Van overweging
komt overgewicht
Denk daarover
maar niet te licht
Taal
Begrip
Moet je alles altijd kunnen begrijpen? Het antwoord op die vraag ken ik natuurlijk best: nee. Het kan ook helemaal niet. Alles altijd begrijpen. Er lijkt een verschil te zitten tussen begrijpen en begrip hebben. Kan je begrip hebben zonder echt te begrijpen? Ook hier weet ik het antwoord denk ik wel: ja. Begrip en inleving lopen, bij mij althans, door elkaar. Je in de situatie van een ander kunnen verplaatsen (inleven) is het kunnen herkennen (en erkennen) van het gevoel van de ander. Daarmee kan je begrip “voelen”. Begrip breng je op, begrijpen doe je. Dat is het onderscheid. Begrijpen gaat dieper dan begrip. Bij begrijpen wil je ook weten hoe en waarom die situatie is ontstaan. Begrip beperkt zich meer tot het hier en nu. Next level begrijpen is doorgronden. Tot het naadje van de kous. Zover hoef je echt niet altijd te gaan. Ik breng dat in ieder geval allemaal niet op. Hopelijk mag ik rekenen op uw begrip.
Logisch
Wanneer is iets logisch? Als iemand in een gesprek met mij meent dat iets logisch is, dan voel ik meteen een mentale aanspanning. Het woordje “logisch” prijkt in mijn hoofd gelijk bovenaan in de lijst met te verwerken informatie. Mijn brein lijkt even te bevriezen. Alsof het schrok. Het woord kwam ook zomaar om de hoek zeilen. Iets is plotseling logisch en mijn denkproces liep mijlen ver achter. Op dat moment dienen zich eigenlijk maar twee opties aan.
De eerste optie is om mezelf niet laten kennen en te doen alsof ik het volledig begrijp. Ik knik en kijk vermoedelijk licht glazig. Dat laatste komt omdat ik nog naarstig zoek was naar houvast, maar die vind ik niet, of nauwelijks. Ik zal het naderhand weer moeten gaan uitzoeken en hopen dat ik het daarna inderdaad zelf ook logisch vind. De tweede optie is tactisch van aard. Ik snap het half en heb gewoon nog iets meer tijd nodig om het helemaal te snappen. Hardop denkend vervang ik de aangereikte logica door eentje van mezelf maar die eigenlijk op hetzelfde neerkomt. Ik pluk er theatraal bij aan mijn stoppelbaard, en ijsbeer desnoods gewichtig tussen raam en tafel. Volkomen logisch gedrag natuurlijk. Doet vast iedereen.
Deze maar
“Deze maar doen dan, meneer?”, vraagt de mevrouw vanachter haar kassa als ik mijn waren op de balie plaats. Deze maar doen. Alsof ik een betere keuze had kunnen maken. Alsof ik eindeloos heb staan wikken en wegen, en dan toch nog met deze artikelen bij de kassa uit kom. Ik kijk er vertwijfeld naar. Deze dan maar? Waarom eigenlijk? Ik draai mijn hoofd in de richting van de afdeling waar ik enkele minuten geleden nog wikte en woog. Ik kan mijn waren hier vandaan onmogelijk zien, maar ik tuur voor alle zekerheid nog eens grondig. Al was het maar om de schijn van nadenkendheid te wekken. Dan kijk ik de mevrouw meewarig aan en verzucht moedeloos: “Ja, deze in hemelsnaam dan maar”. De pinautomaat bliept evengoed genoeglijk het bedrag van mijn rekening.
Nice
Wauw! Nieuwe stoeltjes? Nice!
Passen goed bij je tafel. Retro maar ook stylish.
Echt heel nice.
Al dat petrol is misschien wel een beetje too much.
Een tikkeltje overdone.
Maar ík vind het heel nice hoor.
Ja, echt nice.
Substantie
Hoe vast is mijn vorm eigenlijk? Hoe los of vast zou mijn vorm moeten zijn? Het zijn vragen die de laatste tijd vaak door mijn hoofd gaan. De achterliggende gedachte is dat ik graag trouw wil blijven aan mezelf, maar dat ik dit tegelijkertijd ook mijn geliefde toewens. We praten er ook vaak over met elkaar. We vinden allebei dat het belangrijk is om niet te vervormen voor de ander. We willen elkaar graag laten zoals we zijn, maar kan dat eigenlijk wel? Hoort een beetje van jezelf opofferen voor de ander ook niet gewoon bij een liefdesrelatie? Een beetje dus, niet alles. Het gaat toch om het vinden van een evenwicht en het respecteren van elkaars grenzen?
Ik denk dus dat je vorm wordt bepaald door je grenzen en de krachten die daarop worden uitgeoefend. En misschien is het woordje “vorm” ook wel teveel bepalend in de perceptie van de vastheid ervan. Bij “vorm” denk ik teveel aan een bepaalde mate van consistentie. Een vloeistof wordt flesvormig door de fles. Te vloeibaar zijn maakt dat je te snel de vorm aanneemt van datgene dat je inperkt. Terug naar de mate van consistentie van je “vorm”: die is niet homogeen. Ik ben gedeeltelijk als een vloeistof, en gedeeltelijk als de fles.
Liefde gaat dan eigenlijk over toelaten dat je in elkaar over gaat. Toelaten dat je een beetje vervormt. Je er bewust van zijn dat de ander ook een beetje jouw vorm zal gaan aannemen. En daartegen hoef je niet per se te verzetten. Dat is gewoon ook niet zwart-wit. Je biedt een bepaalde mate van weerstand tegen vervorming of je geeft een bepaalde mate van vertrouwen in de vorm van de ander zodat je je daaraan in een bepaalde mate kunt overgeven. Liefde gaat over balanceren tussen vorm geven en vorm aannemen. Tussen kracht en overgave. Tussen het zijn van de rots of het zijn van de branding. Je vorm is vast en los. Vorm deugt wat mij betreft dus niet als term. De vorm is ook niet de essentie. Er is een woord dat beter past: substantie.
Strepen
Tijdens een gesprek met een collega had ik het erover hoe ingewikkeld ons werk eigenlijk is, en hoezeer we verschillen in hoe we ons beroep uitoefenen. “Ons werk is natuurlijk heel divers en we hebben verschillende stijlen. Het werk van een glazenwasser is veel overzichtelijker en eenvoudiger.”, zei ik. “Nou, dat valt ook nog vies tegen, hoe makkelijk dat is. Ik laat altijd strepen na als ik de ramen lap”, zei mijn collega gekscherend. Mijn collega was gekscheers, maar in mijn hoofd werden die strepen belangrijk. Een streep is een vergeten plek op het raam. Een plek waar de kwaliteit van het werk minder is. Een plek waar de aandacht voor de taak verslapte. Een moment waarin je misschien een idee kreeg, een ingeving. Dus ik mijmerde: “We zouden dus eigenlijk goed moeten kijken naar de strepen die we in ons eigen werk na laten”. Na afloop van het gesprek bedacht ik me dat die mijmering natuurlijk zelf ook een streep na liet.
Taal ontwondert me nooit
Wat een grappig voorzetsel is dat toch eigenlijk: “ver”. Voorzetsel doet me wel altijd denken aan versiersel, maar dat terzijde. Als voorzetsel zorgt “ver” voor een aanloopje, een duwtje. Speciale vermelding hierbij verdienen verfomfaaien en verdonkeremanen. Bij verdraaien en vernietigen is dat duwtje trouwens best ferm. Dan werkt “ont” ook niet meer als tegenkracht. Nu ik erover nadenk kan ik eigenlijk verdomd weinig voorbeelden verzinnen waar “ver” en “ont” elkaar in evenwicht houden. Verwarren is er eentje. Verluisteren daarentegen staat niet in de Van Dale. Verhutsen en ontguizen evenmin. Gemiste kansen als je het mij vraagt. En wat te denken van taalwoekeringen zoals verontschuldiging, verontwaardiging en verontrusting? Taal ontwondert me nooit.
Iceberg
Laatst verbaasde mijn linker hersenhelft zich ineens over “iceberg”. Hoezo “berg” in plaats van “mountain”? Technisch is een iceberg ook niet eens een mountain. Het is een stuk ijs dat van een gletsjer afbrak en los rond dobbert in de oceaan. Ze zijn groot en massief. Drijvende bergen van ijs. De oorsprong van iceberg ligt in de Nederlandse taal, kwam ik achter. We hadden het blijkbaar in de 14e eeuw al over ijsbergen: ende daer si hoopten die ijsmaren, so lagen si oft ijsbergen waren. Ik lees ook dat icebergs “bergvormige ijsmassa’s op het land” zijn. Desalniettemin betekende een iceberg de ondergang van de Titanic. Ze hebben “berg” nooit mee vertaald naar het Engels. Ik zie wel een verband met de verbazing van mijn linker hersenhelft.
Buitenom
Op mijn route naar kantoor moest ik deze ochtend, op een oprit naar de snelweg, om een hoopje troep rijden. Geduldig onderging ik dat lot. Inwendig was ik daarover intussen al weer wat uitgekookt. Er vanuit gaande dat ik dan dus de snelweg vandaag maar even links moest laten liggen, sloeg ik rechtsaf om binnendoor te gaan. Die route is voor mij ook aardig vertrouwd. Ik ken daarop iedere rotonde, ieder stoplicht en iedere brug. Eigenlijk vind ik het een heerlijke route om te rijden, ook al kost het me ruim een half uur meer om op mijn werk te komen.
Op een snelweg (en ook van die autowegen met zo’n groene streep) zit je toch een soort van gevangen. Als je erop zit kom je er pas weer af bij de volgende afrit. Je móét doorrijden. Binnendoor voel ik me vrijer. Ik kan, bij wijze van, het stuur zomaar omgooien om een leuk boerelandweggetje te verkennen. Iedere kruising en rotonde vertegenwoordigt een punt waarop ik tot een spontane ommezwaai kan besluiten. De snelweg jaagt me vooral op. De binnenweg heeft een veel rustgevender effect op me.
Eigenlijk is het gek om het een binnenweg te noemen, want op de binnenweg voel ik me veel meer buiten dan op de snelweg. Daarbij moet ik me natuurlijk afvragen in hoeverre je buiten bent in een auto, maar toch. Binnendoor voelt me én niet buiten genoeg, én, vanwege “door”, ook nog te opjagend. Al met al – en dan neem ik het omrijden echt voor lief – kom ik dan uit op buitenom. Wat een geruststelling dat dat woord al gewoon bestond. En ik zie ook een geruststellend raakvlak met deze nuchtere uitdrukking: als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan. Als het tegenzit kan je altijd buitenom.