Auteur: Mark

Doendenker, Taalknutselaar

Nu is nu

Bij het station, Daar hadden we afgesproken. Bij Thorbecke. Hij stond met zijn handen over elkaar. Ik bewust niet. Hoe ik dan wel moest gaan staat wist ik ook niet. Ik keek naar de mensen. Zoekend naar jou. Ik zou je vast wel herkennen. En daar kwam je ineens aan. Op je rode fiets. Je draagt een blauwe jas. Je zwaait vrolijk. Daar is ze, dacht ik. Daar is ze! Wat is ze leuk! Ik zwaai terug en loop op je af. Ik krijg een knuffel. Je ruikt lekker fris, naar buiten. Je stem klinkt warm. Je gaat gauw je fiets parkeren en loopt met je rode fiets aan de hand naar beneden. Ik wacht waar ik denk dat je weer naar boven komt.

Een grappige snuiter vraagt of ik wel zie op wie hij lijkt. “Max Verstappen!”, roept hij, voor ik antwoord kan geven, “Ik ben zijn neef!”. Verdomd, nu zie ik het, zeg ik. Dankbaar rent hij er vandoor richting het perron. Dan zie ik jou weer tevoorschijn komen. Helemaal aan de andere kant. We zwaaien voor de tweede keer naar elkaar. Samen lopen we naar een gezellige plek. Jij weet wel wat. Niet veel later zitten we aan een tafeltje in het Wijnhuis. Je kiest de thee waarvan ik zeg dat die heel erg lekker is. Je pink staat chique opzij als je je kopje vast houdt. Je handen zijn klein en sierlijk. We zijn ontspannen en praten honderduit. Over wie we zijn. Wat we doen. Wat ons beweegt. Onze handen raken elkaar. We bestellen iets te eten. Je bent vegetariër. Ik ook nagenoeg, zeg ik. Jij gaat naar het toilet, en ik betaal de rekening alvast. We lopen samen naar buiten. Je ruikt heerlijk. Ik wil nog helemaal niet naar huis.

Jij wil even naar een kastanjeboom omdat daar vast heel veel kastanjes liggen nu. Ik loop met je mee. Je had gelijk. Er liggen er heel veel. Glanzend en met dezelfde kleur als jouw haren. We rapen er een heleboel op en stoppen die in je rugzak. Het kriebelt in me. Ik zie je en je bent prachtig. Je vader raapte ook altijd overal kastanjes, vertel je. Hij stak ze in al zijn jaszakken. Hij is nog niet zo lang geleden overleden. Kastanjes doen je altijd aan hem denken. Ik markeer het moment, want ik voel dat dit “stukje nu” belangrijk is. En ik steek ook een kastanje in mijn jaszak.

Ik vraag of je zin hebt om nog wat te eten ergens. Dat wil je graag, dus we struinen de binnenstad af naar een lekker restaurantje. We hebben allebei wel zin in pizza. De eerste Italiaan die we tegen komen is misschien niet handig. Daar zit mijn zoon namelijk met zijn date, zeg je lachend. De tweede Italiaan heeft nog wel een plekje voor ons, beneden in de kelder. We eten pizza en drinken rode wijn. We praten nog meer. Dat gaat ons fantastisch af. Je lacht veel en stralend. Het gevoel raast door mijn lijf.

Ten slotte lopen we samen terug naar het station. We wandelen langs de gracht waarin de maan glinstert. Hand in hand. We staan even stil om te knuffelen. De tijd staat ook even stil dan. Bij het poortje naar het perron kus ik je tot hopelijk gauw. Dat hoop jij ook. In de trein zit daarna een man dromerig naar buiten te staren. Het is donker. Het raam spiegelt vooral de verlichte coupé. Maar misschien is dat rode lichtje daar in de verte wel jouw fiets.

Boewang en riddle

Zoveel te doen. Ik heb nog zo veel te doen. Ik moet de boewang eens in bloei zien staan.

Tot gisteren was dat voor mij de tekst van deze nederpopklassieker. Mijn dochter vroeg wat een boewang was. Een soort exotische plant of zo. Dacht ik. Boewang googlen leverde hoegenaamd niets op. Dochterlief googlede slimmer dan haar Pa. Zij benaderde het vanaf de andere kant, en raadpleegde de tekst van het liedje. Niks boewang. Oerwoud! Nooit voelde ik me minder nozel.

Maar het wordt nog erger…

But I’m a creep. I’m a riddle…

Pap, het is weirdo! Maar de kinderen konden er eigenlijk ook wel een beetje mee instemmen dat riddle natuurlijk veel beter was geweest. En bovendien is het allemaal erg schattig. Pa moest er haast van blozen.

NZP

De zeespiegel gaat rijzen, dus gaat het gemiddelde niveau van de Noordzee omhoog. Het Normaal Amsterdams Peil is op dat gemiddelde geijkt, dus zou je denken dat het met de zeespiegel mee omhoog zou moeten rijzen. Het gevolg is dan natuurlijk wel dat de toch al zo lage landen nóg lager worden. Vandaag bezwoer iemand me dat een groot deel van Nederland in circa 2125 door de Noordzee zal zijn opgeslokt, wat me tot doemdenken stemde.

Pin me niet vast op details, maar het waddengebied raken we sowieso in zijn geheel kwijt. Onze hele westkust verschuift een grove 100 kilometer naar het Oosten, dus de hele Randstad ligt in de gevarenzone. Er volgt dan ook geheid een massale trek naar het Oosten. Investeer maar alvast in vastgoed op hoge grond (minstens 50 meter boven NAP), want het wordt goud waard. Van het NAP zal niemand meer spreken. Zwolle ligt als het meezit dan aan zee, dus…

Nice

Wauw! Nieuwe stoeltjes? Nice!
Passen goed bij je tafel. Retro maar ook stylish.
Echt heel nice.
Al dat petrol is misschien wel een beetje too much.
Een tikkeltje overdone.
Maar ík vind het heel nice hoor.
Ja, echt nice.

De godvergeten rambam!

“Zak in de stront” brommen
tegen een vervelend varken,
“Je kan me de boom in!” roepen
tegen een eikel van een eekhoorn,
“Vlieg toch allemaal op!” brullen
naar een plein vol stomme stadsduiven,
“Ga toch op dak zitten!” schreeuwen
tegen de kat van de buurvrouw
lucht allemaal natuurlijk helemaal niet op.
Nare ziektes verwens ik dier noch mens,
maar dwarsbomers mogen toch rekenen
op de godvergeten rambam!

Substantie

Hoe vast is mijn vorm eigenlijk? Hoe los of vast zou mijn vorm moeten zijn? Het zijn vragen die de laatste tijd vaak door mijn hoofd gaan. De achterliggende gedachte is dat ik graag trouw wil blijven aan mezelf, maar dat ik dit tegelijkertijd ook mijn geliefde toewens. We praten er ook vaak over met elkaar. We vinden allebei dat het belangrijk is om niet te vervormen voor de ander. We willen elkaar graag laten zoals we zijn, maar kan dat eigenlijk wel? Hoort een beetje van jezelf opofferen voor de ander ook niet gewoon bij een liefdesrelatie? Een beetje dus, niet alles. Het gaat toch om het vinden van een evenwicht en het respecteren van elkaars grenzen?

Ik denk dus dat je vorm wordt bepaald door je grenzen en de krachten die daarop worden uitgeoefend. En misschien is het woordje “vorm” ook wel teveel bepalend in de perceptie van de vastheid ervan. Bij “vorm” denk ik teveel aan een bepaalde mate van consistentie. Een vloeistof wordt flesvormig door de fles. Te vloeibaar zijn maakt dat je te snel de vorm aanneemt van datgene dat je inperkt. Terug naar de mate van consistentie van je “vorm”: die is niet homogeen. Ik ben gedeeltelijk als een vloeistof, en gedeeltelijk als de fles.

Liefde gaat dan eigenlijk over toelaten dat je in elkaar over gaat. Toelaten dat je een beetje vervormt. Je er bewust van zijn dat de ander ook een beetje jouw vorm zal gaan aannemen. En daartegen hoef je niet per se te verzetten. Dat is gewoon ook niet zwart-wit. Je biedt een bepaalde mate van weerstand tegen vervorming of je geeft een bepaalde mate van vertrouwen in de vorm van de ander zodat je je daaraan in een bepaalde mate kunt overgeven. Liefde gaat over balanceren tussen vorm geven en vorm aannemen. Tussen kracht en overgave. Tussen het zijn van de rots of het zijn van de branding. Je vorm is vast en los. Vorm deugt wat mij betreft dus niet als term. De vorm is ook niet de essentie. Er is een woord dat beter past: substantie.

Niet af, maar naakt

Een mens is gewoon nooit af. Je leven is nooit af. Je sterft zoals je dan bent. Zo zie ik dit althans. Een heel leven wijden aan vervolmaking van jezelf voelt voor mij dus als zinloos.

Ooit las ik ergens dat je als peuter al begint jezelf te plamuren met laagjes gedrag die afwijzing door anderen moeten voorkomen. Ergens halverwege mijn leven ben ik begonnen die lagen plamuur er weer af te beitelen. In een poging mijzelf weer te “normaliseren” tot mijn essentie. Een poging om mijn pure kern weer bloot te leggen.

Misschien is dat wel het doel van een mensenleven: de wederblootlegging van jezelf. Een mens komt naakt ter wereld en moet die ook weer naakt verlaten. Niet af, maar naakt.