Woordspeling is wiebelruimte in een woord. Waardoor de betekenis ervan lekker los zit. Zodat een woord vanuit een andere hoek zomaar iets heel anders betekent. Woordspeling is zelf ook zo’n woord. Gaat het nu over de beweeglijkheid van een woord, of over speelsheid met woorden? Ontmoeting is een andere favoriet. Ik zie dan dat mooie verband met onthaasten. Dat is niet alleen je tempo verlagen, maar ook het moetgehalte. Een onthaast mens heeft daardoor meer tijd voor het moment. En natuurlijk ook duidelijk minder haas.
Taal
Geselen
Gisteren geselde de regen de straten. Dat is hoe ik het beleefde. Als een geseling. Tegelijk vroeg ik me af: wie zegt er vandaag de dag nog “geselen”? Het is meer een woord dat je schrijft dan uitspreekt. Geselen is een beetje als zwarte peper. Het is een woord dat in spannende verhalen wordt gebruikt om de scene “op smaak” te brengen voor de lezer. Geselen versterkt de beleving van regen. Geselende regen is geen voorjaarsbuitje. Een geselende bui striemt en kwelt.
Stel je een te voet gaande reiziger voor. Zijn pad wordt gegeseld door een niet aflatende regenbui. Diep voorover gebogen klieft hij zich door het noodweer. In de verte lokt de warme gloed van zijn bestemming: herberg “De Gegeselde Reiziger”. Na wat een eeuwigheid lijkt, bereikt de reiziger de herberg alwaar hij zijn doornatte jas bij de kachel te drogen hangt en plaats neemt aan een wiebelende tafel. Het ruikt er naar boenwas en natte hond, maar het is er droog en warm. De potige herbergier komt zijn tafel schoon vegen met een geruite theedoek vol vlekken, en bromt: “Wilt u iets bestellen?” De wandelaar bestudeert even de groezelige menukaart en zegt dan: “Ja, ik had graag de gegeselde uitsmijter met uw beste bier”.
Hoe laat
Hoe laat is het? Een veel gestelde vraag. Maar het is eigenlijk een rare vraag. Waarnaar verwijst “het” precies? En welbeschouwd neemt de steller ook een vooringenomen standpunt in. Er wordt namelijk vanuit gegaan dat “het laat is”. Wat de vrager dan eigenlijk vooral wil weten is de mate van verlating. Dit staat overigens los van de beklemming van “laat” in de uitspraak van de vraag. Rationeel gezien staat het “hoe” hoe dan ook centraal.
Hoe laat is het? Mijn reflex bij het horen van deze vraag is wel dat ik dan een uurwerk zoek, maar in mijn hoofd speelt zich steevast het bovenstaande af. Mijn linker hersenhelft laat zich namelijk niet zomaar weg vlakken.
Hoe kan je de vraag dan wel correct stellen? Nou, de vrager wil klaarblijkelijk weten welke tijd er wordt aangegeven door een voor de vrager onzichtbaar uurwerk dat gelijk loopt met de geijkte tijd in de tijdzone waarin de vrager zich bevindt. Als je het mij vraagt zou de vrager dus eerst aan de ondervraagde moeten vragen of deze beschikt over een uurwerk dat gelijk loopt met de geijkte lokale tijd. Als het antwoord daarop “ja” is, dan kan de tweede vraag worden gesteld: welke tijd geeft dat uurwerk nu aan?
Ik kan me nu al verkneukelen over de eerst volgende keer dat iemand me domweg vraagt hoe laat het is. “Hoezo, hoe laat? Waarom vraagt nooit eens iemand hoe vroeg het is? Volgens mij stelt u mij ook niet de juiste vraag. U wilt ongetwijfeld weten wat de exacte tijd is in deze tijdzone, maar u gaat er vanuit dat ik beschik over een betrouwbaar uurwerk. Misschien beschik daar wel helemaal niet over. Misschien kan ik ook wel helemaal niet precies aangeven hoe betrouwbaar dat uurwerk dan wel is. Hoe betrouwbaar moet het zijn voor u? Maar goed, mijn horloge geeft aan dat het precies – maar ja, wat is precies precies? – 11 minuten over 11 is. Is dat voor u voldoende? Ja? Nou fijn dat ik dan toch van dienst kon zijn. Fijne dag nog!”
Nou
Nou, ik ben dus nou-zegger. Ik ben de laatste die dat ontkent. Menig antwoord dat ik geef begint ermee. Nou is nou meestal een soort startblok voor de zin die dan volgt, maar het heeft diverse nuances.
In mijn geval betekent het dikwijls “Mooi”: Nou, dat is dan duidelijk. Ik uit het ook vaak om onverschillig te klinken terwijl ik dat misschien niet eens ben. In het algemeen betekent het vaak “Wat een strop”: Nou, alle wc-papier was op. In combinatie met “dus” gaat de betekenis over in “En jawel!”: Nou, alle wc-papier was dus op.
Er was een periode dat ik vakanties filmde. Dan stond ik dus met die handycam bij een uitzicht dat moest worden vereeuwigd, en met welk woord begon dan nogal steevast mijn live commentaar? Precies. Veelvuldig mee geplaagd natuurlijk. Nou, plaag maar lekker hoor.
Man wat typisch
Wat mij betreft mag iedereen zich “stereotypisch” gedragen. Ook dat is een vrije keuze. Hier had ik laatst een zeer interessant gesprek over met mijn kinderen. Het ging er best fel aan toe. Het scheelde er nog maar net aan of ik werd uitgemaakt voor seksist. Dat kwam omdat ik een soort pleidooi hield voor het mogen benoemen van typisch mannelijk of typisch vrouwelijk gedrag. Vooral het woordje “typisch” schoot mijn slimme kinderen in het verkeerde keelgat. Papa, dat kan écht niet meer. Dat is kwetsend voor homo-, trans- en interseksuelen. Dat moet je respecteren Pap.
Voortaan kon ik “typisch” maar beter vervangen door “gemiddeld”, dat is neutraler. Maar daar ging ik niet in mee, want gemiddeld is echt iets anders als typisch. Een gemiddelde is de som van al het gedrag gedeeld door de groepsgrootte, zoiets. Met een gemiddelde zou maar een klein deel van die groep zich helemaal kunnen identificeren. Een gemiddelde is een ruim zittende, doorsnee jas.
Met een stereotype kan natuurlijk ook niet iedereen zich volledig vereenzelvigen. Maar een stereotype is in mijn beleving wel een jas met een specifieker model. Het is ook geen maatwerk, maar wel meer toegespitst. Toegespitst op een specifieke groep. Eigenlijk zijn het hokjes waarin mensen elkaar plaatsen op basis van waargenomen uiterlijke kenmerken en waargenomen gedragingen. Dat we dit doen is eigenlijk heel typisch, menselijk gedrag. Ik sprak “typisch” in die zin met klem uit. De kinderen keken me meewarig aan. Ik draafde weer eens ongelooflijk door. En ik draag eigenlijk best graag die doorsnee jas. Wel zo veilig. Man, man, man, wat typisch.
Jan Salie
Schiet nou toch eens op! Treuzel niet zo! Zeur niet zo! Doe nou eens rustig! Zo pleegde mijn ouwe vader vroeger tegen me te mopperen.Voor mijn vader deed ik zelfs mijn best om tegelijk zowel rustig te zijn als op te schieten. Hij sloot ieder mopperzinnetje vaak af met een chagrijnig “Jan Salie”. Zelfs een keer op een kinderfeestje. Ik weet het nog goed. We gingen naar de brandweer en Pa had de auto vol met joelende snotapen. Maar alleen mij noemde hij de hele tijd Jan Salie. Dat heb ik nog dagen daarna op het schoolplein geweten. Gelukkig heeft Jan Salie ook olifantenhuid.
Jaren na dato (vandaag) vroeg ik me af waar Pa dat “Jan Salie” toch vandaan had. Naar alle waarschijnlijkheid noemde zijn eigen vader hem zo toen hij zelf een klein treuzelkontje was. Ik heb het dus maar eens opgezocht. Jan Salie blijkt nogal letterlijk te staan voor lamlendigheid. Met Jan Salie verwees de 19e-eeuwse dichter Everhardus Johannes Potgieter in zijn boek “Jan, Jannetje en hun jongste kind” naar de algehele lamlendigheid van het 19e-eeuwse Nederland. Jan Salie dronk ’s avonds een glas saliemelk voor een goede nachtrust. Jan Salie had zijn schapen op het droge en weinig behoefte aan verandering. Jan Salie was gezapig en toonde weinig initiatief. En zo wordt Jan Salie van generatie op generatie doorgegeven. Bedankt Pa! Welk van mijn eigen slome spruiten zal ik vandaag eens uitmaken voor Jan Salie? Later zijn ze me beslist net zo dankbaar als ik nu zelf ben.
Taalkromming
Een hoge hotemetoot van een adviesbureau dat ik hier niet bij naam zal noemen presenteerde gisteren een verhaaltje in een online seminar. Dat laatste woord geeft trouwens telkens weer lachkriebels. Een hele nar laat me denk ik pas echt lachen, maar ter zijde. De hotemetoot sprak zakelijke taal met Brabantse tongval. Veel onnodig Engels, maar daar staan mijn tenen niet per se krom van. De hotemetoot maakte het wel erg bont. Bij ieder gebruik van “hun” als persoonlijk voornaamwoord vertrok mijn gezicht in een sterkere grimas.
Krom taalgebruik door een blijkbaar hooggeplaatste persoon krijg ik blijkbaar erg slecht door mijn beugel. Een vergissing hier en daar stap ik wel over heen, maar als iemand op zo’n positie de ene na de andere kromme taalfout produceert, lukt het mij niet meer om die persoon serieus te nemen. De man sprak over het plegen van onderhoud (dit blijkt wel goed Nederlands te zijn, dus deze taalkromming zit al veel dieper geworteld), hij hielp te helpen, hij gebruikte een tool voor verslagen te analyseren, hij vertelde wat de kandidaten waren voor een bevolkingsonderzoek, hij zag steeds risico’s op de weg, en niet één “enerzijds” werd afgesloten met een “anderzijds”.
Hij deed me door de Brabantse tongval eigenlijk al de hele tijd denken aan De Weerman van Draadstaal. Maar dat kwartje viel pas echt helemaal toen hij zelf ineens zei dat hij zichzelf net een weerman voelde zoals hij voor het grote scherm stond te gebaren. Heel aandoenlijk. Ergens halverwege zijn relaas lukte het hem zelfs om me te verbijsteren door een “ludieke” link te leggen naar “The Ministry of Funny Walks”. Heiligschennis.
Kortom, ik heb me kostelijk vermaakt, alle taalkrommingen ten spijt. Noem me een pietlut en dan geef ik je geen ongelijk. Ik ben gevoelig voor krom taalgebruik. Ongetwijfeld ben ik zelf in dat opzicht ook niet perfect, maar de voornoemde hotemetoot spant wat mij betreft met kop en schouders de kroon. Natuurlijk mag ik taal wel krommen om mijn sarcasme kracht bij te zetten.
Verschil van mening
We hadden een verschil van mening. Mijn dochter en ik. Ik weet geeneens meer waarover we het precies hadden, maar dit is ook niet belangrijk nu. Het ging erom dat ik mijn mening had, en zij een andere. Ik vroeg door waarom zij vond wat ze vond. Dat irriteerde haar. Ze mocht toch wel gewoon een andere mening hebben? Natuurlijk mocht dat, ik vind alleen dat een mening sterker is als je kan uitleggen waarom je vindt wat je vindt. Nou, daarmee was ze het dus absoluut niet eens. Hoezo moest ze haar mening kunnen uitleggen? Hoezo is mijn mening minder goed als die van jou als ik het niet kan uitleggen? Dus we verschilden op dat moment dus eigenlijk ook van mening over hoe goed je moet kunnen uitleggen waarom je van mening verschilt. Daar is het leven dus echt te kort voor, vind ik, maar vraag me niet waarom.
Extra suf
Laatst tijdens het ontbijt gebeurde het weer. Ik struikelde pardoes over een noest stukje marketing nonsense. Eigenlijk let ik bij het doen van de boodschappen niet zo op de onzinnigheid van de wervende boodschappen op verpakkingen. Het valt me meestal pas op op een moment dat ik rust in mijn kop heb. Bijvoorbeeld tijdens een kalm ontbijt op een uitgeslapen zondagochtend.
Ineens viel me dus op dat er eigenlijk klinkklare onzin stond op het dekseltje van de jam: “vers gerijpt fruit”. Het riep allerlei vragen op. Wat voegt “gerijpt” hier toe? Moet het fruit niet altijd rijp zijn voor je ’t verwerkt tot jam? En de toevoeging “vers” heeft betrekking op “gerijpt fruit”, dus rijst bij mij de vraag of er ook onvers gerijpt fruit bestaat. Onvers, maar toch gerijpt. Onzin, dus “vers gerijpt fruit” ook.
Bovenop het deksel staat verder ook nog dat er extra jam in zit. Er staat niet bij hoeveel er normaal gesproken in zou hebben gezeten. De gemiddeld suffe consument gaat geen uitgebreide vergelijking maken met potten jam van andere merken. Die consument stoort zich niet aan de leugen die het woordje “extra” eigenlijk is. Als klap op de vuurpijl is de jam bovendien “vol van smaak”. Die toevoeging dient om de extra suffe consument over de streep te trekken: “Hoezo “extra”? Hoeveel zit er in die andere…O wacht eens even, er staat ‘vol van smaak’, in de kar ermee!” En zo belandde het op mijn keukentafel.
Zo rot nog niet
Vandaag had ik een mooi gesprek met een vakgenoot. Toen ik voor dat vak studeerde, moest hij nog geboren worden. Generatie X praat met generatie Y. Het vak verbindt ons, en zorgt ervoor dat we elkaar feilloos kunnen volgen. Een tijdje terug wist hij niet dat we vakbroeders zijn. Geduldig luisterde ik hoe hij me in Jip en Janneke taal uitlegde hoe het allemaal werkte waaraan hij had gewerkt. Ik merkte wel dat hij vermoedde dat ik waarschijnlijk heel veel over zijn vakgebied wist, want hij legde ook heel veel niet uit.
Op gegeven moment stelde ik daarom maar even een vraag waarmee hij zijn vermoeden in één keer bevestigd kreeg. Vanaf dat moment spraken we in halve woorden. De rem ging eraf en we spraken rap en volleerd in ons schitterende jargon. Ik hoorde mezelf op een bepaald moment zeggen dat hij nu technieken totaal vanzelfsprekend toepast die destijds in mijn opleiding nog heel experimenteel en vernieuwend waren, zelfs omstreden.
Op dat moment drong het tot me door. Ik begin zo langzaamaan een oude rot te worden. Dat gaf me aanvankelijk een beetje een onverteerbaar gevoel, maar ik dacht er eens over na. Een rot heeft zijn beroep doorleefd. Een rot is taai. Een rot heeft stormen doorstaan. Vandaar die verweerde, ouwe kop. Een rot weet hoe koeien hazen vangen. Een rot is geduldig. Een rot weet dat hij heel veel niet weet. Als je het zo bekijkt, is rot zijn zo rot nog niet.
