TammoTammo

Het lijkt me erg grappig om een echte Grunninger in mijn TomTom te hebben, zo’n echte Tammo met zo’n lekker dik Gronings accent.

Ondanks mijn Groninger afkomst en genen, spreek ik nauwelijks Gronings, maar dit is wat ik mij er dan ongeveer bij voorstel:

ABN: Deze weg 34 kilometer volgen
Tammo: faar’ndartig kilometer aaalsmoar rechtdeur jaa

ABN: Op de rotonde de 1e afslag nemen en de N350 blijven volgen
Tammo: Bie de rotonde geliek derof en bliefst gewoon op de N-dreihondertfieftug

ABN: U bevind zich op een doodlopende weg. Keren alstublieft.
Tammo: Tjongjongejongejongejonge dat loopt hier ja hardstikke dood! Kest ee’m keer’n?

ABN: Let op (wat mijn tomtom zegt als ik boven de max. toegestane snelheid rijd)
Tammo: Hee! Kiek uut!

ABN: U heeft uw bestemming bereikt
Tammo: Kloar, uutstap’n!

Misschien bestaat zoiets al lang, ik heb het niet uitgezocht. Misschien is’t wel een gat in de Grote Markt.

Zeikprooi

De trein zit bomvol. Zelf zit ik prinsheerlijk in zo’n eersteklas werkcoupé, maar direct naast mij staan mensen in het gangpad. Zij klagen niet, maar ondergaan de pech gelaten. Op de stoel naast mij zit een oud, zemelig wijf. Het wijf heeft relatief geluk, want zij hoeft dus niet te staan. Toch zucht en steunt ze terwijl ze dramatisch met haar ouwe kop schudt. Wanhopig probeert ze oogcontact te krijgen met de mensen in haar coupé. Mijn coupé-genoten verstoppen zich stoïcijns achter hun laptop of, zoals ik, achter hun boek.

“Nou, dan ga ik maar verder met mijn kruiswoordpuzzel”, zegt ze tegen niemand. Het wijf staat op om het uit haar tas te pakken die in het bagagerek boven haar hoofd ligt. “Oeh!!!”, slaakt het mens ineens. Ze verliest zogenaamd haar evenwicht en laat haar puzzelboekje op de grond vallen. Theatraal grijpt ze de rand van het bagagerek en kijkt verschrikt om zich heen. Dit heeft ze vaker gedaan. De trein reed op een recht stuk en maakte niet de geringste slinger. Het is nu de bedoeling dat iemand haar te hulp schiet.

De meneer met de laptop pakt het puzzelboekje van de vloer en geeft het aan het ouwe wijf. “O, dankuvriendelijk meneer”, zegt ze overdreven dankbaar, “fijn dat er nog behulpzame mensen zijn in deze wereld”. De man kijkt ietwat nerveus maar beleefd glimlachend naar haar op. Fout!! Nooit aankijken! Maar het is te laat. “Ach, het is niets hoor mevrouw”, en hij wil zijn blik weer op zijn laptop richten. “Wat erg hè”, zegt het mens dan terug terwijl ze nog zijn oogcontact heeft, “Dat niemand daar nou eens iets aan doet”. Ze heeft een zeikprooi aan de haak. Hij is reddeloos verloren, want de rest van de coupé duikt nog dieper in zichzelf.

Ongevraagd stort ze nu een tenenkrommend geklaag over alle ellende die ze op dit moment ervaart over de man uit. Dat ze van haar schamele pensioentje een veel te duur treinkaartje moest kopen en dat ze dan nóg hutje op mutje moet zitten in de eerste klas. En dat door die drukte Jan en alleman maar eerste klas gaat staan want conducteurs, ho maar!. En bij het uitspreken van “Jan en alleman”, blikt ze kwaadaardig in de richting van een knaap met versleten spijkerbroek en ruige baard die in het gangpad staat. Mijn klomp is aan gruzelementen. Ik zucht geërgerd en klap nijdig mijn boek te hard dicht. Verschrikt kijkt de meneer die tegenover me zit op van zijn tijdschrift. Ook in zíjn ogen zie ik ergernis. Een prima zeikprooi voor mijn eigen situationele onvrede.

“Dames en heren, we naderen het station Meppel…”, tettert die conducteur die niet optreedt tegen boven hun stand staande jongeren ineens door de intercom. Geen tijd meer om het wijf een koekje van eigen deeg te geven, want ik moet er zo uit. Even later wurm ik me langs Jan en alleman naar buiten. Ik kijk nog even naar binnen mijn coupé in. Tot mijn genoegen is Jan en alleman in mijn stoel gaan zitten. Even heb ik oogcontact met het zeikwijf. Haar ogen schieten vuur. Ik zwaai glimlachend naar haar terwijl de trein verder rijdt. Een glorieus moment.

Das Dachpfannenmänchen

Er werd vanmiddag bij mij aangebeld. Toen ik open deed stond er een klein mannetje met een pet voor de deur. “Einen schönen Tag, mein Herr”, zei het mannetje. En toen kwam er een heel verhaal over het feit dat mijn Dachpfannen sehr Schmutzig waren, maar dat hij mij “ein sehr günstiges Angebot machen” kon. Volgens das Dachpfannenmänchen – hij deed me eigenlijk wel een beetje denken aan een Meinzelmänchen – gaan Schmutzige Pfannen lekken en moesten ze deswegen professionel gereinigt und impregniert werden. Mijn buren werden sicher auch ganz froh sein als mijn dakpannen er weer schön sauber uit zouden zien.

Normaal zou mein Dach inclusief BTW zwei tausend oiro kosten, aber heute, und nur heute kon hij mij dit aanbieden voor slechts zwanzig hundert oiro. Jawel: zwanzig hundert in plaats van zwei tausend. Na, das ist doch gar nicht doer, durfde hij ook nog te zeggen. Ich bin doch nicht blöd! Ik kon hem nog maar amper tegenhouden, want hij was al halverwege de ladder mijn Dach auf om kostenlos mal drei Pfänchen zu reinigen. Ik ben benieuwd of hij mijn buurvrouw wel zo gek heeft gekregen.

Powered by ScribeFire.

Het Spook van Michael Jackson

De gestorven King of Pop vindt zichzelf een heel bijzondere geest en is erg gefrustreerd dat tot nog toe niemand hem kon zien of horen. Hij had eigenlijk verwacht dat al zijn fans in principe een medium voor zijn geest zouden zijn. Niet dus. Niet één van zijn fans. Gedesillusioneerd waart het spook van Michael Jackson rusteloos rond op zijn Ranch Neverland. Althans, dat probeert hij. Maar hij merkt dat het hem veel moeite koste om op zijn geliefde landgoed te blijven. Hij drijft voortdurend af. Steeds in dezelfde richting: Oostwaarts.

Uiteindelijk geeft Michael het op en laat zich op een dag gelaten afdrijven. Dagen en nachten drijft hij langzaam maar gestaag naar het Oosten. Op moonwalk-snelheid, vindt Michael zelf. Hij drijft over woestijnen, bergen en meren. Een eindeloze tijd drijft hij over de oceaan. Hij drijft ironisch genoeg ook dwars door de Big Ben, maar deze blijkt niet zijn ultieme bestemming. Steeds verder Oostwaarts drijft Michael, tot hij eindelijk tot stilstand komt in een doodgewoon rijtjeshuis in Groenlo.

“Dat is toch ook raar”, denkt Ben als hij de schimmige gedaante in zijn huiskamer ziet staan, “dat lijkt wel…nee, dat kan niet, die is toch dood?…”. Ben gaat rechterop zitten en tuurt naar de verschijning. Het spook lijkt terug te turen en gilt dan ineens: “Hiiiihiiii!”, doet wat rare danspasjes, grijpt zich in zijn kruis en roept “Auw!”. Ben kijkt naar zijn bierflesje en controleert het alcoholpercentage. Hoe kan hij nu al zó dronken zijn?

Ben accepteert voor het gemak maar even dat hij blijkbaar een spook ziet. Wat hij moeilijker te verkroppen vindt, is het feit dat Michael Jackson uitgerekend bij hem komt spoken. “You are dead hè?”, vraagt Ben voorzichtig. Het spook van Michael Jackson kijkt hem meewarig aan en moonwalkt demonstratief even door een muur en weer terug . Ben wil eigenlijk helemaal niets met dit spook te maken hebben, dus hij roept: “Leave me Alone! Beat it!”. Maar dit heeft een averechts effect. “You know my songs!”, roept Michael ecstatisch en begint weer te dansen.

Michael kijkt eens wat beter om zich heen en er vallen hem enkele attributen op. Aan de muur hangt een bloedrode sjaal met “FC Twente” erop. Daaronder hangt een poster van, zo te zien, een voetbalteam waarvan de leden shirts van diezelfde bloedrode kleur dragen. In de hoek van de kamer staat een gitzwarte, elektrische gitaar met, in goudkleurige verf, een doodskop erop. “You play guitar!”, roept Michael verheugd, “Play something for me please”. Ben’s mond valt open van verbazing. De King of Pop is hier komen spoken om hém te horen spelen?

Michael klapt bemoedigend in zijn schimmige handen als Ben de versterker aan zet en de gitaar oppakt. Ben draait aan wat knoppen en zet de vingers van zijn linker hand op de snaren. Dan zet hij zijn benen een heel end uit elkaar en begint te spelen. Rauwe klanken vullen de kleine, muffe huiskamer. Michael vertrekt zijn gezicht. Hij vindt het afschuwelijk. Maar Ben gaat helemaal op in zijn spel en zwiept zijn lange haren wild heen en weer. Plotseling begint Ben als een bezetene te krijsen,  te grommen en te grauwen.

“HIIIIIIIIIIIIIIIIIIII!! HOEOEOEOEOEHOEHOE!”, gilt het spook van Michael Jackson. Hij is van schrik, voor zover mogelijk, nóg witter geworden. Ben heeft het niet in de gaten en gaat “vrolijk” door met zijn door merg en been gaande grafherrie. En dan ziet Michael wat er op Ben’s vale, zwarte shirt staat afgebeeld: een helse rat met lange haren, op een duivelse motorfiets dat brandende sporen achterlaat op het asfalt. Eronder staat in Bloedrode, druipende letters “Ben Rattink”. Ben houdt ineens op met spelen, alsof hij door heeft dat zijn muziek niet bepaald in de smaak is gevallen bij zijn onwaarschijnlijke toehoorder.

Michael kijkt hem diep bedroeft aan en begint nu, heel zacht, zelf te zingen:

Ben, the two of us need look no more.
We both found what we were looking for….

Michael begint er steeds jonger uit te zien. Hij ziet er weer net zo uit als toen hij 14 jaar oud was als hij de laatste zinnen van het lied zingt:

Ben, most people would turn you away
I don’t listen to a word they say
They don’t see you as I do
I wish they would try to
I’m sure they’d think again
If they had a friend like Ben

Like Ben…
Als het Spook van Michael Jackson deze laatste twee woorden zingt, glimlacht hij en verdwijnt.

Vloeknood

Je ziet ze regelmatig, die grote posters van de Bond Tegen Vloeken met teksten zoals “Een Vloek Stoort” of “Vloeken? Natuurlijk Niet!”. Ik stoor mij op mijn beurt dan weer aan die posters. Begrijp me niet verkeerd, ik loop heus niet de hele dag te vloeken, maar ik ben ook maar een mens. Als ik heel hard mijn teen stoot, helemaal als die teen al zeer deed omdat er eerst een hamer op is gevallen, dan móet er heel nodig een vloek uit. “Potjandorie”, doet het dan niet echt voor me. Dat is gewoon niet rauw genoeg. Hartgrondig en luid een opperwezen dringend verzoeken mij in zijn naam te verdoemen, lucht nou eenmaal ontzettend op.

Vloeken is eigenlijk vergelijkbaar met niezen. Als je lijf niest, wordt met ongelooflijke kracht je neus verlost van prikkelende stoffen. Dat is bijna niet in te houden. Veel mensen doen dat uit sociale overweging vaak wel, waardoor je neus blijft kriebelen en de niesnood nog niet over is. Als je vloekt worden met ongelooflijke kracht je hersenen verlost van pijnprikkels. Hou je een vloek in, dan blijven de prikkels in je hoofd en is de vloeknood nog niet over.

Gek genoeg hou ik me bij mijn kinderen dan wel weer in als ik moet vloeken. Ik loop dan bijvoorbeeld op mijn sokken door het huis en stap dan in een punaise. Er ontstaat dan acuut een heel hoge vloeknood. De tranen schieten in mijn ogen en mijn longen zuigen zich vol om de dreigende vloek goed kracht te kunnen geven: “GGGGOH…..”. Mijn kindertjes kijken verschrikt maar tegelijkertijd gefascineerd naar me. In hun oogjes meen ik te lezen dat ze nu extra goed gaan opletten zodat ze mijn vloek goed kunnen nadoen, dus ik buig de vloek om naar: “…WWWWAT….EENNN….STOMMMMMM….GGGGEDOEOEOEOEO!”. En láchen dat de potjes met de grote oren dan doen! Ik hink naar de bank, trek de punaise uit mijn hak en vloek binnensmonds nog een beetje na: “gmmfdmmm!”.

Powered by ScribeFire.