Taal

Struikelpartijen over taalkronkels

Projection…

Assumption is the mother of all fuckups. Een uit de VS overgewaaide uitdrukking. Je zal toch je kinderen maar “fuckups” noemen. Dat doet een moeder niet, denk ik. Dat doen eerder hun vaders. Ik denk zelfs dat the father of all fuckups Assumption er de schuld van gaf dat zijn bloedeigen kroost fuckups zijn geworden. Hij projecteerde eigenlijk zijn eigen nare eigenschap zijn aannames nooit te verifiëren, op zijn arme echtgenote. Dus kan ik maar één conclusie trekken…

Afgrond

De verwarring zit ‘m daarin dat ik niet meer weet waar ik precies eindig. En ook mijn begin is een waas. Begin en einde lijken wel in elkaar over te lopen. Ik lijk namelijk steeds maar weer terug bij af te moeten komen. Zo heb je een horizon met eindeloze nieuwe mogelijkheden, en zo sta je ineens bij de afgrond.

Zo treffend hoe dat woord past: “afgrond”. Er zit mooie speling in dit woord. Zie de ironie van de dubbele bodem ervan. Er klinkt in door dat er een gegronde reden is dat je weer bij af bent uitgekomen. Een reden die ik moet onderzoeken voor mezelf. Hoe komt het dat ik telkens afsteven op af? Is het gewoon een normale, gezonde cyclus? Ik ben daar eigenlijk wel van overtuigd. Iedereen draagt een afgrond in zich waar een zuigende werking vanuit gaat. Het is je duistere kern. Je afgrond is ook je ultieme toeverlaat.

Ik begin mijn afgrond steeds meer te zien als mijn basis. Het vormt het fundament van mijn wezen. Terug bij af moet je jezelf weer hergroeperen, je weer verenigen met jezelf. Uit je afgrond komen kernvragen. Waar sta ik? Waarom sta ik daar? Waar wil ik staan? Wat wil ík? Waarom wil ik dat? Vragen die eerst heel voorzichtig vanuit mijn onderbewuste omhoog drijven. En als ik besef dat ik er bewust over nadenk is mijn afgrond dus nabij. Eventjes bekruipt me een gevoel van paniek, maar het ebt snel weg als ik bedenk dat mijn afgrond niet het einde is, maar het begin.

Koes

Eigenlijk klopt er niets van koeien. We spreken toch immers ook niet van gnoeien? Waarom staan onze weiden niet gewoon vol koes? Koeien klopt niet. Ja, tenzij we er één koei van maken. Kiest u maar. Mij boeit het niet, zolang we maar consequent zijn. We zouden ook nog kunnen onderzoeken of we alle enkelvoudige zelfstandige naamwoorden die eindigen op een i van die i zouden kunnen ontdoen. Dan volgen we het model van de vlo. Geen “haai” meer, maar “ha” dus. Inderdaad een heel gedoe, maar als we koeien per se willen behouden, moeten we alle opties overwegen. Eventjes dacht ik dat ik de oplossing had gevonden door “koe” maar helemaal af te schaffen. Er is immers nog het synoniem “rund”. Maar helaas pindakaas, dan zijn we terug bij af met runderen. Weg was mijn ei van Columbus. En pardoes struikel ik mentaal over eieren. Ik hang mijn rode pen maar in de wilgen.

Woordspeling

Woordspeling is wiebelruimte in een woord. Waardoor de betekenis ervan lekker los zit. Zodat een woord vanuit een andere hoek zomaar iets heel anders betekent. Woordspeling is zelf ook zo’n woord. Gaat het nu over de beweeglijkheid van een woord, of over speelsheid met woorden? Ontmoeting is een andere favoriet. Ik zie dan dat mooie verband met onthaasten. Dat is niet alleen je tempo verlagen, maar ook het moetgehalte. Een onthaast mens heeft daardoor meer tijd voor het moment. En natuurlijk ook duidelijk minder haas.

Geselen

Gisteren geselde de regen de straten. Dat is hoe ik het beleefde. Als een geseling. Tegelijk vroeg ik me af: wie zegt er vandaag de dag nog “geselen”? Het is meer een woord dat je schrijft dan uitspreekt. Geselen is een beetje als zwarte peper. Het is een woord dat in spannende verhalen wordt gebruikt om de scene “op smaak” te brengen voor de lezer. Geselen versterkt de beleving van regen. Geselende regen is geen voorjaarsbuitje. Een geselende bui striemt en kwelt.

Stel je een te voet gaande reiziger voor. Zijn pad wordt gegeseld door een niet aflatende regenbui. Diep voorover gebogen klieft hij zich door het noodweer. In de verte lokt de warme gloed van zijn bestemming: herberg “De Gegeselde Reiziger”. Na wat een eeuwigheid lijkt, bereikt de reiziger de herberg alwaar hij zijn doornatte jas bij de kachel te drogen hangt en plaats neemt aan een wiebelende tafel. Het ruikt er naar boenwas en natte hond, maar het is er droog en warm. De potige herbergier komt zijn tafel schoon vegen met een geruite theedoek vol vlekken, en bromt: “Wilt u iets bestellen?” De wandelaar bestudeert even de groezelige menukaart en zegt dan: “Ja, ik had graag de gegeselde uitsmijter met uw beste bier”.

Hoe laat

Hoe laat is het? Een veel gestelde vraag. Maar het is eigenlijk een rare vraag. Waarnaar verwijst “het” precies? En welbeschouwd neemt de steller ook een vooringenomen standpunt in. Er wordt namelijk vanuit gegaan dat “het laat is”. Wat de vrager dan eigenlijk vooral wil weten is de mate van verlating. Dit staat overigens los van de beklemming van “laat” in de uitspraak van de vraag. Rationeel gezien staat het “hoe” hoe dan ook centraal.

Hoe laat is het? Mijn reflex bij het horen van deze vraag is wel dat ik dan een uurwerk zoek, maar in mijn hoofd speelt zich steevast het bovenstaande af. Mijn linker hersenhelft laat zich namelijk niet zomaar weg vlakken.

Hoe kan je de vraag dan wel correct stellen? Nou, de vrager wil klaarblijkelijk weten welke tijd er wordt aangegeven door een voor de vrager onzichtbaar uurwerk dat gelijk loopt met de geijkte tijd in de tijdzone waarin de vrager zich bevindt. Als je het mij vraagt zou de vrager dus eerst aan de ondervraagde moeten vragen of deze beschikt over een uurwerk dat gelijk loopt met de geijkte lokale tijd. Als het antwoord daarop “ja” is, dan kan de tweede vraag worden gesteld: welke tijd geeft dat uurwerk nu aan?

Ik kan me nu al verkneukelen over de eerst volgende keer dat iemand me domweg vraagt hoe laat het is. “Hoezo, hoe laat? Waarom vraagt nooit eens iemand hoe vroeg het is? Volgens mij stelt u mij ook niet de juiste vraag. U wilt ongetwijfeld weten wat de exacte tijd is in deze tijdzone, maar u gaat er vanuit dat ik beschik over een betrouwbaar uurwerk. Misschien beschik daar wel helemaal niet over. Misschien kan ik ook wel helemaal niet precies aangeven hoe betrouwbaar dat uurwerk dan wel is. Hoe betrouwbaar moet het zijn voor u? Maar goed, mijn horloge geeft aan dat het precies – maar ja, wat is precies precies? – 11 minuten over 11 is. Is dat voor u voldoende? Ja? Nou fijn dat ik dan toch van dienst kon zijn. Fijne dag nog!”

Nou

Nou, ik ben dus nou-zegger. Ik ben de laatste die dat ontkent. Menig antwoord dat ik geef begint ermee. Nou is nou meestal een soort startblok voor de zin die dan volgt, maar het heeft diverse nuances.

In mijn geval betekent het dikwijls “Mooi”: Nou, dat is dan duidelijk. Ik uit het ook vaak om onverschillig te klinken terwijl ik dat misschien niet eens ben. In het algemeen betekent het vaak “Wat een strop”: Nou, alle wc-papier was op. In combinatie met “dus” gaat de betekenis over in “En jawel!”: Nou, alle wc-papier was dus op.

Er was een periode dat ik vakanties filmde. Dan stond ik dus met die handycam bij een uitzicht dat moest worden vereeuwigd, en met welk woord begon dan nogal steevast mijn live commentaar? Precies. Veelvuldig mee geplaagd natuurlijk. Nou, plaag maar lekker hoor.

Man wat typisch

Wat mij betreft mag iedereen zich “stereotypisch” gedragen. Ook dat is een vrije keuze. Hier had ik laatst een zeer interessant gesprek over met mijn kinderen. Het ging er best fel aan toe. Het scheelde er nog maar net aan of ik werd uitgemaakt voor seksist. Dat kwam omdat ik een soort pleidooi hield voor het mogen benoemen van typisch mannelijk of typisch vrouwelijk gedrag. Vooral het woordje “typisch” schoot mijn slimme kinderen in het verkeerde keelgat. Papa, dat kan écht niet meer. Dat is kwetsend voor homo-, trans- en interseksuelen. Dat moet je respecteren Pap.

Voortaan kon ik “typisch” maar beter vervangen door “gemiddeld”, dat is neutraler. Maar daar ging ik niet in mee, want gemiddeld is echt iets anders als typisch. Een gemiddelde is de som van al het gedrag gedeeld door de groepsgrootte, zoiets. Met een gemiddelde zou maar een klein deel van die groep zich helemaal kunnen identificeren. Een gemiddelde is een ruim zittende, doorsnee jas.

Met een stereotype kan natuurlijk ook niet iedereen zich volledig vereenzelvigen. Maar een stereotype is in mijn beleving wel een jas met een specifieker model. Het is ook geen maatwerk, maar wel meer toegespitst. Toegespitst op een specifieke groep. Eigenlijk zijn het hokjes waarin mensen elkaar plaatsen op basis van waargenomen uiterlijke kenmerken en waargenomen gedragingen. Dat we dit doen is eigenlijk heel typisch, menselijk gedrag. Ik sprak “typisch” in die zin met klem uit. De kinderen keken me meewarig aan. Ik draafde weer eens ongelooflijk door. En ik draag eigenlijk best graag die doorsnee jas. Wel zo veilig. Man, man, man, wat typisch.

Jan Salie

Schiet nou toch eens op! Treuzel niet zo! Zeur niet zo! Doe nou eens rustig! Zo pleegde mijn ouwe vader vroeger tegen me te mopperen.Voor mijn vader deed ik zelfs mijn best om tegelijk zowel rustig te zijn als op te schieten. Hij sloot ieder mopperzinnetje vaak af met een chagrijnig “Jan Salie”. Zelfs een keer op een kinderfeestje. Ik weet het nog goed. We gingen naar de brandweer en Pa had de auto vol met joelende snotapen. Maar alleen mij noemde hij de hele tijd Jan Salie. Dat heb ik nog dagen daarna op het schoolplein geweten. Gelukkig heeft Jan Salie ook olifantenhuid.

Jaren na dato (vandaag) vroeg ik me af waar Pa dat “Jan Salie” toch vandaan had. Naar alle waarschijnlijkheid noemde zijn eigen vader hem zo toen hij zelf een klein treuzelkontje was. Ik heb het dus maar eens opgezocht. Jan Salie blijkt nogal letterlijk te staan voor lamlendigheid. Met Jan Salie verwees de 19e-eeuwse dichter Everhardus Johannes Potgieter in zijn boek “Jan, Jannetje en hun jongste kind” naar de algehele lamlendigheid van het 19e-eeuwse Nederland. Jan Salie dronk ’s avonds een glas saliemelk voor een goede nachtrust. Jan Salie had zijn schapen op het droge en weinig behoefte aan verandering. Jan Salie was gezapig en toonde weinig initiatief. En zo wordt Jan Salie van generatie op generatie doorgegeven. Bedankt Pa! Welk van mijn eigen slome spruiten zal ik vandaag eens uitmaken voor Jan Salie? Later zijn ze me beslist net zo dankbaar als ik nu zelf ben.

Taalkromming

Een hoge hotemetoot van een adviesbureau dat ik hier niet bij naam zal noemen presenteerde gisteren een verhaaltje in een online seminar. Dat laatste woord geeft trouwens telkens weer lachkriebels. Een hele nar laat me denk ik pas echt lachen, maar ter zijde. De hotemetoot sprak zakelijke taal met Brabantse tongval. Veel onnodig Engels, maar daar staan mijn tenen niet per se krom van. De hotemetoot maakte het wel erg bont. Bij ieder gebruik van “hun” als persoonlijk voornaamwoord vertrok mijn gezicht in een sterkere grimas.

Krom taalgebruik door een blijkbaar hooggeplaatste persoon krijg ik blijkbaar erg slecht door mijn beugel. Een vergissing hier en daar stap ik wel over heen, maar als iemand op zo’n positie de ene na de andere kromme taalfout produceert, lukt het mij niet meer om die persoon serieus te nemen. De man sprak over het plegen van onderhoud (dit blijkt wel goed Nederlands te zijn, dus deze taalkromming zit al veel dieper geworteld), hij hielp te helpen, hij gebruikte een tool voor verslagen te analyseren, hij vertelde wat de kandidaten waren voor een bevolkingsonderzoek, hij zag steeds risico’s op de weg, en niet één “enerzijds” werd afgesloten met een “anderzijds”.

Hij deed me door de Brabantse tongval eigenlijk al de hele tijd denken aan De Weerman van Draadstaal. Maar dat kwartje viel pas echt helemaal toen hij zelf ineens zei dat hij zichzelf net een weerman voelde zoals hij voor het grote scherm stond te gebaren. Heel aandoenlijk. Ergens halverwege zijn relaas lukte het hem zelfs om me te verbijsteren door een “ludieke” link te leggen naar “The Ministry of Funny Walks”. Heiligschennis.

Kortom, ik heb me kostelijk vermaakt, alle taalkrommingen ten spijt. Noem me een pietlut en dan geef ik je geen ongelijk. Ik ben gevoelig voor krom taalgebruik. Ongetwijfeld ben ik zelf in dat opzicht ook niet perfect, maar de voornoemde hotemetoot spant wat mij betreft met kop en schouders de kroon. Natuurlijk mag ik taal wel krommen om mijn sarcasme kracht bij te zetten.