Filosofie

Weer

Een stad is op haar mooist bij de dageraad op de eerste dag van het voorjaar. Als de straten nog slapen. Als de pleinen nog verlaten zijn. Als je eigen voetstappen overal om je heen weerklinken. Alleen die van jou. Mijn eigen voetstappen deden bij het grote, door kale bomen omringde plein verderop ineens een kliekje stadsduiven opschrikken.

Met hun panische gefladder verstoorden ze de stilte rond het plein. Alsof iemand een handvol kiezelstenen in een rimpelloos meertje wierp. Tijdelijk is er eventjes een beetje chaos, maar het dempt snel uit zodat het oppervlak van het meer weer helemaal glad wordt.

Zo ging het ook op mijn plein. Het chaotische geklapwiek van de duivenvleugels ebde langzaam weg. En terwijl ik daarnaar luisterde zag ik de grijsaard. Hij lag midden op het plein, op zijn rug. Hij lag er heel vredig en keurig bij. Voeten recht naast elkaar, armen langs zijn lichaam. Alsof hij daar lag opgebaard. Zijn ogen waren gesloten en zijn gezicht zag zo grauw als de straatstenen zelf.

Ik versnelde meteen mijn pas en even later rende ik. Bij de man aangekomen hurkte ik neer en raakte zijn hals aan. Warmte! De man opende meteen zijn ogen en staarde verwonderd naar een punt ver boven hem. “Ben ik weer?”, vroeg hij toen verbaasd. “Nee, hoor, u bent nog steeds”, zei ik, eveneens verbaasd. Maar de man leek me niet te horen. “Ik bén weer”, zei hij. Toen keek hij mij recht aan. Ik keek in een onmetelijke diepte en voelde het hele universum. Het duurde maar een tel, maar ik voelde alles.

Het was zo overweldigend dat het me duizelde. In de volgende tel stond alles stil. Alleen mijn eigen hart klopte nog. Het sloeg één oorverdovende slag. Bij de volgende hartslag werd ik weer terug gezogen in het nu. Het gaf me het gevoel dat ik van grote hoogte op de aarde af suisde. Ik kneep mijn ogen dicht omdat ik bang was dat ik te pletter zou slaan.

De oude man sprak weer, maar het klonk van heel ver: “altijd…”. Ik moest mijn oren spitsen om hem te verstaan, want ik wilde niets liever dan dat. Zijn stem werd steeds zachter alsof het verwaaide: “ben ik…”. De sensatie te vallen hield plotseling op. Ik opende voorzichtig mijn ogen. Ik zat nog steeds op mijn hurken, precies midden op het plein. Voor me zag ik de lange, brede winkelstraat die op het plein uitkwam. De goudgele gloed van de net opkomende zon werd precies op dat moment zichtbaar op de plek waar de straat in de verte verdween.

De stad ontwaakte langzaam. Ook de wind ontwaakte en ruiste zachtjes, haast aarzelend door de bomen. En in het geruis hoorde ik weer de stem van de grijsaard. Het klonk als een diepe zucht. Ik keek naar de plek waar ik de grijsaard had aangetroffen. Niemand. Verwonderd keek ik om me heen, maar ik voelde dat ik de oude man nergens zou zien, dus ik richtte mijn blik weer naar het oosten. De zon schonk me de eerste warme straal van de dag. Een warme en onstuimige windvlaag kwam me van opzij tegemoet en deed de bomen vol verwachting ruisen. Er doorheen klonk fluisterzacht maar duidelijk, de stem van de oeroude man: “…weer!”.

Intrinsieke Motivatie

Dat ik hierover nadenk beschouw ik maar als een luxe-probleem. Eigenlijk is er helemaal geen probleem. Wat is jouw intrinsieke motivatie? In mijn omgeving hoor ik die vraag de laatste tijd regelmatig. Alsof ik eens goed bij mezelf te rade zou moeten gaan waarom ik doe wat ik doe. Als ondertoon hoor ik vooral dat ik me zou moeten afvragen of mijn motivatie niet teveel wordt bepaald door afhankelijkheid of angst.

Dat is een nogal wezenlijk vraagstuk. Wezenlijk is synoniem aan intrinsiek, dus dat komt dan handig uit. Wezenlijk, essentieel, fundamenteel. De vraag die ik mezelf dan ook maar stel is deze: Wat zijn mijn essentiële drijfveren? De vraag lijkt heel eenvoudig, maar het valt me niet mee om een soort lijstje te maken met die drijfveren waarzonder ik niet kan functioneren.

De zelfbeschikkingstheorie geeft houvast, en zegt dat ieder mens behoefte heeft aan autonomie, competentie en verbondenheid. Volgens deze theorie wordt ieder mens gedreven door de bevrediging van deze basisbehoeften. Een te grote controle van anderen over jouw gedrag frustreert deze bevrediging en maakt dat je niet optimaal functioneert.

Dat “functioneren” is natuurlijk beladen. Ik associeer het meteen met beoordeling door anderen. Ik denk aan “functioneringsgesprekken” waarin jouw gedrag wordt vergeleken met de externe verwachtingen. De mate waarin je aan die verwachtingen voldoet wordt beloond. Dit heet extrinsieke motivatie. De zelfbeschikkingstheorie doelt juist op gedrag dat voortkomt vanuit jezelf. Externe verwachtingen staan er helemaal los van. Sterker nog, jij hebt verwachtingen t.a.v. je omgeving en probeert deze zo te beïnvloeden dat jij goed tot je recht komt. Je hebt ruimte nodig om je te kunnen ontwikkelen. Iedereen heeft recht op die ruimte, en de hoeveelheid benodigde ruimte verschilt per mens.

Ruimte. Ja, ik hou absoluut van ruimte voor mezelf. En wie niet? Ruimte, bewegingsvrijheid,  autonomie. De minste beperking voelt voor mij al beklemmend. Het behoud van en het vergroten van mijn bewegingsvrijheid drijft mij voort. Bij bewegingsvrijheid hoort ook vertrouwen. Het vertrouwen van je mede-mensen in jouw vrije, eigen manier van bewegen. En het leuke is dat je dit vertrouwen schaadt als je deze mede-mensen in hun vrijheid beperkt. Dus het is eigenlijk toch best eenvoudig: intrinsieke motivatie gaat in wezen over het nemen en geven van vrijheid. 

Hapsnap

Soms moet je wel eens even weer aan je beide oren naar de aarde terug getrokken worden. Een collega deed dit laatst eens eventjes voor me. Zonder zich daar echt van bewust te zijn denk ik. Moest ik ook maar niet naar zijn mening vragen natuurlijk.

“Ik vind het wel een beetje hapsnap over komen eigenlijk”, zei hij. Hij vond het een beetje willekeurig dus, en een beetje zonder lijn ook. Ik stond meteen weer met mijn beide poten op de aardkloot.

Als je ook zo hoog in de atmosfeer zit met je kop, adem je ook hele ijle lucht in. Dat is ook niet bevordelijk voor de helderheid van je gedachten. Je verliest blijkbaar ook het vermogen om een lijn te volgen. Benevelde (lees: “bezopen”) mensen kunnen geen rechte lijn volgen, maar tenminste nog wel een een slingerende lijn. Maar als je hersenen te lang te arme zuurstof krijgen, dan kun je helemaal geen lijn meer volgen. Volkomen logisch eigenlijk. 

En toen ik dus weer op de grond stond, kregen mijn hersenen weer rijke zuurstof toegediend. Alle gevoel voor lijnen, vooral rechte, kwam meteen weer terug. De reactie die ik op dat moment had willen geven op het commentaar van mijn collega was dan ook nogal onwillekeurig en nogal rechtlijnig: 

“Hapsnap? Man, weet je wel wat dat überhaupt betekent? Dat jij er geen lijn in ziet betekent niet dat die er niet is, maar alleen dat jij hem niet zien kan!”

Maar wat ik wel zei was dit: “Dat vind ik een goed signaal, waarom vind je dat precies?”.

Goed hè? Alleen de allerkoelbloedigsten kunnen dat.

Recreatie

Op celniveau is je lijf steeds bezig om zichzelf te regenereren. Volgens de formule, de genen, die je hebt gekregen van je ouders en al je voorouders. Regenereren, ofwel: weer genereren. Dit blijven je cellen doen tot je sterft. En de regeneratie van een deel van jouw genen gaat weer door in je nakomelingen. Dat is de zin van alle leven: het voortplanten van je genen, zodat ze wederom een uniek levend wezen genereren dat zichzelf kan regenereren.

Wij mensen regenereren onszelf dus voortdurend. Daar denk je niet eens bewust bij na. Het gebeurt gewoon en je merkt er eigenlijk niet zoveel van. Het komt mij nooit voor dat ik denk: “oh, wat voelt die nieuwe baardhaarcel daar op mijn kin lekker zeg!” Ik zie er natuurlijk wel de resultaten van. Ik zie toch echt iedere keer, ondanks de ultragladde scheerbeurt, een afternoon shadow op mijn gezicht. Maar je voelt je baard dus niet groeien. Ik tenminste niet.

Vanochtend, terwijl mijn brakke, door een vage griep geplaagd lijf zich desondanks maar bleef doorregenereren, besloot ik dat dat regenereren een stuk beter zou gaan met een frisse neus. Het weer buiten reflecteerde mijn vage ellende: het regende. Ik liet me er niet door ontmoedigen. Ik pakte mijn regenlaarzen, trok mijn regenjas aan en toog naar het bos.

De parkeerplaats waar ik mijn wandeling begon was door de regen veranderd in een modderpoel. Ik ploegde de wagen er doorheen en parkeerde het op een droge plek. Daar trok ik mijn laarzen aan en begon mijn wandeling, met bonkende slapen en een piepende borstkas. Ik negeerde deze signalen en stapte gewoon door. En jawel, het begon me al snel goed te doen.

De regen tikte onafgebroken op mijn capuchon en de stoppels op mijn ongeschoren wangen schuurden langs de binnenkant ervan, dus ik kon het bos nauwelijks horen. Die capuchon ging dus af, en ik liet mijn hoofd lekker nat miezeren. Op de achtergrond hoorde ik nog de geluiden van de weg, dus ik besloot om diep het bos in te gaan. Het eerste de beste smalle en zeer blubberige paadje sloeg ik in. En toen hervond ik mezelf, met iedere stap die ik dieper het bos in ging.

Ik liep heerlijk te recreëren. Ja, dat is wat ik heel bewust voelde. Ik was bezig om mezelf opnieuw op te bouwen. Ik zette alle elementaire deeltjes die mij mij maken weer in het gelid. Ik voelde hoe al mijn spieren zich opnieuw creëerden. Ik voelde hoe mijn hoofd zich opnieuw creëerde. Ik voelde hoe mijn voetzolen zich opnieuw creëerden. Alles, mijn hele wezen recreëerde zichzelf. Het deed me enorm goed.

Verschil

Er is iets in me ontwaakt waarvan ik niet wist dat het sliep. Of sluimerde. Het is net of ik de wereld nu ineens nog steeds hetzelfde zie, maar dan een beetje contrastrijker. Het is maar heel miniem, maar ik voel van binnen uit een verschil.

Alsof mijn gezichtsveld fijner gedetaileerd is. Alsof mijn perceptie helderder is geworden en mijn horizon verder ligt.

Er is iets in mij ontkiemd waarvan ik niet wist dat het ooit geplant was. Of wortelde. Het is net of ik mijn omgeving ineens nog als voorheen beleef, maar dan ietsje levendiger. Het is maar heel miniem, maar ik voel van binnen uit een verschil.

Alsof mijn wortelstelsel fijner vertakt is. Alsof mijn kruin breder is geworden en hoger rijkt. 

Er is iets bij me gebarsten waarvan ik niet wist dat het scheurde. Of kriebelde. Het is net of ik eerdaags ineens mijn huid weer moet afwerpen. Eronder zit net zo’n vel, maar dan ietsje ruimer. Het is maar heel miniem, maar ik voel diep van binnen het verschil al.

Alsof mijn zenuwstelsel fijner vertakt is. Alsof mijn intuïtie scherper is geworden en duidelijker spreekt.

Kippevel

Ja eigenlijk is het kippenvel, maar dat klopt gewoon niet qua gevoel. Die extra ‘n’ moet maar gewoon een stomme (onuitgesproken) ‘n’ zijn dan. Dat geldt ook voor panne(n)koek en miere(n)neuker. Niemand spreekt die ‘n’ uit. Bovendien heeft die extra ‘n’ een soort dovende werking op de lading van het woord. Als ik iemand uitmaak voor “pannuNNNkoek”, heeft dat een minder beledigend effect dan “Pannuh-koek”. 

Zo geeft kippeNNNvel bij lange na niet de sensatie die kippuh-vel geeft. Kippevel kan een prettige tinteling zijn die ergens in je nek begint, langs je oren naar je slapen kruipt en dan razendsnel langs je hele ruggegraat naar beneden schiet. Dat soort kippevel krijg ik als ik vol bewondering schiet over iets dat ik zie, of hoor, of zelfs alleen maar aan denk. Als ik Sven Kramer alweer een seconde van zijn ronde tijd af zie schaatsen bij de 10 kilometer, krijg ik dit soort kippevel. Het prachtige “Private Investigations” van Dire Straits bezorgt me telkens weer dit type kippevel.

En toen ik vanochtend mijn eigen voetbaltoppertje een hartstikke goeie kopbal zag maken, kreeg ik het ook. Een hele vette kippevel over mijn hele lijf. Dat zijn de allerlekkerste. Als ik mijn ogen sluit en die kopbal weer aan de binnenkant van mijn ogen afspeel, krijg ik het weer. Zaaaaalug. Dit soort kippevel is heerlijk en doet je van binnen opgloeien. Kippuh-vel, wel te verstaan. KippeNNNvel laat me niet gloeien. 

Kippevel kun je ook krijgen als je schrikt, of als je een gevoel van onbehagen bekruipt. Dat is heel ander soort kippevel. Dit soort kippevel voel je tot in je ruggemerg en tot in je botten. Brrrr. Vermeende ontmoetingen met spoken geven mij dit soort kippevel. Vrees voor je leven geeft je dit soort kippevel. Al je haren over je hele lijf staan dan overeind en je voelt je ijskoud. Je bent op je hoede en voelt je alles behalve op je gemak. KippeNNvel doet dit niet met je. Bij lange niet.

Weet je wat kippeNNNvel is? Dat is dat vieze, vette, kledderige velletje dat ik van de kippenpoot afpeuter met mijn vork, als dat velletje niet lekker knapperig is geworden. Om van te griezelen. En dat is dus een heel andere sensatie.

 

Moeilijk

’t Is niet ingewikkeld, dat niet. Maar wel moeilijk. Snap je? Het gaat vooral om volhouden en niet terugvallen in oude gewoontes. En dat is dus heel moeilijk.

Soms moet je weer even leren om de dingen te zien zoals ze echt zijn. Terug naar de essentie. Dan moet je je luchtkastelen loslaten, en dat is vreselijk moeilijk. Niet ingewikkeld. natuurlijk, want ’t is gewoon een kwestie van niet meer vasthouden aan zinloze percepties en virtuele verworvenheden. Een minimale inspanning dus. Of nee, een ontspanning. En dat is dus zo on-we-zen-lijk moeilijk.

Vastklampen aan oude gewoontes en schijnwerkelijkheden is vele malen makkelijker. Oneindig veel gemakkelijker. Je vreest voor gezichtsverlies, maar eigenlijk ken je je echte gezicht niet meer zo goed. Wat er bij gezichtsverlies eigenlijk gebeurt is het omgekeerde. Je krijgt even je echte gezicht weer terug. Zoals het er echt uitziet. Je zou dat moeten zien als een geschenk in plaats van een kwelling, maar je raad het al, dat is fe-no-me-naal moeilijk.

Wijsheden tussen aanhalingstekens

Vorige week zat ik te eten in Der Pschorr in München. Een heel oud restaurant met die typische Beierse sfeer. Je weet wel, bediening in Lederhosen of Dirndels (afhankelijk van het geslacht) en iedereen eet Schweinehaxen met Semmelknödeln met grote glazen bier van de huisbrouwer (Hacker Pschorr). Op de tafel lag een soort krantje, en daarin kwam ik een rijtje met Beierse “wijsheden” tegen. Van die wijsheden die geen wijsheden zijn, maar met voldoende bier in de buik, wel grappig. Onderbroekenlol eigenlijk. Ik vond ze heel grappig, dus ik had blijkbaar voldoende bier in het bloed.

Nu heb ik dat krantje natuurlijk vergeten mee te nemen, maar ik weet deze nog (vrij letterlijk vertaald uit het Duits). Drink eerst even een biertje of 2, 3 voor je ze leest, dan zijn ze leuker:

Als de boer ploegt in mei, dan is april voorbij

Als het regent van voren, krijgt de stier natte horens

Kraait de haan in de mist, blijft het weer zoals het is,
maar kraait ‘ie op een hoen, heeft dat met het weer niets van doen 

Je ziet het patroon. Het moet nergens op slaan, maar wel rijmen. Dat moet ik ook kunnen:

Loopt een kip tegen het hok, dan hoor je “tok” (okee, gebaseerd op een al even flauw, bekend mopje…)

Blaft de hond bij het hek, dan komt er geluid uit zijn bek

Geloof me, met genoeg bier op, worden ook deze grappig. Maar als jij denkt dat je het beter kunt, kom dan maar op!