Auteur: Mark

Doendenker, Taalknutselaar

Strepen

Tijdens een gesprek met een collega had ik het erover hoe ingewikkeld ons werk eigenlijk is, en hoezeer we verschillen in hoe we ons beroep uitoefenen. “Ons werk is natuurlijk heel divers en we hebben verschillende stijlen. Het werk van een glazenwasser is veel overzichtelijker en eenvoudiger.”, zei ik. “Nou, dat valt ook nog vies tegen, hoe makkelijk dat is. Ik laat altijd strepen na als ik de ramen lap”, zei mijn collega gekscherend. Mijn collega was gekscheers, maar in mijn hoofd werden die strepen belangrijk. Een streep is een vergeten plek op het raam. Een plek waar de kwaliteit van het werk minder is. Een plek waar de aandacht voor de taak verslapte. Een moment waarin je misschien een idee kreeg, een ingeving. Dus ik mijmerde: “We zouden dus eigenlijk goed moeten kijken naar de strepen die we in ons eigen werk na laten”. Na afloop van het gesprek bedacht ik me dat die mijmering natuurlijk zelf ook een streep na liet.

Leeftijd

Instanties moeten van alles van hem
weten zoals geslacht en leeftijd
de antwoorden staan alvast
streng opgesomd in een harnas
dat niemand precies past

Leeftijd is meer dan alleen de tijd
die verstreek sinds je begon
we lijken immers des te liever
te leven als we even kunnen vergeten
wat tijd ook weer was

Over duister krakend ijs scheert
de schaatser gebogen langs
een kille kraag van morsdood gras
zich een weg banend met ijzeren
wil om nú te voelen dat hij leeft

Verkeerd verbonden

Achter mij zei iemand op afwezige toon: “goedemorgen”. Ik stond koffie te tappen en draaide me even half om, nieuwsgierig wie mij dit toewenste. Ik antwoordde dan ook met een waarvan ik dacht vlot en vrolijk “goedemorgen!”. De collega liep me voorbij en keek me niet aan. Blijkbaar was hij diep in gedachten en goedemorgende hij mij gewoon uit automatisme en niet omwille van het maken van een verbinding. Wat dacht ik ook wel zeg? Was ik daar even verkeerd verbonden.

Houvast

En plotseling was alle houvast zomaar weg. Een duizelingwekkend gevoel te vallen overmeesterde me. Een gevoel dat totaal onverwacht kwam. Overrompeld schudde ik op mijn grondvesten. Mijn lichaam liegt niet, daar vertrouw ik op. Mijn rationele verstand doet tevergeefse pogingen om mijn hart te beschermen. Maar het hart stuurt resoluut aan op de sprong in het diepe. Schat, houd me vast.

Taal ontwondert me nooit

Wat een grappig voorzetsel is dat toch eigenlijk: “ver”. Voorzetsel doet me wel altijd denken aan versiersel, maar dat terzijde. Als voorzetsel zorgt “ver” voor een aanloopje, een duwtje. Speciale vermelding hierbij verdienen verfomfaaien en verdonkeremanen. Bij verdraaien en vernietigen is dat duwtje trouwens best ferm. Dan werkt “ont” ook niet meer als tegenkracht. Nu ik erover nadenk kan ik eigenlijk verdomd weinig voorbeelden verzinnen waar “ver” en “ont” elkaar in evenwicht houden. Verwarren is er eentje. Verluisteren daarentegen staat niet in de Van Dale. Verhutsen en ontguizen evenmin. Gemiste kansen als je het mij vraagt. En wat te denken van taalwoekeringen zoals verontschuldiging, verontwaardiging en verontrusting? Taal ontwondert me nooit.

Wildparkeerperikelen

Omdat er geen geld meer zou zijn voor wat meer parkeerhaventjes, wordt er voor mijn deur driftig wildgeparkeerd. Ik doe het zelf ook. Al maanden zet ik mijn bolide direct voor mijn huis, aan de overkant van de straat op de rand van onze “brink”. Natuurlijk mag ik aan “mijn” plek geen enkel recht ontlenen. Toch deed ik dat, want het irriteerde me mateloos dat mijn plek ineens was ingepikt door de buuf. De buuf nog wel. Zij woont al een tijdje samen met haar nieuwe liefde. En hij brengt een boot en twee auto’s mee. Heb ik helemaal geen moeite mee. En ik begrijp ook dat dat allemaal niet op hun oprit – want die hebben ze – past.

Nu ben ik niet iemand die het conflict opzoekt. Dat is gewoon niet mijn aard. Ik maak geen olifanten van muggen. Eerder het omgekeerde. Ik kan toch ook wel een stukje verderop wildparkeren? Waarom zou ik per se precies voor mijn deur moeten kunnen parkeren? Mijn buuf doet dat eigenlijk nu zelf ook. Haar eigen buren – eveneens met eigen oprit – moeten ook drie auto’s kwijt (zo’n beetje 1 auto per gezinslid). En daarvan staat er eentje wildgeparkeerd. Buuf kan in principe ook 2 huizen naar rechts wildparkeren. En ik snap helemaal dat ze dat niet doet, want dat zou ik ook niet doen.

Bovenstaande gedachten bleven bij gedachten. Ik ben (nog) niet met buuf in gesprek gegaan hierover. Wat zegt dit over mij? Wat zegt het over mij dat ik me erger aan het inpikken van een parkeerplek die niet eens een parkeerplek is, laat staan van mij? Ik laat deze mug geen olifant worden. Zo zit ik immers niet in elkaar.

Hoe zit ik dan wel in elkaar? Welnu, achter mijn voortuintje ligt ook een strookje gemeentegrond. Daar kan mijn auto ook best staan. Dat heb ik dus laatst gedaan toen ik een vracht boodschappen moest uitladen. Ik heb de auto er de hele nacht demonstratief laten staan. Nu weet ik niet of ik het me verbeeld dat mijn nukkige boodschap is aangekomen, maar buuf zet nu al een aantal dagen haar auto niet meer op “mijn” wildparkeerplek. Dankzij deze wildparkeerprikelen ben ik toch mooi weer een inzicht rijker.

Wat het is

Het is inmiddels een vaste lijfspreuk van me geworden: “het is wat het is”. Gedurende het leven houdt veel mensen deze vraag bezig: “ben ik wie ik ben?”. Die vraag lijkt te overlappen met mijn lijfspreuk. Betekent het misschien dat we helemaal niet hoeven te zoeken naar onze identiteit? Zijn we al automatisch wie we zijn? Ubuntu zegt ons nog dat we “door anderen zijn”, dus we zijn ook hoe we door anderen worden waargenomen. Die filosofie is ook nog eens wederkerig. Misschien moet je dus gewoon eens door de ogen van je naasten naar jezelf kijken om een deel van jezelf te zien. En laatst ving ik een gesprek op over projecties. Mensen blijken vooral eigen eigenschappen op anderen te projecteren. We zijn wat we projecteren. En ten slotte ben je nog wat je eet. Kortom: zoek jezelf in anderen en wat jij op ze projecteert terwijl je eet waar je zin in hebt. Zou het zo simpel zijn? Mijn leven is me te kort om me daar te druk over te maken. Ik leef nu, en nog niet weten wie ik ben is ook maar wat het is.

Iceberg

Laatst verbaasde mijn linker hersenhelft zich ineens over “iceberg”. Hoezo “berg” in plaats van “mountain”? Technisch is een iceberg ook niet eens een mountain. Het is een stuk ijs dat van een gletsjer afbrak en los rond dobbert in de oceaan. Ze zijn groot en massief. Drijvende bergen van ijs. De oorsprong van iceberg ligt in de Nederlandse taal, kwam ik achter. We hadden het blijkbaar in de 14e eeuw al over ijsbergen: ende daer si hoopten die ijsmaren, so lagen si oft ijsbergen waren. Ik lees ook dat icebergs “bergvormige ijsmassa’s op het land” zijn. Desalniettemin betekende een iceberg de ondergang van de Titanic. Ze hebben “berg” nooit mee vertaald naar het Engels. Ik zie wel een verband met de verbazing van mijn linker hersenhelft.

Syrphus Ribesii

Tijdens mijn blokje om, gisterochtend, ving dit beestje mijn aandacht. Ze zat daar een beetje mooi te wezen. Ik zag er een perfect plaatje in. Zie haar nou toch eens mooi afsteken tegen die wazige achtergrond. Dit prachtige zweefvliegje wist dat haar schoonheid hierdoor het beste uitkwam. Ze bleef ook mooi stilzitten terwijl ik het lensje van mijn telefoon, die ik in standje “macro” had gezet, tot op enkele centimeters afstand van haar bracht. Na vier kiekjes zoemde ze er toch wel vandoor, maar haar vereeuwiging was al een feit.

Een slimme app op mijn telefoon wist mijn vereeuwigde vliegje met 61% zekerheid te identificeren als een syrphus ribesii. Een bessenbandzweefvlieg, in gewoon Nederlands. Dat neem ik voor nu dan maar even voor waar aan. Ik ben geen insectenkenner. Ik herken slechts schoonheid wanneer ik het waarneem. Desalniettemin heb ik mijn waarneming met alle stelligheid van de wereld toegevoegd aan waarneming.nl. Dat was toch wel het minste wat ik kon doen als tegenprestatie voor haar schitterende verschijning.