactslot. Nee, op het dashboard prijkt een grote knop met “Start” erop. Als je de koppeling intrapt en op die knop drukt, dan start de motor. Autodieven hebben natuurlijk geen schijn van kans, want zonder pasje krijg je de deur niet open en als dat toch lukt, dan blijft het stuur op slot en werkt die start-knop lekker niet. Allemaal heel slim en eenvoudig. Kind kan de was doen. Ja, totdat die snufjes je laten barsten. Dan begrijp je niet waarom je in hemelsnaam voor die snufjes was gegaan. Het kan namelijk allemaal stuk!

Gisteren, bij de vuilstort, toen ik al mijn grove vuil in de juiste containers had geslingerd, nam ik weer plaats achter het stuur. De boordcomputer herkende mij meteen en liet me via de display vriendelijk weten dat de auto kon worden gestart. Dus ik druk op de knop. Niets gebeurt. De boordcomputer vertelt me dat het stuur nog op slot staat. De handleiding geeft me gelukkig wel valse hoop, want bij het rijtje storingen die je zelf kunt verhelpen staat ook wat je kunt doen als “stuurslot niet ontgrendelt bij het starten van de motor”. Ik moet dan de startknop ingedrukt houden en tegelijkertijd aan het stuur draaien. Een kunstje opzich dat dus ook nog eens niet werkte. En dan verwens je die mooie luxe gadget op wielen tot een hoop schroot dat daar ter plekke in de oud-ijzer-container gesmeten kan worden. Het ding kon me op dat moment even helemaal gestolen worden, en dat kón dus niet omdat ‘ie vast zit in de antidiefstal-stand!

Verslagen bel ik de pechcentrale van mijn autoverzekering. Die stuurt snel een mannetje dat, heel bemoedigend, maar gelijk met een grote sleepwagen komt aanrijden. Hij probeert nog iets met een reset van de boordcomputer door de accu los te koppelen. Werkt natuurlijk ook niet. Meneer Renault, die antidiefstalfunctie van jullie werkt té goed! Einde van het verhaal is dat ik moet worden weggesleept. Gelukkig zijn we daar dan weer voor verzekerd. Even later tuf ik gezellig keuvelend met het mannetje van mijn autoverzekering door het Drentse landschap naar de garage. En vandaag krijg ik te horen dat het stuurslot niet luistert naar de kaartlezer. Ik zeg nog kwasigrappig dat ‘ie die kaartlezer dan eenvoudig wat luider moet afstellen. Ha ha, nee, er moet echt een nieuw stuurslot in meneer. Kosten: 500 euro!. Wat een strop. Niks grappigs meer aan.

Powered by ScribeFire.

Zinloos verkeersgeweld

De dag kriekt, dus gaat mijn wekker af. Ik dwing mijn lichaam weer wakker. Uiteindelijk is daar toch een plens ijskoud water in mijn gezicht voor nodig. Mijn dochtertje komt half slapend de badkamer in om naar de wc te gaan. Die kruipt straks fijn bij mama, op mijn nog warme plekje.

Minuten later werk ik mijn glaasje sju met vitamine totaal pil naar binnen. Ik duw er ook nog een plak ontbijtkoek achteraan. Niet omdat ik al honger heb, maar om later niet van mijn graat te vallen. Ik vul mijn thermosflesje met een dubbele senseo, pak mijn gisteravond gesmeerde lunchpakketje uit de koelkast en stop alles in mijn rugzak. Alles gereed voor mijn forenzenreis.

Zachtjes doe ik de voordeur van het slot. Ik hoorde piepje noch kraakje, maar de rode knor wel. Hij komt klaaglijk mauwend uit de struiken met een vraagteken in zijn staart. Knorrend strijkt hij langs mijn benen, blij dat hij naar binnen mag. Op de oprit ligt een dooie muis. Die gaat in de GFT-container die ik toch bij de weg moet zetten. Een respectloos graf eigenlijk, maar verder sta ik er niet bij stil.

Volgens mijn weerstationnetje in de hal zou het buiten -1,1 graden moeten zijn, maar de gevoelstemperatuur is veel lager. Mijn wereld blijkt in nevels gehuld en ik moet ijskrabben. Het gaat allemaal van mijn tijd af. Op weg naar Meppel rijd ik daarom te hard door de mistflarden en haal een trage trekker in met onvoldoende zicht. Ik word ingehaald door nog grotere idioten, maar die rijden dan ook in Duitse merken. Van schrik word ik verstandig en ga rustiger rijden. Als blijk van waardering voeren de optrekkende nevels een schitterende dans voor me op in de gouden stralen van de dagende zon. Over een half uur gaat er heus nog wel een trein.

Op de snelweg rij ik rustig achter een vrachtwagen en sla ik Meppel in. De zwarte Audi die achter mij zat te drammen schiet ineens naar voren en duikt vlak achter de vrachtwagen en vlak voor mij, plompverloren op dezelfde uitrit. Boos toeterend en lichtend tier ik hem na. Onbeholpen zak! Hij neemt daarna dezelfde route als ik en we komen allebei ruim op tijd aan bij station Meppel. Verschillende levens werden weer eens nodeloos op het spel gezet. Zinloos verkeersgeweld.

Powered by ScribeFire.

Ontloop je beslommeringen niet

Dit is beslist het zwaarste woord van de Nederlandse taal: beslommering. Spreek het maar eens uit: buh-slom-me-ring. Vooruit, nog eens: buh-slom-me-ring. Zo zwaar op de tong. Alleen het meervoud ervan is nóg zwaarder. Op gegeven moment krijg je de smaak van droge aarde in je mond. Beslommeringen zijn heel aards, vandaar die smaak. Oppergod Odin stuurde zijn zoon Thor zelfs op stage bij de aardbewoners, om te leren wat beslommeringen zijn.

Als ik een beslommering herken voor wat het is, dan wil ik er met een grote boog omheen lopen, want er liggen namelijk al genoeg beslommeringen op mijn schouders. Een beslommering is een last die je lang met je meedraagt. Een beslommering vermoeit. Een beslommering kom je niet gemakkelijk vanaf. Een beslommering is een soort wurgcontract dat je ooit vrijwillig en met energie aanging.

Beslommeringen vermommen zich vaak eerst als verlangens en dromen. Je kunt verlangen naar een eigen kind, dromen van een eigen huis, hunkeren naar meer aanzien en macht. De beslommering komt uit zijn schulp als de verantwoordelijkheden om de hoek komen kijken. En soms liggen de naakte beslommeringen gewoon ineens voor je voeten. Hulpeloos kijken ze je aan.  Íemand moet het toch doen, denk je bij jezelf, en je hebt er weer een verantwoordelijkheid en een zorg bij.

Gelukkig kunnen beslommeringen draaglijk worden gehouden door waardering en erkenning. Met een compliment kun je er weer maanden tegenaan. Ironisch genoeg zien we een uitbreiding van verantwoordelijkheden (promotie) ook als een erkenning. Mensen die al veel verantwoordelijkheden en zorgen hebben, kunnen meer hooi op hun vork erbij hebben dan mensen met weinig verantwoordelijkheden. Als je al veel kinderen hebt, dan kan er nog makkelijk eentje bij. Leiderschap over en verantwoordelijkheid voor steeds meer mensen gaat je steeds makkelijker af. Beslommeringen maken je dus ook meer flexibel, veerkrachtiger, sterker en robuuster. Kortom: ontloop je beslommeringen niet, want ze maken je een beter mens. Begrepen Thor?

Powered by ScribeFire.

Uitrekenen of uitsloven?

In een vakblad voor IT-ers (ja, ik ben mij er eentje) lees ik vandaag dat het Rijk experimenteert met cloud.

Veel bla bla, maar de volgende delen vielen me op (ik citeer letterlijk):

In het bezuinigingsprogramma Compacte Rijksdienst dat Donner medio februari 2011 presenteerde stonden reeds de contouren geschetst van de gesloten rijkscloud. Daarbij is aangekondigd dat bij de rijksoverheid het aantal rekencentra de komende jaren wordt teruggebracht van 64 naar vier à vijf.

Dus een groot aantal rijksrekencentra moet geloven aan de rijkskaasschaaf. Maar de klapper is voor mij het volgende:

Minister Donner verklaarde overigens begin maart in een algemeen overleg van de Kamercommissie BZK dat hij niet gecharmeerd was van de Engelse term cloud computing. Hij hoopt op een goed Nederlands alternatief en kwam zelf met het alternatief ‘wolkenrijden’.

Voor niet IT-ingewijden: Cloud computing kun je zien als een vorm van uitbesteding. In plaats dat je je data, applicaties en diensten door interne beheerde servers (eigen sloven) laat “serveren” aan je medewerkers, laat je het serveren door extern beheerde servers (sloven van iemand anders). Het gereken van de rijksrekencentra wordt uitbesteed, binnenrekenen wordt uitrekenen. Daar, uitrekenen, een veel beter alternatief voor wolkenrijden, zeg nou zelf.

De voorgaande allinea plaatste ik ook als reactie onder het bewuste artikel, maar toen ik het had geplaatst zag ik nóg een alternatief voor het door minister Donner bedachte “wolkenrijden”, namelijk uitsloven. Geachte heer Donner, kiest u zelf maar: uitrekenen of uitsloven?

Reusachtig mens

Op de parkeerplaats van de dorpsuper stapt een nogal uit de kluiten gewassen mens uit de duidelijk te kleine middenklasser waar ik net naast wil parkeren. Ik wacht even tot ik er langs kan. Ze kijkt me met gefronste wenkbrouwen aan. Het valt me op dat ze het blijkbaar erg warm heeft, want het zweet loopt in straaltjes over haar nogal zwaar opgemaakte gezicht. Ze draagt roze Crocks. Zo te zien, minstens maat 46. Verbazend dat ze in die kleur in die maat te koop zijn.

Even later kan ik de auto parkeren. Ik haal mijn zoontje uit zijn stoel en rij hem met de boodschappenwagen de super in. Daar kom ik het reusachtige mens weer tegen. Ze is zo breed geschouderd, dat ik haar niet kan passeren in de smalle gangetjes tussen de schappen. “Oma!”, roept mijn zoontje, en wijst ongegeneerd met zijn vingertje naar de enorme vrouw. De vrouw glimlacht even snel naar mijn ventje, en loopt haastig verder.

Als ik mijn boodschappenlijstje helemaal heb doorgestreept, kan ik naar de kassa. En daar legt de reuze-oma net haar boodschappen op de band. Ze moet bukken om haar hoofd niet te stoten tegen het reklamebord dat tussen de kassa’s hangt. Ik probeer niet teveel te staren, dat laat ik wel over aan mijn zoontje. Ik leg mijn spullen ook op de band terwijl de reuze-oma afrekent. “Spaart u ook zegeltjes?”, vraagt het kassameisje. De reusachtige vrouw antwoord met reusachtig zware stem: “Nee hoor, dankuvriendelijk”. En dan valt het kwartje pas voor me. Zijn benen heeft hij dan wel keurig geschoren…

Powered by ScribeFire.

56 sokken!

Zaterdagavond:
4 kleine mensjes liggen heel lief te slapen.
4 neusjes tegen 4 fijn ruikende knuffels.
4 buikjes die zachtjes op en neer gaan.
4 zachte koppies krijgen een aai.
8 oogjes gaan eventjes open.
4 lijfjes woelen zich om.
4 dekentjes stop ik weer in.
4 wangetjes krijgen een kusje.
4 maal vreselijk de moeite waard.

Zondagochtend:
12 keer moeten ze heel vroeg plassen
24 keer deur open en deur weer dicht
Veel te vroeg hebben ze praatjes voor 8.
8 blote voetjes stampen op de overloop.
80 keer sist papa dat het zachter moet.
Net zo vaak zegt mama: laat ze toch.
80 keer valt papa toch niet meer in slaap.
8 kleine (en 2 grote) voeten komen van de trap
4 dorstige halsjes en 4 buikjes die rammelen
8 zoete boterhammen verdwijnen
in 4 smikkelende chocoladepastasnoeten…
Daarna helpen 8 gewassen handjes papa mee
met het vouwen van stapels schone was,
waarin minstens 28 schone onderbroekjes
en minstens 56 schone sokken,
voordat deze 4 kindjes mogen spelen!

Powered by ScribeFire.

Borreltje? Prettig.

Borreltje. Dat is het woord dat een oude vriend van me blijkbaar altijd met mij is blijven associëren. Na ik weet niet precies hoeveel jaren – minstens 8 – sprak ik hem weer. In mijn studietijd zat ik samen met hem en nog een maatje in een excursiecommisie die een studiereis naar Dublin organiseerde. En laatst waren we weer herenigd in een restaurantje in Groningen.

Die associatie met “borreltje” heb ik natuurlijk niet te danken aan het genoegen dat ik als student haalde uit het nuttigen daarvan. Ik was een heel verstandige student… Dat ik “borreltje” zei in die tijd, vond die oude vriend die ik zo lang niet meer had gesproken, ook altijd zo lekker oudbollig klinken. In zijn bijzijn zei ik het dan maar extra vaak. Wij hadden een soort onuitgesproken zeg-jij-maar-lekker-borreltje-als-jij-je-daar-prettig-bij-voelt-afspraak. Bij echte vrienden mag je gewoon jezelf zijn. Prettig.

Hee “prettig”. Dat was altijd zijn manier om aan te geven dat iets goed was. Zijn manier om dingen te bevestigen. Als ik dan vroeg: “Nog een borreltje dan maar?”, dan was het antwoord “Prettig”. Die fijne herinneringen. Hij woonde toen al heel burgerlijk samen. Er was zelfs een cavia. Huisje-boompje-beestje. En er stond altijd een borreltje klaar voor me bij hen thuis. Zo prettig.

En laatst, na al die jaren, viel het woord “borreltje” ook weer heel spontaan in dat restaurantje in Groningen. Ik had er niet eens erg in. Het lag ineens in het gesprek. “Hè, daar is het al weer gevallen”, zei mijn prettige oude vriend. Geen verwijt in te horen, helemaal niet. In tegendeel, het voelde als een aanmoediging: “zeg jij maar fijn ‘borreltje’, want dat past bij je”. Imméns ouderwets prettig. Vrienden laten elkaar fijn in hun waarde.

Powered by ScribeFire.