Lekker cliché

Soms kan ik enorm verlangen naar banale alledaagsheid. Geen fratsen, maar lekkere alledaagse dingen. Lekkere clichés. Het kan me niet schelen dat hun betekenis versleten is. Want dat zijn clichés, zinnetjes die zoveel zijn uitgesproken dat hun betekenis in verval is geraakt. Een cliché is een warm broodje dat te vaak over de toonbank is gegaan. Een cliché is niet hip. Een cliché is niet origineel. Nou. En. Soms is een cliché juist precies wat ik nodig heb. Een cliché is als je oude, vertrouwde lievelingstrui. Als je versleten sloffen. Het cliché is er altijd. In clichés kun je je heerlijk omwentelen in tijden van weemoed. Een cliché geeft altijd troost. Altijd.

De laatste tijd mijmer ik vaak. Over de zin van mijn leven. Over mijn rol als echtgenoot. En mijn rol als vader. In mijn rol als echtgenoot ben ik jammerlijk gestrand. Ik raakte op drift in de storm, om maar eens een cliché te gebruiken. En ik drijf nog iedere dag verder bij haar vandaan. Het verlies doet pijn. De wond is lelijk en diep. Vraag me af of de tijd die ooit zal kunnen helen. In dat cliché wentel ik me dagelijks om. Als ik andere stellen die wél een gezonde relatie hebben zie, dan word ik weemoedig en raak ik overmand door het gemis van warmte, troost en geborgenheid. En dan verlang ik dus vurig naar die banale alledaagsheid. Naar mijn oude vertrouwde, versleten, warme, oude trui. Lekker cliché.

Het eikelwezen

Een eikel is, naast vrucht van de eik, een niet zo aardig bedoelde bestempeling van een mannelijke persoon. Zelf ben ik ook wel eens uitgemaakt voor eentje. Een ongelooflijke zelfs. Blijkbaar scheen ik me toen ongelooflijk lullig te gedragen. Het eikelwezen is blijkbaar ook alleen weggelegd voor mannen. Vrouwen kunnen zich wel lullig gedragen natuurlijk, maar worden nooit voor eikel uitgemaakt. Tot nog toe heeft de emancipatie hier geen verandering in gebracht. Hoeft van mij ook niet. Wat mij betreft mogen scheldwoorden wel gender-specifiek zijn. Het eikelwezen is dus een mannelijke aangelegenheid. Het eikelwezen is verbonden aan het hebben van een piemel. Het uit de voorhuid gekropen topje daarvan heeft immers een grote gelijkenis met een eikel. Vrouwen hebben geen piemel, dus ook geen eikel (ik vraag me nu ineens wel af of het zuurpruimwezen alleen een vrouwelijke aangelegenheid is). Maar wat doen we qua eikelwezen met transseksuelen? Tot vrouw getransformeerde mannen die hun eikel nog hebben, zou je technisch gesproken nog voor eikel mogen uitmaken. En tot man getransformeerde vrouwen zonder piemel technisch gesproken dus niet. Je baseert je keuze om de zich ongelooflijk lullig gedragende persoon voor eikel uit te schelden eigenlijk puur op het uiterlijk. Weet jij veel of er sprake is van een pruim of een eikel? Je kan het toch moeilijk eerst voor de zekerheid gaan controleren. Misschien eerst een knietje in het kruis geven en dan pas gaan schelden? Wat een gedoe. Toch lastiger dan ik dacht, dat eikelwezen.

Smachten

Onderweg naar kantoor rij ik achter een busje van een of andere koffiebonenhandelaar. Op de achterklep prijkt een foto van een geopende baal ongetwijfeld heerlijk geurende koffiebonen. Die geur spat eigenlijk van de foto af. Die o zo verleidelijke geur van vers gebrande koffiebonen.

Alleen al bij de herinnering aan die geur loopt het water me in de mond. De stimulerende foto achterop het busje riep die herinnering met brute kracht bij me op. Bovendien ben ik een coffee junk. Dus ik smacht plotsklaps naar een heerlijk kopje verse koffie. Een dampende, dubbele espresso.

Smachten is branden van verlangen. Smachten is een smeekbede van je genotscentrum. Smachten is hunkeren. Smachten is balanceren op het bitterzoete randje van wanhoop. De klank van “smachten” komt ook precies overeen met het gevoel ervan.

En natuurlijk loopt het verkeer op dat moment vast. Minuten lang kruip ik met een slakkengangetje achter de koffiebonen aan. Mijn roodomrande ogen puilen uit hun kassen. Mijn tong hangt uit mijn mond. Het moeten wachten doet het smachten kantelen naar wanhoop. Nu smacht ik niet langer naar koffie, maar doe ik er een moord voor.

Naast je

Iemand die je beweegt,
je zonder voorwaarden
lief heeft.
Iemand die je vast houdt,
je zonder aarzeling
troost geeft.
Iemand die je draagt,
je onbevangen
steun geeft.
Iemand die je laat zijn,
je vol vertrouwen
ruimte geeft.
Iemand die je begrijpt,
je zonder woorden
diep raakt.
Iemand die naast je staat,
je vol tederheid
kracht geeft.
Iemand niet tegenover je,
niet boven je,
maar naast je.

Moed voor de lieve vrede

Vrede? Oké, vrede. De moeders van de twee jongens zijn nu tevreden. Ze hadden ons aan het oor mee terug naar buiten getrokken en tegenover elkaar gezet. De twee jongens (één van hen was ik) staan tegenover elkaar en kijken naar hun voeten. Ze hadden gevochten. Twee boezemvrienden die mot hadden. En dan maakte je dat dus goed door vrede te vragen. Ik herinner me dat nog goed. Vrede is niet meer vechten. Vrede is zand erover.

Die herinnering aan hoe ik vroeger ruzies met mijn boezemvriend eindigde kwam vanmiddag ineens bovendrijven. Kon het altijd maar zo eenvoudig zijn. Konden  oorlogen maar op die manier worden beëindigd. Kon ik op die manier maar mijn relatie redden.

Vrede, zuiverheid, liefde, kracht en geluk. Als ik het goed onthouden heb zijn dat de vijf basis-elementen van je ziel. En als ik het niet goed onthouden heb, vind ik het sowieso eigenlijk wel een mooi stelsel van woorden. Iemand die me helpt om mijn evenwicht te bewaren wees me op dit stelsel. Ze vroeg me over welk woord ik een vraag zou kunnen hebben. Ik kwam uit op vrede want daar voel ik me het van binnen het meest rumoerig.

In het vijftal staat vrede voor harmonie, respect en rust. En als je er dieper over nadenkt komen ook woorden als open, natuur, luisteren en evenwicht naar boven drijven. Na een tijdje filosoferen kwam ik erachter dat ik intuïtief best veel goeie dingen over vrede kon noemen. Maar zo gaat dat bij veel dingen bij mij. Ik kan alles heel mooi beredeneren, maar echt begrip komt veel later. Als het bezinkt bij me.

Toen we Vrede samen hadden uitgediept moest ik een vraag bedenken over Vrede. Die innerlijke vrede. Mijn innerlijke rust en evenwicht. Een vraag die me bezig houdt is hoe ik in evenwicht kan blijven wanneer ik de wind van voren krijg. Wanneer ik me aangevallen voel. Wanneer mijn hoofd een slangenkuil dreigt te worden. Met die vraag in mijn hoofd mocht ik een kaart trekken. Bewust nam ik niet de middelste, maar eentje een stuk rechts daarvan.

Brave

Moed. Raak. Om in evenwicht te blijven moet ik de moed niet verliezen. Die moed heb ik nodig om bij mezelf te blijven. Moed om mezelf accepteren, en de ander. Moed om de ander aan te kijken en kalm te blijven, zacht te zijn. Moed voor de lieve vrede.

Blijkbaar schijn ik

Als iemand een zin met “blijkbaar” of “klaarblijkelijk” begint, schuilt achter die zin  een oordeel. Zo voel ik het in ieder geval. Blijkbaar ben ik daar extra gevoelig voor. Klaarblijkelijk is dit het lot van taalpietlutten zoals ik. Met “blijk” en “schijn” kan iemand mijn gevoelige snaren bespelen. Dat is mijn juk. “Blijkbaar schijn jij te denken dat…”. Afhankelijk van mijn gemoedstoestand filter ik alles wat na “jij” komt eruit. Want daarop volgt een prikkelend oordeel. Ik hoor dan dus alleen nog dat ik blijkbaar schijn. Dat heb ik schijnbaar nodig.

Parfumhinder

Op het moment dat ik dit schrijf zit ik in iemands parfumwolk. Een zoete, zware after shave, zo te ruiken. Het bezorgt me koppijn. Kloppende slapen. En mijn smaakpapillen worden door mijn bedwelmde hersenen niet meer begrepen. Mijn koffie smaakt niet naar koffie, maar ik drink het toch maar op.

Ik voel het parfum om me heen hangen. Het is een ware invasie. Een geurinvasie die diep in mijn wezen door dringt. De zoete, bedwelmde wolk die nu om me heen hangt, maakt dat ik me slecht kan concentreren. Zenuwgas is er niks bij. En ik zit helemaal aan de andere kant van de kantoorvleugel. Alles in me roept om alle ramen open te zetten, maar een sociale remming houdt me tegen. Eigenlijk zou ik de drager van het parfum erop moeten aanspreken dat de zwaarte van zijn parfum voor mij zeer hinderlijk is, maar mijn geïrriteerde hoofd kan even geen tact opbrengen.

Er zou een wettelijke grens voor geurhinder moeten zijn. Net als bij geluid. Geur kun je uitdrukken in geureenheden. In Europa gebruiken we de OUE (Odor Unit Europe). Eén OUE/m3 is – als ik het goed begrijp – de hoeveelheid geurstoffen in een wolkje van één kubieke meter die in een gecontroleerde omgeving dezelfde psychologische reactie veroorzaakt bij mensen als bij de blootstelling aan dezelfde concentratie van een standaard referentiegeur. Dat is allemaal dus al bedacht. Mooi.

Dus parfumhinder is al meetbaar. Nu wil ik een gadget. Een slim apparaatje dat mij beschermt tegen geurinvasies. Een minuscuul apparaatje dat ik onzichtbaar in mijn neus kan dragen. Voor geluid heb je tegenwoordig geavanceerde “noice cancelling” met antigeluid. Dat wil ik ook voor geur: antigeur. Mijn gadget meet de hoeveelheden OUE/m3 en heeft dus ook geavanceerde “odour cancelling”. Met een appje op mijn telefoon kan ik het dingetje instellen zodat ik nog wel van de geur van mijn koffie kan genieten. Willie Wortel, aan de slag!

Maar alles goed en wel. Zo’n apparaatje bestaat nog niet. Mijn geprikkelde hoofd wil eigenlijk dat overmatig parfumgebruik als overlast wordt erkend. Rokers zijn al te schande gemaakt vanwege hun effect op de volksgezondheid, nu de chemische luchtverontreinigers nog met hun asociale parfums. Kantoorgebouwen en openbare gebouwen zouden mensen die de wettelijke geurlimiet overschrijden bij de ingang moeten tegenhouden, en via een speciale tunnel waarin ze worden bespoten met een parfum-neutraliserend gas, naar binnen leiden. Cynisme in overdrive natuurlijk. Van nature ben ik cynisch, maar het is vertienvoudigd door die zware after shave. Ik ga maar eens een frisse neus halen.

Van harte gedigitaliseerd

Onderweg in de auto vroeg ik me ineens af of er wel een tegenovergestelde is van digitalisering. De tegenhanger van digitaal is analoog. Iets analoogs kun je digitaliseren, maar iets digitaals kun je niet analogiseren. Dat werkwoord bestaat niet. Maar we doen het wel voortdurend. Soort van. Van digitale opnamen van muziek maken we met z’n allen dagelijks massaal analoge geluidsgolfjes die toch echt als muziek in onze oren klinken. Het heet dan digitaal-analoog-conversie.

Misschien is het ook wel logisch dat het werkwoord “analogiseren” niet bestaat, want het kan niet, hooguit bij benadering. Het staat ook niet in de Van Dale. De digitale versie van iets analoogs is per definitie in kwaliteit verlaagd. Digitaliseren gaat altijd gepaard met kwaliteitsverlies. Altijd. De digitale versie is altijd een minderwaardige kopie van het origineel. De conversie “terug” naar een analoge versie levert iets op dat niet meer 100% hetzelfde is als het origineel.

Gelukkig zijn onze zintuigen ook helemaal niet in staat om het origineel 100% waar te nemen. Onze oren horen maar binnen een begrensd frequentiebereik. Onze ogen kunnen maar een beperkte hoeveelheid kleuren onderscheiden. Een doorsnee computer gebruikt de waarde 0 voor de kleur (absoluut) zwart. De meesten van ons zullen 1 nog even zwart vinden. Een tekst in de digitale kleur 1 op een achtergrond in de digitale kleur 0 (absoluut zwart) kunnen wij niet lezen. De kleur 25 op zwart is nog steeds onleesbaar. Zie het plaatje hieronder.

zwart

Op het beeldscherm van mijn laptop zie ik het verschil tussen zwart en zwart+25 dus niet. Er zijn dus meerdere digitale versies van wat ik als zwart waarneem. Mijn punt is dat we graag genoegen nemen met de inferieure kwaliteit van “geanalogiseerde” digitale informatie ten opzichte van het origineel. We zien en horen het verschil toch niet, of in ieder geval niet genoeg om er niet van te kunnen genieten. De audiofielen van deze wereld zullen het niet met me eens zijn, en misschien hebben ze best gelijk, maar daar gaat het me niet om.

Waar het me om gaat is dat ik vanmiddag ineens moest nadenken over het werkwoord “digitaliseren”. Dat overkomt me regelmatig. Een woord dat voorheen heel vertrouwd was, voelt dan plotseling heel vreemd. Alsof ik het voor het eerst echt zie. Ik had ineens moeite met “digitaliseren”. En ik hou me er beroepsmatig dagelijks mee bezig. Als infoloog streef ik naar de volledige digitalisering van de wereld, want dat moet. Zo ben ik geprogrammeerd. Maar door mijn plotselinge vertwijfeling om “digitaliseren” vroeg ik me dus ook meteen af waar ik in hemelsnaam mee bezig ben. In plaats van de originele, analoge wereld te redden, werk ik naar hartenlust mee aan een minderwaardige kopie ervan. De hele wereld wordt van harte gedigitaliseerd! Maar ach, jullie zien het verschil toch niet.

Van slag

Hij liep vlak voor me op het grindpad. Langs de waterkant. Een normale man. Om redenen die ik niet begrijp voelde ik me met hem verbonden. Hij liep rechtop, ondanks de zware schoudertas. Plotseling sprong hij op. Alsof hij ergens van geschrokken was. Hij keek schichtig achterom, maar keek dwars door me heen. De man liep door, maar niet langer rechtop. Hij stak zijn linkerhand in zijn broekzak en haalde zijn smartphone eruit. Hij las iets van het schermpje, en liep een pas of twintig verder met de telefoon voor zich. Zijn hele bovenlichaam leek verstijfd. Zijn benen bewogen nog wel, maar steeds langzamer. Het schermpje ging weer uit op het moment dat de man tot stilstand kwam. Even zag ik het gezicht van de man erin weerspiegeld. Uit zijn blik sprak weemoed. Ik dwong mezelf om naar de grond te kijken, maar kon een tweede blik toch niet tegenhouden. Nu zag ik verbijstering. De man stak de telefoon weer langzaam terug in zijn broekzak, draaide zich naar het water en steunde op het hek. Treurig keek hij in het glinsterende water waarop gouden bladeren dreven. Ik zag dat hij beefde. De man was totaal van slag. Hij hoorde nu mijn knarsende voetstappen op het grind en keek in mijn richting. Nu zag hij me wel. Uit zijn blik sprak een diep medelijden. Ons oogcontact duurde drie hartslagen. Een eeuwigheid. De tijd stond helemaal stil. De wereld om me heen ook. Alleen de drie oorverdovende slagen van mijn hart klonken. Toen sloeg de man zijn ogen neer, en liep ik verdoofd verder. Mijn benen bewogen als vanzelf. Ik zag, hoorde en voelde de wereld om me heen alsof ik er geen deel meer van uit maakte. Ik was even alle verbinding met de werkelijkheid kwijt. Langzaam kwamen mijn zintuigen weer één voor één online. In dezelfde volgorde. Toen was ik al honderd stappen verder. Ik keek achterom, maar de man stond er niet meer.