Filosofie

Leven 2.0 (of 3.0?)

We hebben het nu al een jaartje of 8 over “Het Nieuwe Werken“. Het nieuwe is er intussen al wel zo’n beetje af. Voor mij wel tenminste. En eigenlijk ben ik het ook niet zo eens met dat Werken. Niet dat ik iets tegen heb op werken hoor, in tegendeel. Ik ben dol op werken. Zo hou ik bijvoorbeeld van alle werken van Kandinsky. Ik kan daar echt uren naar kijken…

Maar even alle gekheid op een stokje, ik hou natuurlijk ook van werken. Ik verkeer in de gelukkige omstandigheid een erg leuke baan te hebben. Een baan waar ik veel energie aan kwijt ben, maar ook veel energie uit haal. Maar ik heb ook een erg leuk en druk gezin. Een gezin waar ik veel energie aan kwijt ben, maar ook veel energie uit haal. Eigenlijk ben ik steeds bezig om die energie te balanceren.

Voor mijn werk moet ik voor en met verschillende personen diverse dingen bespreken, regelen en doen. Ik ben een spin in het web, en ik heb het er heerlijk druk mee. Die personen hebben net als ik ook een privé-leven, met of (nog) zonder gezin. We doen vaak een beroep op elkaars flexibiliteit en hebben ook vaak buiten kantooruren contact via e-mail en sociale media om belangrijke werkzaken, tussen de privé-zaken door, gedaan te krijgen. Die werkzaken worden immers vaak gedaan met collega’s die heel flexibele werktijden hebben.

Voor mijn gezin moet ik voor en met verschillende personen diverse dingen bespreken, regelen en doen. Mijn vrouw en ik runnen eigenlijk een soort servicebedrijf voor kinderen. Daar hebben we het heerlijk druk mee. De taken en verantwoordelijkheden zijn gelijk verdeeld, want we werken allebei. Zo ben ik bijvoorbeeld de CLO en mijn vrouw de CFO.   We doen vaak een beroep op elkaars flexibiliteit en hebben ook vaak tijdens kantooruren contact via e-mail en sociale media om belangrijke privézaken, tussen de werkzaken door, gedaan te krijgen. Die privézaken hebben immers vaak te maken met inflexibele instanties die alleen tijdens kantooruren, of nóg lastiger, tijdens schooltijden open zijn.

Werk en privé zijn noodzakelijkerwijs met elkaar verstrengeld geraakt. Die flexibiliteit en vrijheid in je eigen dagindeling en manier van werken en samenwerken met anderen, noemen we Het Nieuwe Werken. Ik vind alleen de nadruk op werken niet terecht. De werkzaken vormen namelijk maar één kant van de medaille. De andere kant wordt gevormd door privézaken. Samen vormen ze ons drukke leven. Het Nieuwe Leven. Leven 2.0.

Zonder het nieuwe leven zouden mijn vrouw en ik ons gezin niet kunnen runnen. Wij leven al jaren nieuw. Ja, het nieuwe is er al af. Wij zijn Leven 2.0 guru’s. Eigenlijk zitten we al in een stadium na het nieuwe leven. We maken steeds intelligenter gebruik van digitale technologie om ons drukke leven te verduurzamen en te vergemakkelijken. Slimme telefoons, slimme horloges, slimme meters, slimme thermostaten, slimme brandmelders, en jawel, slimme bikini’s houden onze sociale contacten, onze tijd, onze leefomgeving, onze portemonnee en onze veiligheid automatisch voor ons in de gaten zodat we meer tijd hebben om te genieten van het leven. Eigenlijk zijn we al stilaan begonnen aan Leven 3.0, het slimme leven.

Duiken in ’t diepe

Behoedzaam bestijg ik de steile, ijzeren trap. De verf op de treden bladdert af. De wind is kil en bezorgt me kippevel over mijn hele lijf. Maar mijn besluit staat vast. Resoluut klim ik verder.

Als ik boven ben kijk ik voor strak me uit en loop met kalme stappen naar voren. De duikplank kraakt en buigt een beetje mee. Ik loop helemaal tot het uiterste randje en laat mijn tenen erover heen grijpen.

Onder mij bevindt zich een zwarte, onmetelijke diepte. Het is onvermijdelijk dat ik erin duik, dus ik breng mijn armen naar voren en zak door mijn knieën. Lenig veer ik op en spring één keer omhoog en veer dan nog eens….en nog eens…en zet af.

Even zweef ik vrij als een vogel. Ik maak een prachtige curve tot ik verticaal ben. Dan strek ik me helemaal en breek loodrecht, zonder plons door het rimpelloze wateroppervlak. Ik schiet de diepte in.

Langzaam breekt het ijskoude water mijn vaart. Totdat ik tot stilstand kom. Om me heen is het gitzwart, maar ik zie nog wel mijn eigen spierwitte handen. Het voelt alsof de tijd hier stil staat, maar dat is niet waar. De tijd staat niet helemaal stil, maar is zo sterk vertraagd dat seconden wel minuten voelen.

Nee, uren. Ik raak gedesoriënteerd. Wat is boven en wat is onder? Alles lijkt zo onwerkelijk. Instinctief zoek ik naar licht. Heel ver weg ontwaar ik het en zwem er langzaam naar toe. Ik heb immers alle tijd.

Plotseling krijgt de tijd en de werkelijkheid weer vat op me. Met een ruk word ik uit mijn droomtoestand getrokken. Al mijn zintuigen gaan op scherp. Ik zie dat ik nog heel ver omhoog moet zwemmen, terwijl mijn zuurstof al bijna op is.

Met alle wilskracht die ik kan opbrengen dwing ik mezelf tot kalmte en onderdruk alle gevoel van angst, zo goed en kwaad als dat gaat. En ik ontstijg ook deze diepte. De laatste meters drijf ik als volleerd zwemmer naar boven.

Als mijn hoofd weer boven water komt haal ik diep adem en zwem naar de kant. Ik klim eruit en loop weer naar de duikplank. Hij lijkt wel hoger dan voorheen.

Olifantenstaartsoep

Als we het dan toch over metaforen hebben, dan mag deze niet ontbreken: de verorbering van een olifant. Een figuurlijke wel te verstaan (en voor alle zekerheid, want ik wil niet aangezien worden voor een olifantenstroper).

Als we bezig zijn een olifant op te eten, dan bedoelen we daar mee dat er iets op het menu staat dat heel erg groot is. Het is zo groot dat we ons afvragen hoe we het in hemelsnaam naar binnen moeten krijgen. We zien er letterlijk als een berg tegenop om aan de klus te beginnen.

In figuurlijke zin representeren olifanten grote, complexe en kostbare projecten. Zoals bijvoorbeeld een nagenoeg volledige herinrichting van het informatiesysteem-landschap van een grote organisatie met de randvoorwaarde dat de bedrijfsprocessen er geen enkele hinder van ondervinden.

De vraag die dan heel logisch wordt gesteld is: Hoe eet je een olifant? Dat is een zwaar filosofisch vraagstuk. Het standaard antwoord is: hapje voor hapje. Maar dat betekent toch niet veel meer dan: niet mopperen en stug dooreten? Volgens mij moet je toch eerst trek hebben. Enorme trek in een olifant.

Nu zou je natuurlijk de olifant eerst helemaal kunnen laten slachten en verwerken tot een halve vrachtwagen vol olifanten-biefstukken, olifanten-worsten, olifanten-karbonades, olifanten-gehakt, olifanten-medaillons en Joost mag weten wat nog meer, en deze opslaan in een enorme vriezer, maar dat is tegen de regels van deze metafoor. We moeten de volledige olifant achter elkaar opeten, en vaak ook nog in een zo kort mogelijke tijd.

Gelukkig mogen we de olifant wel met meerdere mensen tegelijk opeten. Dus je moet mensen vinden die trek hebben in olifant, een groot banket organiseren en dan met zijn allen in één keer die hele olifant verorberen. Klinkt ineens heel gemakkelijk en feestelijk, maar wat nu als de op te eten olifant nog gewoon rond loopt?

Sterker nog: de olifant moet zo lang mogelijk blijven leven terwijl we het opeten (de bedrijfsprocessen mogen er immers geen hinder van ondervinden). De strategie is dan om eerst de niet vitale delen van de olifant op te eten en het vitale deel te bewaren voor het laatst. Dat deel moeten we dan in zo kort mogelijke tijd op eten. Liefst in real-time natuurlijk zodat de olifant er niets van merkt.

Maar welk deel van de olifant is precies vitaal? Meer of minder dan 80%. Vast veel meer. Maar de staart is vast niet vitaal, dus het voorgerecht kan alvast bestaan uit een krachtige olifantenstaartsoep. Heerlijk!

Een traag 2015!

2014 is echt voorbij gevlogen. Dagen, weken en maanden waren zomaar ineens alweer voorbij voor ik er erg in had. Gelukkig waren er wel vakanties, maar daar donderde ik hals over kop in. En na de vakanties ging ik meteen weer op volle kracht door. Tijd om tussendoor even lekker weg te dromen nam ik niet (als ik die tijd überhaupt had). Ik wijt dit vooral aan mijn eigen dagwaan. Die creëer ik natuurlijk zelf. Dagen gingen helemaal op in die waan. “Waandagen” noem ik die dan ook maar.

Dagwaan betekent voor mij dat ik de hele tijd aan het hollen ben terwijl ik tegelijkertijd met 12 ballen aan het jongleren ben. Werk en privé lopen hier dwars door elkaar. Privézaken kunnen evenveel waandrukte maken als werkzaken.

Als mensen aan me vroegen hoe het met me gaat, zei ik: “Ja goed, lekker druk”. Natuurlijk is die drukte ook lekker. Lekker druk bezig zijn met leuke, belangrijke dingen geeft gewoon een goed gevoel.

Misschien is drukte zelfs wel verslavend. Misschien heb je op gegeven moment niet meer zelf in de gaten hoeveel hooi je steeds op je vork neemt. Drukte went ook snel. Ze zeggen niet voor niets dat als je iets gedaan wilt hebben, dat je het aan iemand moet vragen die het druk heeft. Het kan er altijd nog wel bij.

Voor 2015 neem ik me dan ook voor om een (iets) kleinere hooivork te gebruiken en regelmatiger waanvrije dagen en tussendoor ook kleine waanvrije momenten in te lassen. Storende apparaten gaan dan even uit. Ik ga eventjes offline. Het kan allemaal eventjes wachten. Eventjes tijd voor niks. Tijd waarin ik weg kan drijven. Zachtjes voortkabbelende tijd waarop ik zachtjes kan deinen met mijn blik op oneindig. Langzaam genieten van het heerlijke moment. Langzaam en spontaan fantastische ingevingen laten ontspruiten in je hoofd.

Ja, langzaam. Ik wens het iedereen toe voor 2015: Een jaar vol bewuste vertraging. Neem er allemaal lekker tijd voor, want het is goed. Dus: Een traag 2015!

S1740018

mijn “wegdroomplaatje” (gemaakt in Zweden tijdens de zomervakantie)

Graancirkels

graancirkels

Laatst moest ik ineens aan graancirkels denken. Het kwam door iets dat iemand tegen me zei in een e-mail. Zeggen en schrijven lopen vaak een beetje door elkaar. Zijn verhaal kwam er niet letterlijk op neer, maar ik haalde eruit dat we in ons dagelijkse werk allemaal netjes in een soort vaste kringetjes moeten lopen. En toen gebeurde het dus.

Ik zag ineens voor me hoe we allemaal, iedere dag graancirkels maken. Ieder in zijn eigen werkgebied. En ik bedacht dat je de patronen van de graancirkels helemaal niet ziet als je zelf in het graanveld loopt. Alleen vanuit de hoogte zijn ze zichtbaar. Hogerop zweven onze leiders. Zij overzien hoe wij onze graancirkels maken. Dat is hun werk. Zelf lopen ze natuurlijk ook netjes in vaste kringetjes, zoals aangegeven en aangemoedigd vanuit hun leider, die nóg hoger zit.

Een leider stuurt, begeleidt, moedigt aan en jaagt aan, vanuit een bepaalde overtuiging. De graancirkels moeten natuurlijk steeds beter worden. Mooier en groter. Want onze buren kunnen het ook, of juist nog niet. En we moeten ze steeds sneller kunnen maken.

Een leider moet soms moeilijke keuzes maken. Gelukkig zijn er adviseurs die inzicht geven in de keuzemogelijkheden en de gevolgen van die keuzes. Adviseurs draaien in hun eigen vaste kringetjes, zodat ze weten welke behoeften er zijn en wat er speelt. Hoe beter hun kringen, hoe meer invloed ze hebben met hun advies. Hoe hoger de kringen zijn waarin zij verkeren, hoe meer zicht zij hebben op de graancirkels, en hoe meer invloed ze hebben op de patronen die worden gemaakt.

Het gaat natuurlijk allemaal om samenspel en harmonie in het verwezenlijken van een hogere missie. Iedereen is belangrijk, van de top tot op de bodem. De vaklieden in het veld pletten de halmen steeds weer in de gewezen richting. De leiders daarboven bewegen hun mensen steeds weer in de gewezen richting.

De hoogste baas draait zijn dagelijkse rondje langs zijn directeuren. Hij heeft belangrijke informatie. Zijn adviseurs hebben hem ingefluisterd dat er een nieuwe wet aangenomen is welke bepaalt dat 40% van alle graancirkels vierkant dienen te zijn. En de buren zijn al bij 20%….

en toch, ik blog

Eigenlijk kost het teveel tijd. Tijd die ik niet heb. Maar het is wel een fijne hobby. “Uit blognood klad ik verwoede noten op mijn blok” was ooit de ondertitel van mijn blog. Het klopt nog steeds, want ik móet gewoon af en toe even bloggen. Gewoon even lekker mopperen, oreren, pronken of filosoferen. Vurig hopend op lof, en anders maar kritiek. Ik kwispel sowieso.

Ik ben een orgeldraaier op een plein vol met andere orgeldraaiers. Allemaal op hun eigen vaste stekkie. Al wat je hoort is een bonte kakofonie. Maar hier en daar springt er altijd iets uit. Iets waar ik blij van wordt. Of iets dat me ontroert. Dan zet ik mijn orgeltje uit en laat ik me even meevoeren op de noten van een ander.

Schrijven doet bovendien beklijven. Al bloggende ordent mijn hoofd zich. Het verwoorden van gedachten, ook al zijn het spinsels, heeft een heilzame werking op me. Humeuren klaren ervan op. Innerlijke stormen worden kalm.

Maar waarom denk ik dan toch zo vaak dat ik ermee zou moeten stoppen? De laatste tijd ontbreekt me eenvoudig de lust. Mijn blognood is uitgeblust. Natuurlijk heb ik dat vaker, maar dat is meestal in de periode dat ik eigenlijk winterslaap zou moeten houden. Het is verdorie nog hartje zomer, maar maak dat al die boleten die nu al in het bos staan maar eens wijs.

En eigenlijk kost mijn hobby (of is het toch een obsessie?) wel veel tijd. Niet zelden zit ik tot in de late uren te rammelen op de knoppen. Wetende dat ik er beter aan doe te gaan slapen. Wetende dat ik er morgen echt weer vroeg uit moet. Wetende dat het stukje echt niet per se vanavond nog af moet. Ik weet dat allemaal heel goed, en toch…

Natuurlijk kopiëren we elkaar

Good artists copy, great artists steal. Een quote van Steve Jobs. De man was wel zo megalomaan dat hij iedere poging om zijn ideeën te kopiëren desnoods met kernwapens bestreed. Maar Steve’s ideeën waren natuurlijk niet origineel. Iedereen kopieert. Niets is echt origineel. Originaliteit is betrekkelijk en uit zich in de draai die de “artiest” aan het gekopieerde geeft.

Zelf beschouw ik het maar als een groot compliment als iemand iets van mij kopieert. Ik beschouw mezelf niet als artiest, laat staan een goeie. Maar kopiëren doe ik natuurlijk wel. Want ik ben beïnvloed door anderen. Mijn schrijfstijl heb ik niet zelf bedacht, maar van iemand overgenomen, omdat het vertrouwd is, of omdat het bij me past. Van meerdere iemanden waarschijnlijk, die op hun beurt ook zijn beïnvloed. Als ik me er bewust van ben dat ik iemand kopieer, dan vermeld ik dat. Dat vind ik wel zo netjes.

Ik kan wel een rijtje mensen opdreunen waarvan ik me bewust ben dat ze mij beïnvloeden, omdat hun stijl mij aanstaat. Zo hou ik van Herman Finker’s taal-ongerijmdheid. Maar ook van de absurde filosofieën van Terry Pratchett. Koot en Bie hebben mij absoluut sterk beïnvloed, maar ook Annie M.G. Schmidt. Niks hoogdravends, vind ik zelf. Ik hou niet van hoogdraverij. Ik draaf graag op aards niveau. Annie kon dat als geen ander, maar ook zij kopieerde, dat kan niet anders.

Het meest kopieer ik van mensen in mijn omgeving. En dat doen we volgens mij allemaal. Bewust en vooral onbewust. Mijn familie, vrienden en collega’s beïnvloeden me. Ik neem hun maniertjes, grapjes en ideeën over, want ik vind ze leuk. Tuurlijk geef ik er ook een eigen draai aan. Anderen nemen dat dan weer van mij over. Mijn kinderen bijvoorbeeld. Dat zijn ware spiegeltjes van mezelf, met een steeds groter wordend stukje eigen identiteit. Een identiteit die is opgebouwd uit allemaal van anderen gekopieerde stukjes. Zo ontwikkelen mensen zich: door te kopiëren. Heel natuurlijk, want het is ingebouwd in onze genen. Kopiëren is menselijk.

De inspiratiebron voor deze post: TED Radio Hour – “What’s Original?”

Simon Stevin

Simon Stevin was een Vlaamse natuurkundige, wiskundige en ingenieur. Hij bedacht het decimale breukenstelsel maar ook hoe je vestingen met behulp van toegepaste wiskunde sterker kon maken (De Stercktenbouwing, 1594).

Aan deze man zou het Klokhuis nou eens een aflevering aan moeten wijden. Daar kijkt mijn hele gezin namelijk gretig naar. Dankzij TV-gemist kun je in het weekend een Klokhuismarathon houden, dus wij missen maar weinig afleveringen. Bij mijn weten is Simon Stevin (1548 – 1620) nog niet aan bod geweest.

Het zou heel goed passen in de serie over de Nederlandse geschiedenis, want hij was een belangrijke grondlegger van het wetenschappelijke en technische Nederlands. Dankzij Stevin hebben we Nederlandse woorden voor Grieks-Latijnse termen, zoals bijvoorbeeld wiskunde (mathematica), scheikunde (chemie), loodrecht (perpendiculair), middellijn (diameter), rede (ration) en het prachtige “wijsbegeerte” (filosofie).

Stevin was een taalpurist en geloofde zelfs dat Adam en Eva Nederlands moeten hebben gesproken, omdat het een oertaal is met de meeste korte woorden die makkelijk samenstellingen vormen.

In Uytspraeck vande Weerdicheyt der Duytsche Tael, een onderdeel van de Weeghconst, benadrukte hij het belang van de taal waarin wetenschap wordt beoefend. Hij beweerde namelijk dat het Nederlands met zijn eenlettergrepige woorden beter geschikt is voor kennisoverdracht”. 

(bron: wikipedia)

Zou hij talen daadwerkelijk met elkaar hebben vergeleken op aantallen korte woorden? Klinkt absurd en onlogisch, maar Stevin geloofde dit. Stevin was verder een uiterst rationeel mens. Hij geloofde dat alles een logische verklaring heeft: Wonder en is gheen wonder. Vanuit dit motto heeft hij briljante bijdragen aan de wetenschap geleverd. De leukste vind ik zijn Clootcransbewijs (uit De Beghinselen der Weeghconst), waarin hij vanuit het ongerijmde (=absurditeit) de volgende stelling bewijst: 

Twee voorwerpen op een hellend vlak houden elkaar in evenwicht als hun gewichten zich verhouden als de lengte van de vlakken.

Het bewijs gaat als volgt:

  • Stel er is een driehoek met twee niet-gelijke hellingen.
  • We hangen om deze driehoek een kralensnoer (clootcrans) met gelijke kralen op gelijke afstanden.
  • Stel dat het koord gewichtsloos is en alles wrijvingsloos kan bewegen.
  • Het aantal kralen op de linker helling is kleiner dan die op de rechter helling.
  • Als de krachten zich NIET verhouden als de lengte van de helling dan is de kralenketting niet in evenwicht.
  • Het kralensnoer zal gaan bewegen… ófwel linksom, ófwel rechtsom.
  • “De cloten sullen uyt haer selven een eeuwich roersel maken, ’t welck valsch is”.

Stevin gaat er van uit dat iedereen inziet dat zo’n perpetuum mobile niet kán bestaan, en de enig overblijvende mogelijkheid is dus dat de stelling juist is: dat de effectieve kracht van de kralen op de hellingen zich moeten verhouden als de lengte van de (tegenoverliggende) hellingen.

(bron: wikipedia)

“De cloten sullen uyt haer selven een eeuwich roersel maken, ’t welck valsch is”, dat is toch smullen. Simon Stevin is mijn nieuwe Held. Hij heeft heel veel betekend voor de wetenschap en onze geschiedenis. Dus, Klokhuisredactie, op naar Brugge. Zijn standbeeld in Brugge (zijn geboorteplaats) is volkomen terecht. Als ik eens in de buurt ben, zal ik een clootcransje aan zijn bronzen voeten leggen.