Idioten die het nodig vinden om willekeurige mensen dood te schieten en daarna zichzelf, heb je tegenwoordig overal. Sinds vandaag ook in Alphen aan den Rijn. Nog nooit kwam zo’n idioot zo dichtbij voor mij en mijn vrouw. Het NOS Journaal toont beelden van vertrouwde straten. Het maakt me kotsmisselijk. Ik kijk naar mijn vrouw. Ze ziet bleek en is blijkbaar net zo verbijsterd als ik. Plotseling moet ik aan onze vrienden in Alphen denken. Ik bel ze gelijk. Gelukkig is hen niks overkomen. Pak van ons hart. Niet dat dit de schok ook maar enigzins vermindert. De levens die dit heeft gekost zijn onverbiddelijk weg. Wat een ziekelijke zinloosheid. Hiervoor bestaat geen vergeefbaar motief.
Vertraging, gezellig!
Het fluitje dat mij vertelt dat ik op (waarom eigenlijk “op”?) de trein moet springen, omdat zij gaat vertrekken weerklinkt over het perron. Gelukkig, ik haal het nog en de trein begint te rijden. Maar na 20 meter trapt de machinist bruusk op de rem. Foute boel dus. Minuten lang staat de trein stil. Er wordt niets omgeroepen. Mijn medereizigers beginnen zich danig te ergeren. Boze blikken worden er achterom geworpen, door de coupé en door de ramen naar buiten. Wat is er aan de hand!?
En dan kraakt het omroepsysteem. Hoopvol kijkt iedereen op. “Dames en heren, hier spreekt uw conducteur”, zegt een officiële stem. “U bevindt zich in de intercity naar Amersfoort. Zoals u heeft gemerkt is deze trein wat eerder gestopt dan de bedoeling is. Dit komt door een storing aan deze trein”, vervolgt de conducteur. Ik zie een mannetje met NS-uniform langs de trein hollen. “De machinist gaat nu heel snel proberen dit te verhelpen en dan vertrekken wij onmiddelijk”, zegt de conducteur streng. In de coupé wordt smakelijk gelachen.
“Dames en heren hier spreekt weer de conducteur van deze trein. De stoptrein naar Amersfoort staat aan de overzijde van dit perron…”. Zonder de conducteur te laten uitspreken springen tientallen mensen uit de trein om op die stoptrein te springen. “…maar ik kan u niet zeggen of die stoptrein eerder vertrekt dan deze intercity”, gaat de conducteur verder, “maar ik zit er natuurlijk bovenop en zal u informeren wanneer u beter de stoptrein kunt nemen”. Weer klinkt er gelach in de coupé. Wat een grappige conducteur!
“Dames en heren, hier spreekt weer uw gezellige conducteur. De machinist komt nu weer naar voren en gaat proberen om de trein te laten vertrekken”. En jawel, daar komt het machinistje weer aangehold. De mensen die net in de stoptrein waren gesprongen komen snel met hangende pootjes terug. Even later klinkt het instapfluitje en komt de trein, tot grote opluchting van de reizigers, in beweging. Er klinkt zelfs een klein applausje. “Dames en heren, zoals u hebt gemerkt is de machinist erin geslaagd de storing te verhelpen. Het was gelukkig maar een klein probleempje. We zijn met een vertraging van 10 minuten precies vertrokken, onze welgemeende excuses hiervoor”.
Een breeduit grijnzende conducteur loopt mijn coupé binnen. “Hallo, ik ben die gezellige conducteur!”, roept hij, “Ik zoek een plekje om te zitten, maar alle plaatsen zijn bezet”. Het gezellige clubje dagtourdames achter mij schatert luidruchtig. “Nou, dan ga ik maar naar die andere gezellige coupé”, zegt hij en rent verder. “Nou Doei!”, roept hij frivool. De dagtourdames gieren het uit. Ik had nog nooit zo’n vrolijke vertraging.
De trein rijdt Amsterdam uit, maar het gaat niet erg hard. “Dames en heren, ik ben het, uw gezellige en informatieve conducteur. Wij rijden momenteel achter een stoptrein. Dat is de reden dat wij zo langzaam rijden. Hierdoor is onze vertraging inmiddels opgelopen naar 13 minuten. De aansluitende trein in Hilversum heeft momenteel een vertraging van 11 minuten. Ik kan u niet zeggen of u uw aansluiting zult halen of niet. Dat wordt dus spannend Dames en Heren”. Ik begon me inderdaad al over mijn aansluitende trein in Hilversum zorgen te maken. De conducteur spreekt weer: “Maar ik krijg straks een telefoontje van de conducteur van die trein. Uw gezellige conducteur gaat u natuurlijk op de hoogte houden”.
De conducteur komt weer door mijn coupé gehold. Druk pratende door zijn mobiele telefon. Ik probeer zijn gezicht te lezen, maar ik kan er geen verlossende boodschap van aflezen. Even later klinkt het: “Dames en heren, ik heb zojuist met mijn collega gesproken en hij vraagt mij het volgende bericht door te geven: De reizigers met bestemming Zwolle, Groningen gaan hun aansluiting in Hilversum……..hálen! En de reizigers met bestemming Apeldoorn gaan in Amersfoort hun aansluiting…..missen”. Hilarisch natuurlijk. De dagtourclub lacht zich de tranen. Ze moeten vast niet naar Apeldoorn. Ik juich van binnen. Ik haal mijn trein naar huis toch nog. Wat een gezellige vertraging.
In de trein naar Groningen type ik snel dit verhaal voordat ik het kwijt ben. Het lukt me zelfs om het op de blog te plaatsen.
Powered by ScribeFire.
B-fratsen
Deze zomer krijgt Nederland zijn eigen B-maatschappij. Dat las ik in De Pers van vandaag. Onze huidige maatschappij is volgens het artikel volledig geklokt op het biologische klokje van de ochtendmensen, de A-mensen. Dit is erg nadelig voor alle mensen die pas na 11 uur ’s ochtends op gang komen: de avondmensen, de B-mensen.
Een A-mens heeft een sneller lopende innerlijke klok als een B-mens. Dat is genetisch bepaald door een professor uit München, dus dan is het vast waar. Een A-klok heeft maar 23 uur per etmaal, dus deze tikt de tijd er zo snel doorheen dat je aan het eind van je etmaal 1 uur tekort komt, ook al ga je nog zo vroeg naar bed. Een B-klok heeft 26 uur per etmaal. Daarmee hou je aan het eind van je etmaal dus 2 uur over die je niet hebt kunnen benutten, hoe lang je ook ’s avonds doorgaat.
Begrepen? Nee? Nou het komt erop neer dat een B-mens chronisch slaap tekort komt omdat hij zo onnatuurlijk vroeg moet opstaan van de A-mens. De B-mensen willen dus graag hun eigen maatschappij: een B-maatschappij met B-winkels, B-werkgevers en B-scholen. Een B-dag begint later en eindigt later. Een B-school begint om 10 uur. Een B-baan start om 11 uur. Een B-winkel is open tot 11 uur ’s avonds. Dat soort dingen. En, o ja, een B-jaar kent geen zomertijd. B-mensen hebben namelijk niks aan vroege zonsopkomsten.
Volgens het artikel in De Pers hebben wij zo’n 2 miljoen A-mensen en 3,5 miljoen B-mensen in ons kleine land. De innerlijke klok van de resterende 11 miljoen, de ruime meerderheid, heeft dus tussen de 23 en 26 uur per etmaal. Statistisch gezien hebben dan alle Nederlanders bij elkaar 24,30303 uur per etmaal. Afgerond is dat keurig 24 uur. Daarin moet de hele maatschappij dus passen. En nu verder geen gezeur meer.

Powered by ScribeFire.
Zoef plat
Omdat het nog heerlijk warm was had Zoef besloten om nog even een nachtelijk ommetje te maken voor hij onder de wol ging. Maar het was erg donker in het bos en hij verdwaalde. Een klein beetje maar, hield hij zich voor. Weldra zou hij de bekende weg weer hebben teruggevonden. En jawel, daar zag hij al weer wat bekende bomen. Haastig rende Zoef ernaar toe.
Aangekomen bij de bomen die hij eerst meende te herkennen zag Zoef dat hij voor de gek was gehouden. Deze bomen hadden hem nóg verder van Het Grote Dierenbos weggelokt. Zoef raakte nu in paniek en begon nu in het wilde weg rond te rennen. Plotseling rende hij het bos uit. Hij stond aan de rand van een kale, grauwe strook met witte strepen erop. In de verte hoorde hij een zoevend geluid.
Zoef keek in de richting waar het geluid vandaan kwam. Daar zag hij twee felle lichten die met hoge snelheid op hem afkwamen. Het geluid werd ook steeds luider. Zoiets angstaanjagends had Zoef nog nooit gezien. Dit moest hij even heel goed bekijken zodat hij de andere dieren dit gevaar precies kon beschrijven. Dus hupte hij dapper over de witte streep. De grond voelde ruw onder zijn pootjes. Zoef huiverde. Ineens waren de lichten weg, maar het zoevende geluid hoorde hij nog wel. Zoef liep nog iets verder de kale strook op om te kijken waar de lichten nou toch waren gebleven.
En toen waren de lichten er ineens weer. Zoef werd er totaal door verblind. Hij probeerde weg te springen, maar wist niet meer waar de bosrand was. Zoef bevroor van angst. Met grote ogen zag hij de lichten op zich afkomen. Het gezoef werd een oorverdovend geraas en gebulder. En toen was Zoef plat.
Het was 1 uur ’s ochtends en ik was op weg terug naar huis. De haas kwam uit het niets en ik kon hem niet meer ontwijken. Er was een harde klap en ik voelde hoe ik het arme dier verpletterde onder de banden. Op een parkeerplaats laat ik even de adrenaline eruit beven. De volgende ochtend blijkt de voorbumper ontzet en er kleeft flink wat bloed aan het rechter achterwiel en het spatbord. En ik denk dan: gelukkig was het maar een haas en geen hert…

Powered by ScribeFire.
De spin en de lekke band
Natuurlijk moest ik het vandaag ontgelden. Al dagen hadden ze erop gebroed, die donderse rakkers. Terwijl ik de slaap nog uit mijn oogjes aan het wrijven was aan de ontbijttafel, riepen ze allemaal tegelijk: “PAPAAAAAA! Er zit een spin op je hooooofd!!”
In paniek sloeg ik wild met mijn handen door mijn haren. Het huilen stond me nader dan het lachen. Bij mijn kinderen precies andersom natuurlijk. “Is ie nu weg!?”, vraag ik hees van angst. Medogenloos lachend schudden ze hun gemene tronies. “Neeeeee, hij zit op je oooooor!”. Ik slaak een ijzige kreet en spring wel een meter omhoog. “Nu zit ie op je oog!!!”. Ik peeuw nog maar eens en begin te hyperventileren. Schaterend steken ze geen helpend handje uit. “1 APRIL KIKKER IN JE BIL DIE ER NOOIT MEER UIT WIL!!!!”
Ik kijk mijn kinders nu ernstig aan. “Dat was heeeel erg gemeen”, zeg ik met gebroken stem. Ik pruil mijn mond en snik. “Ik dacht dat er écht een spin op mijn hoofd zat. Jullie weten toch dat Papa een hekel heeft aan spinnen”. Mijn dochtertje kijkt me nu bezorgd aan, maar ik heb haar nog niet helemaal overtuigd. Ik buig mijn hoofd en neem het in mijn handen. “Zo gemeen”, zeg ik heel zachtjes. Er aait nu een heel lief handje over mijn rug. “Ja, het was wel een beetje gemeen van ons”. Triomfantelijk veer ik overeind en roep: “1 APRIL!!!”.
Lachend ontbijten we verder en het lukt papa en mama om de vloed aan vervolggrapjes te dempen, want ze moeten nog wel hun boterhammetje opeten. Maar als die op zijn, zie ik mijn zoon weer broeden. Hij aait de kat die in de vensterbank zit maar schrikt dan ineens op. “PAPA! Dit is geen grapje. De band van de auto is lek!!” Ik baal natuurlijk als een stekker en begin stevig te brommen en te mopperen. “Potverdorie, en ik heb allemaal belangrijke afspraken!”. Gelukkig het is toch weer een grap. Tevreden gaan de kinderen naar school.
Het is maar goed dat het niet iedere dag 1 april is, want dat scheelt zeker een heel jaar van mijn leven.

Powered by ScribeFire.
Dromenelfje
een elfje gemaakt door mijn zoon van bijna 9
ik ben helemaal niet trots ofzo

Kopzorgen
één donsveder lichter
geeft mijn lekkende kussen
steeds meer kopzorgen
geïnspireerd door Svara’s Haiku – 9

Een rat kan niet kotsen
Het schijnt dat ratten niet kunnen kotsen. Ik las dit toevallig op wikipedia omdat ik wilde weten welke kleur gal heeft. Omdat ik een verband zag met ergernis, dacht ik aan een mengsel van groen en geel. Klopt dus als een bus. Ik leerde er ook nog even bij dat groengeel in het Grieks cholè is, en dat De Klere (Cholera) dus is vernoemd naar de gal. Maar die arme ratten hebben geen galblaas. En daarom worden ze dankbaar gebruikt in onze laboratoria, want ze kunnen immers toch niet kotsen.
Zeg nou zelf, dat is toch bijzonder praktisch? Het scheelt een heleboel viezigheid en zure stank in je laboratorium. Je kunt een rat volproppen met allerlei chemicaliën zonder dat het beest deze – volkomen terecht – weer uitbraakt. Mensen die zwaar op de hand zijn noemen we cholerisch en zwartgallig. Deze mensen hebben blijkbaar een overactieve galblaas en spuien voortdurend gal. Maar een rat is fysiek niet in staat om gal te spuien. Dus je zou kunnen zeggen dat ratten van nature altijd heel zonnige karaktertjes hebben. Nooit zwaar op de hand, altijd blij en optimistisch. Ratten kunnen niet klagen. De ironie is hier zo schrijnend. Ik wordt er gewoon gallisch van!

Powered by ScribeFire.
De Worst
Voor mij hangt een verse worst. Hij ziet er mals uit. Het water loopt me in de mond. Ik weet natuurlijk niet of de worst ook echt lekker zal smaken. Ik weet zelfs niet eens of ik erin mág gaan happen. Vooralsnog bungelt die worst voor mijn ogen.
Eigenlijk vormt de worst geen bittere noodzaak voor me, want ik heb opzich al een hele fijne worst. En die worst smaakt nog steeds naar meer. Kortom, ik ben best tevreden over mijn huidige worst.
En toch, en toch… wat hangt daar een verleidelijke worst. Ik móet beslissen. Wanneer proef ik de bittere nasmaak van de spijt? Als ik niet toehap, of als ik wel toehap? Altijd hetzelfde lied.

Powered by ScribeFire.
Chief Laundry Officer
Volgens mij hebben mijn vrouw en ik een nogal typische rolverdeling in het gezin. We zijn allebei carrièrebeesten, maar getemd door onze gezamenlijke verantwoordelijkheden in het gezin. Ons gezin is onze eigen fijne hoeksteen, dus daar waken wij zorgzaam over. Van die hoeksteen mag niets afbrokkelen, want anders komt de stevigheid van alles dat daar op leunt in gevaar.
Dus wij vormen gezamenlijk de directie van ons huishouden. Mijn vrouw is de CEO (chief executive officer), en dat is goed. Ze is ook de CFO (chief financial officer), want ze waakt ook over de huishoudportemonnee. En wat zijn dan mijn rollen? Wel, ik ben natuurlijk de CSO (chief security officer), want ik sluit ’s avonds de deuren en zorg dat de brandmelders regelmatig worden getest. In die rol maak ik ook stopcontacten en keukenkastjes veilig voor kleine handjes.
Verder ben ik natúúrlijk de CTO (chief technology officer) van het gezin. Voor geen klus draai ik mijn hand om (wel voor de planning ervan, maar dat is de taak van de CEO) en ik regel ook alle strategische aankopen van technische snufjes en tools en zo. Heel belangrijk hoor. En verder ben ik ook nog CLO. Dat laatste heeft dan weer iets te maken met de was…

Powered by ScribeFire.
