Soms moet een mens aan zichzelf voorbij gaan. Om iets te bereiken dat buiten handbereik ligt. Liggen kansen daar meestal eigenlijk sowieso niet gewoon binnen maar hield je jezelf te klein? Reikhalzen is veilig maar je bereikt er niks mee. Als je ruimte in jezelf voelt groei dan. Wurm je desnoods uit je krapte.
Sociale souplesse
In de afgelopen maanden verwonder ik me meer en meer over een nogal groot en duidelijk verschil tussen mijzelf en mijn kinderen. Vergeleken met mezelf zie ik bij de kinderen veel sociaal ongemak. Ik begon me af te vragen of ik vroeger in mijn jeugd misschien hetzelfde sociale ongemak had. Maar mijn moeder vertelde me dat ik al van kleins af aan heel nieuwsgierig was naar anderen en altijd heel makkelijk gesprekken aanknoopte met Jan en alleman. Dat doe ik eigenlijk nog steeds. Tot openlijke verbazing van mijn kinderen: “Kende je die man met wie je net uitgebreid grapjes stond te maken?”.
Geen van mijn kinderen lijkt mijn “sociale souplesse” te hebben geërfd. Mijn krullen duidelijk wel. Daar zullen ze dan in genetisch opzicht waarschijnlijk meer voordeel van hebben. Heb ik mij gedurende een cruciale periode in hun ontwikkeling sociaal wellicht helemaal niet zo soepel gedragen? Daar zou wel een deel van de verklaring kunnen worden gezocht. Ik ben in het huwelijk met hun moeder lange tijd mezelf niet geweest. Maar voor hetzelfde geld ben ik in mijn jeugd juist bovengemiddeld veel blootgesteld aan sublieme sociale souplesse.
Mijn lieve vriendin ondervindt het grote verschil in die sociale souplesse aan den lijve, en dat baart best zorgen. Intussen zijn mijn kinderen zowat allemaal het huis uit en is mijn opvoedingsinvloed sterk beperkt. Mijn ruwe diamantjes zullen zich nu vooral moeten slijpen aan de wrijvingen in hun eigen sociale kringen. Daar zit toch nog wel een parallel met de opvoedstijl van mijn vader. Hij zei wel eens, waar ik bij was, tegen mijn moeder: “Hij moet maar gewoon op zijn bek gaan, dan leert hij het wel”.
Dat
Arme tak
Mijn opa Herman had een neef die in de twintiger jaren kampioen van Nederland werd in het wielrennen op de weg. Hij blijkt een Groninger sportlegende te zijn. “De Beere” noemde ze hem. De neef heette eveneens Herman, zoals vele van mijn voorvaderen. Mijn opa was ook fanatiek wielrenner in die tijd, maar stond qua succes in de schaduw van de neef. Diezelfde neef startte na zijn wielercarrière een taxi-bedrijf dat in Groningen alom bekendheid genoot. Het maakt de neef zeer welvarend. Mijn opa had in die tijd een eigen galvaniseer- en verchroombedrijf. Hij werkte hard. Ging dagelijks op de fiets naar zijn werk. Tijdens de tweede wereld oorlog schijnen de Duitsers veel materiaal van dat bedrijf in beslag te hebben genomen. Na de oorlog startte mijn opa het bedrijf wel weer op, maar hij ging failliet. Hij stierf aan longkanker, tien jaar voor mijn geboorte.
Ik ben me onlangs gaan verdiepen in de geschiedenis van mijn familie, en er gaat een hele wereld open voor me. De nazaten van mijn opa’s vader (de broer van de vader van die succesvolle neef) noemen hun tak van de familie quasi gekscherend “de arme tak”. Ik heb dat ook overgenomen, maar intussen ben ik me daarover aan het verwonderen. De geschiedenis van mijn familie lijkt alles behalve arm. Mijn vader kan me er nu nog veel over vertellen. Zijn geheugen is haarscherp, maar hij raakt ook al flink op leeftijd. Zijn nog levende oudere zus is in mijn ogen nu ineens ook een schat aan familiegeschiedenis. De tijd dringt, voel ik. En ik voel dat hier een taak voor me ligt. Mijn familiegeschiedenis moet worden bewaard en gekoesterd.
Hieronder de neven Herman Nankman. Rechts mijn opa, links zijn neef. Volgens mijn moeder heb ik de kop van die neef. De koppigheid van mijn opa en zijn neef zit mij ook voelbaar in het bloed. Ik zet die nu maar eens in voor mijn arme tak.


Duin
De handen van de wind
schiepen je naar ’t evenbeeld
van de golven
Je huid schittert wit
zonlicht en verdiept
het hemelblauw boven me
In jouw luwte laat ik mij
door de wind dan
langzaam in je opgaan
Otto richt uit
Verspreid door het hele land wordt door garagehouders melding gedaan van een vreemd soort mankement aan auto’s. Het gekke is daarbij dat het bij alle automerken voor komt, en dat er een verband lijkt te zijn met de aanschafwaarde van de auto. In alle gevallen zou het gaan om de werking van het stuur. Automonteurs door het hele land bevestigen dit. “Ik heb er deze week weer vijf gehad”, zegt Karel Gerrits, monteur bij de garage om de hoek bij onze redactie. Hij krabt zich achter zijn rechter oor en zegt: “Ineens rijden auto’s gewoon rechtdoor als je eigenlijk rechts- of linksaf wil. En op rotondes blijven auto’s eindeloos rondjes rijden!”. Toen ik hem vroeg of hij hier een verklaring voor heeft, zei Karel: “Mechanisch kan ik in ieder geval niks ontdekken. Dus het moet in de boordcomputer zitten. Als je het mij vraagt is het een computervirus, meneer!”. Intussen hebben experts op het gebied van autotechniek zich over het fenomeen gebogen, maar ook zij tasten in het duister. Als “workaround” adviseren deze experts om bij het sturen altijd de richtingaanwijzer te gebruiken. Dan blijkt in alle gevallen namelijk de stuurinrichting normaal te functioneren.
Otto de Magiër houdt de nieuwsberichten hierover nauwlettend in de gaten, en vindt de ophef allemaal erg vermakelijk. Zijn naam is Haas natuurlijk.
Geen zorgen
In het reklameblok dat ik verdraag voordat het journaal begint, wordt mij één en al onbezorgdheid naar mijn hoofd geslingerd. Vliegreizen naar warme oorden. Blitse auto’s die iedere dag mooi maken, zelfs regenachtige. Natuurlijk wel goedkoop boodschappen doen. En iedere week kans op een miljoen natuurlijk. Ik hoef me geen zorgen te maken, lijkt de boodschap. Geen zorgen over oorlog. Geen zorgen over de almaar toenemende onverdraagzaamheid. Geen zorgen over het verdwijnen van de bijen. Geen zorgen over het afstervende koraal. Geen zorgen over de smeltende ijskappen. Geen zorgen over de hoogte van onze dijken. Geen zorgen over het woningtekort. Geen zorgen over kansongelijkheid. Geen zorgen over de kwaliteit van het onderwijs. Defensie wil een verplichte enquete om de animo onder onze jeugd voor het dienen in het leger in kaart te brengen. Maar ik hoef me natuurlijk ook geen zorgen te maken dat mijn kinderen soldaten worden.
Geslepen
Tot kille taal gesmede
woorden die gloeien
in vlijmscherpe zinnen
geslepen met vuur
getemperd, in zuur
Om me te verweren
tegen dat bittere zwaard
sleep ik kalm mijn ijzers
om scherp langszij
over ’t ijs te kunnen scheren
De werkplaats in mijn hoofd
In mijn werkplaats ruikt het naar soldeertin, verf en vet. Dat moet. En naar hout, want er liggen geschaafde krullen op de vloer. De werkbank is robuust en uitgerust met een goed gesmeerde bankschroef en een boortafel.
De muur erachter is bekleed met houten platen die ooit deel uit maakten van een omheining van een bouwplaats in een stad. Er zitten nog verbleekte blauwe verfstreken uit een spuitbus op. Boven mijn werkbank zijn talloze spijkers in die platen geslagen, waaraan hamers, zagen, vijlen en andere werktuigen op hun vaste plekken voor het grijpen hangen.
Daarboven, bijna reikend tot aan het plafond, liggen drie ruime planken, elk gedragen door vier zware, gegalvaniseerde beugels. Op de planken staan vettige glazen potten, roestige blikken en rammelende bakken vol dingen die nog van pas komen. Je weet maar nooit.
Er staat een hand vol projecten in mijn werkplaats. Een stoel dat nog een laagje verf moet. Een platenspeler met doffe kap. Een lamp zonder snoer. Een vogelhuisje zonder dak. Projecten die ooit nog af moeten maar niet per se vandaag of morgen. Nu heb ik hier een oneindige voorraad morgens, maar waar het natuurlijk allemaal om draait is ontsnapping aan alle gekte en even tijd voor mezelf.
Koppie koppie
Het gebeurt wel eens dat ik mijn kop verlies. Vaak als gevolg van een overdosis aan flauwekul. Zonder kop ben ik alleen nog twee benen en een romp. De kop laat gewoon ineens los en zweeft richting de wolken, maar nooit hoger dan de gemiddelde boomtop. Zonder kop vergeet ik zomaar de controle op de sleutelbos in de jaszak voor ik de deur uit wandel.
Die wandeling moest dienen tot het legen van die kop, maar het was al na twaalven. Ergens rond vijf voor twaalf stootte de onderrug wel een felle scheut door mijn gedachten, maar de kop zat al te vol met hete lucht. Ondanks de scheut kreeg ik wel mijn veters vast en wist mezelf met kop en al in de auto te krijgen. Ik moest even naar de apotheek namelijk.
Op de terugweg bedacht ik eigenlijk pas dat ik mijn hoofd nodig leeg wandelen moest. Thuis bracht ik de medicijnen eerst naar binnen. Voor de zoveelste keer vroeg ik me af hoe lang ik nog dat stomme sleuteletuitje met dat stomme ritsje bleef gebruiken. Ik trek het ritsje altijd bruusk open, vaak met mijn tanden, en laat de twee kettinkjes met sleutels eruit vallen. De sleuteltjes weer netjes in het etuitje krijgen is teveel gedoe, dus dat stel ik geregeld uit. Ook vandaag kwakte ik de naakte sleutelbos geërgerd op de eettafel.
Mijn kop hing al helemaal tegen het plafond en deed niet meer mee. Ik moest echt dringend wandelen. Het lukt nog om de oortjes in de oren te doen en een podcast aan te zetten. De romp kon nog slechts denken met mijn ruggenmerg, liep naar buiten en trok de deur achter zich dicht. Mijn kop schoot meteen richting hemel, dus er werd geen tel bedacht dat de sleutels niet in de jaszak zaten.
De wandeling was broodnodig. Zwaar achterstallig onderhoud. Zoals altijd daalde mijn kop tijdens de wandeling weer vanzelf terug op zijn plek. Tien meter voor mijn huis was mijn kop er weer bij en vroeg zich dus af of ik de sleutels wel bij me had. De romp tastte gedwee in de jaszak en trof daarin alleen de autosleutel aan. Er zat niets anders op dan helemaal naar het huis van mijn ex - prominent veroorzaker van hete lucht – te rijden en de sleutel van zoonlief op te halen. Die sleuteletuit is dus passé. Die ligt nu in de auto met een reservesleutel. Koppie koppie!
