Fundamenteel intellectualisme

Het voelt al haast als een scheldwoord. Intellectueel. Kun je het nog openlijk zijn? Doen intellectuelen dat überhaupt? Ik weet eigenlijk niet zo goed wat het is, hoewel ik de contouren wel zie. Intellect gaat blijkbaar samen met nuance en ambivalentie. Een intellectueel denkt fluïde. In tegenstelling tot de activist. Dat las ik in de column van Carel Peeters in Vrij Nederland. Dat contrast verbaast me een beetje. Alsof intellectueel en activist uitersten zijn. Toch maakt Carel de vergelijking. Het gaat hem vooral om de taal. De activist houdt van ondubbelzinnige leuzen, terwijl de intellectueel juist zoekt naar meerduidigheid en gelaagde betekenis.

Het huidige politieke klimaat heeft weinig geduld met intellect. Sander Schimmelpennick beschrijft in dit artikel de domrechtse stroming: “Onwetendheid vieren als ‘volks’ en kennis verwerpen als ‘elitair’, dat is de cultuur van de stroming die ik domrechts noem”. Domheid als politieke strategie. Minister Faber laat hiervan een schokkend staaltje zien wanneer ze bewust lastige feiten over de schending van kinderrechten bij de noodopvanglocaties van asielzoekers wegwuift. Ze houdt zich blatant en volledig van de domme. De strategie is volkomen helder. Het mag van haar allemaal mis gaan, want dat draagt allemaal mooi bij aan het gevoel van asielcrisis. Dit is opzettelijke nalatigheid zodat de gewenste juridische noodzakelijkheid kan worden verkregen voor een noodwet.

Schimmelpennick waarschuwt voor de normalisatie van dit soort antirechtsstatelijke ideeën. Domrechts omschrijft zich volgens hem steeds vaker als “andersdenkend”. Daarop moeten we inderdaad alert zijn. Het is niet anders denken maar bewust beperkt en selectief denken. Ik voel hier een diepe afschuw voor. En een diep verzet. Maar ik ben geen activist, dus hoe uit ik mijn verzet? Ik geloof in rede en nuance en ik denk gelaagd. Dat is mijn fundament. Volgens Peeters maakt mij dat een intellectueel. Fundamenteel intellectualisme. Laten we hier maar geen nieuwe stroming van maken.

Kasteel gezocht

Kunnen mijn kinderen straks een eigen woning vinden? Ik heb er vier in totaal. Kinderen dus. Eerlijk gezegd zit ik er niet op te wachten dat een deel van hen, laat staan alle vier, nog tot ver in hun dertig bij mij wonen. Daar zitten ze ongetwijfeld zelf ook niet op te wachten. Hun moeder en ik zijn al geruime tijd gescheiden, wat je in dit opzicht wellicht gunstig zou kunnen noemen. Twee huizen. Maar de tijd staat niet stil en ik lonk naar een knus huisje waar ik samen woon met mijn lieve vriendin. Haar twee kinderen krijgen uiteraard ook te maken met het woningentekort. Ik kan maar beter lonken naar een knus kasteel dan. En kom daar maar eens om.

Lomp

Vorige week werd mijn werktelefoon vervangen. Om veiligheidsredenen. Mijn nog prima werkende, gestroomlijnde toestel werd vervangen door een hoekig en lomp apparaat. Ik zie opzich wel een voordeel. Het ding kan ook dienst doen als veiligheidshamer en slagwapen, dus mijn persoonlijke veiligheid is inderdaad toegenomen.

Automerken en -kopers gaan ook volop voor lomp. Bij de elektrische auto’s idem dito. Allicht moet je die lompe batterij ergens kwijt en kom je dan uit op een lomp lijnenspel. Het rijgedrag is al even lomp. Er wordt plompverloren van richting veranderd zonder enige indicatie.

De fietspaden worden langzamerhand overgenomen door een lomp soort tweewieler. Met slome benen trappen nieuwerwetse nozems nonchalant met een rotgang viaducten op. In een winkelcentrum, waar ik liep, meende zo’n gast daar een geitenpad te mogen nemen zonder af te stappen. Ik had mijn slagwapen toch al aan mijn oor, dus…

Verlangen naar de vorst

Vanuit de keuken zie ik een knaapje op skeelers over de klinkertjes vliegen. Zijn armpjes zwaaien fanatiek van links naar rechts. Hij waant zich natuurlijk Sven Kramer, oordeel ik. Zelf waande ik me vroeger Leo Visser, dus mijn oordeel is geoorloofd. Mijn eigen schaatsstijl wijkt ook niet eens zoveel af van die van het knaapje in mijn straatje. Evengoed blijf ik overtuigd van mijn innerlijke Leo als ik zelf weer op de ijzers sta. Mijn verlangen naar de vorst is aangewakkerd.

Duaal gemijmer

Dat ijle geluid van de mondharmonica. Zet er een galmpje onder en ik snik bijkans mee. Tegen de virtuositeit van Toots ben ik sowieso niet opgewassen. Bij zijn spel vibreren mijn gevoelige snaren er ongecontroleerd op los. Ik zou mijn ziel zo ruilen voor de gave zo te kunnen spelen, maar ik ben non-dualist. Bovendien geloof ik dat de ziel essentieel is voor muzikaliteit. In muzikaal opzicht bezit ik zelf een verwaarloosbare hoeveelheid talent. Ik leg mijn ziel dan maar in mijn gemijmer.

Denkruimte

In een krappe ruimte kan je moeilijker op een afstandje naar iets kijken. Je kunt er ook niet goed omheen lopen. Niet alle invalshoeken zijn bereikbaar. In je hoofd werkt dat net zo. Gebrek aan ruimte beknelt het denken. Andere zienswijzen lijken onvoorstelbaar. Ruimte buiten je lijf kan zorgen voor ruimte in je hoofd. Een weiland, een leeg strand, een oceaan. Gedachten moeten kunnen stromen. Met de hete douche in mijn nek kijk ik naar het afvoerrooster waarin mijn gedachten ook wegspoelen. De witte strepen van de snelweg trekken mijn gedachten uit mijn hoofd. Ze schieten even onder me door en dan liggen ze achter me. Instant denkruimte.

Is het een cadeautje?

Zijn het cadeautjes? Dit vroeg de mevrouw achter de kassa mij gisteren. Ik reageerde met een “jazeker” waarin mijn tevredenheid over mijn keuzes weerklinken moest. De mevrouw trok toen twee glimmende, zwarte vellen cadeaupapier van een rol. Niet helemaal mijn idee van feestelijk, maar goed, ik liet het los. Ik keek toe hoe de vellen papier vrij argeloos om mijn artikelen werden gedrapeerd. De lat lag blijkbaar bij “wikkelen in cadeaupapier”. Misschien was het de allerlaatste rol plakband, want daar ging ze erg spaarzaam mee om. Ik rekende dan ook maar argeloos af. Mijn lat was gedaald naar “afrekenen en wegwezen”.

Vanochtend besloot ik gelijk het lelijke cadeaupapier eraf te scheuren en de cadeaus zelf mooier in te pakken. Terwijl ik dat deed dacht ik na over die vraag of het cadeautjes waren. Ik vind dat normaal gesproken een fijne vraag. In bepaalde winkels, waarvan ik weet dat ze echt werk maken van het inpakken, zeg ik ook “jazeker!” als ik iets voor mezelf koop. Ik geniet in die winkel namelijk alleen al van de manier waarop mijn cadeau wordt ingepakt. Eerst wordt met een zwierig gebaar een vel papier van een rol getrokken en gescheurd dat meestal ook nog eens precies de juiste lengte heeft. Van cadeaupapierscheuren mogen ze van mij een olympische sport maken. Ik wil wel jurylid zijn. Naast de atletiek hecht ik grote waarde aan de papierkwaliteit. Het mooist zijn de vellen die aan beide zijden mooi zijn. Met lenige, gemanicuurde handen vouwt en plakt de inpakatleet het mooie papier om mijn cadeautje. Het wordt een waar kunstwerk waarbij de kleuren van beide zijden van het vel worden benut. Ik zou het daarna nooit meer willen uitpakken.

Die beleving had ik gisteren dus duidelijk niet. Uit beleefdheid trok ik het papier er niet meteen, na het afrekenen weer af. Had ik er dan misschien iets van moeten zeggen? Zijn mijn verwachtingen te hoog? “Mevrouw, als ik u een tip mag geven…dat scheuren van die rol mag wel wat zwieriger, en experimenteer vooral ook eens met kleurrijker papier”.

Naamnesie

Waarom ontschieten namen van mensen me, maar niet het telefoonnummer dat mijn ouders vroeger hadden? Als ik voor het eerst kennis maak met iemand, dan vergeet ik de uitgesproken naam soms al binnen luttele minuten, vooral bij een kennismaking met meerdere mensen. Ik vergeet namen van collega’s die ik maanden niet heb gesproken. Ik vergeet namen van radiopresentatoren als ze naar commerciële zenders verhuizen.

Gezichten (en stemmen) vergeet ik niet zo snel, maar dan sta ik bij een wederzien (of wederhoren) meestal toch diep en zonder resultaat in mijn geheugen te graven naar de naam. Dit is blijkbaar duidelijk aan mijn gezicht af te lezen, want in de blik van de ander zie ik een mengeling van verbazing en verontwaardiging. Gelukkig zie ik vaak ook juist een blik van herkenning. Die ander lijdt dan zelf ook aan “naamnesie” en stelt zich met vergoelijkende glimlach gewoon nog eens voor.

Impulsmoment

Misschien is dit wel mijn reactie op de mid life crisis. Waar ik overigens kalmpjes doorheen zeilde. Net als mijn pubertijd. Bij een crisis hoort toch een soort paniekgevoel, maar die heb ik gemist. Er is hooguit een beetje paniek door het ontbreken ervan. Had ik niet al eens een keertje bij het punt moeten aanbelanden waarop ik besef dat ik halverwege mijn leven ben en inzie dat ik in mijn leven nog teveel niet heb bereikt om in die andere helft te kunnen verwezenlijken? Ik heb het niet gevoeld. Misschien komt dat wel omdat ik me nooit heel druk maak over later. Ik leef nu. In het moment. En af en toe heb ik dan een moment van impuls.

Nadat ik terug kwam uit Londen, waar ik met mijn twee vrienden vierde dat die vriendschap al dertig jaar duurt, kreeg ik er weer eentje. Een wild impuls. Het idee daarvoor begon in Sister Ray, een platenzaakje in Soho Londen. Ik kocht daar twee platen, tot zover niets bijzonders. Maar toen ik me voorstelde hoe ze zouden klinken, had ik ineens de ingeving dat mijn luidsprekers totaal niet tot hun recht kwamen nog. Ze moesten hoger staan. Veel hoger. En dat is waarom ik vrijwel direct na thuiskomst begon met het eigenhandig bouwen van twee luidsprekerstandaards.

De standaards moesten erg stevig worden en vibraties van en naar de luidsprekers zoveel mogelijk dempen. En ze moesten mooi worden, passend in mijn interieur. Ik begon met het meten van de benodigde hoogte. De tweeters wilde ik op oorhoogte hebben als ik op de bank zit. Op basis van de metingen maakte ik aanvankelijk wel een ontwerpschets. Een driepotig ontwerp, voor de stabiliteit. Het ontwerp heb ik nadien niet meer bekeken. Mijn handen en hoofd wisten precies wat er gedaan moest worden. Gewapend met mijn op youtube opgedane kennis ging ik aan het werk. In de schuur had ik nagenoeg al het benodigde materiaal.

Ik maakte van twee lagen multiplex twee vloerplaten en twee draagplaten waarop de speakers precies passen. Twee dikke, massieve, houten middenpoten, gemaakt van resten dakspant die onder een helling van 80 graden omhoog zouden stuwen. Die hellingshoek loopt door in de voor en achterkant van de bodemplaten. Strakke lijnen. Voor de andere twee poten van de standaards gebruikte ik vier holle, aluminium tafelpoten. Die maakte ik akoestisch dood door ze te vullen met zand. De poten zijn op de kop gemonteerd met bouten en glimmende dopmoeren. Ik lakte al het hout knalblauw af. De metalen poten liet ik blank.

Ik ben enorm tevreden over het resultaat. De standaards zijn niet alleen mooi, maar laten de luidsprekers geweldig tot hun recht komen. Ik had niet gedacht dat de verbetering van de geluidskwaliteit zo groot zou zijn. Nu stond ik altijd vrij sceptisch tegenover audiofielen, maar die scepsis vertoont barsten. Grote barsten. Er gaat een wereld voor me open en ik stap daar nu pas in. Ik heb een half leven verspild aan het niet inzien hiervan. Voel ik dan nu zowaar toch paniek?