Hij ziet het allemaal met argusogen aan. De wereldverbeteraar. Hij doet zijn best, maar op de achtergrond. Hij is een onzichtbare held. Op geitenwollen fairtrade sokken. Met kleine daden zorgt hij dat de wereld zich weer een beetje beter voelt. Al was het maar voor zijn eigen gemoedsrust. De wereldverbeteraar ligt namelijk voor ons allemaal wakker. Van alle problemen. Van alle ellende. En hij weet best dat hij de hele wereld niet in zijn eentje kan verbeteren. En hij weet ook best dat hij niet in zijn eentje verantwoordelijk is voor onze puinhopen. Maar hij ligt er wakker van. Hij kan er niets aan doen. De wereld is hem te lief. Hij is weerloos voor haar schoonheid. Haar leed kan hij niet verkroppen. Dus doet hij wat hij kan. Het is misschien niet veel, maar hij voelt zich er goed bij. De wereldverbeteraar offert zich met liefde op voor de bomen, de bijen, de neushoorns, de zeeschildpadden, de koraalriffen, de oerwouden en het hele klimaat. En natuurlijk voor de de cacaoboeren, bananentelers en katoenkwekers die allemaal niet krijgen wat ze verdienen. Het zet geen zoden aan de dijk, maar hij moet het doen. Ook al weet hij soms niet zeker of het echt goed is wat hij doet. Helpt het om minder rundvlees te eten? Helpt het om in principe alleen regionaal geteelde fruit en groenten van het seizoen te eten? Helpt het om bij voorkeur fair trade producten te consumeren? Helpt het om plastic afval te scheiden? Helpt het om te geven aan al die collectanten? Hij weet het allemaal niet, maar hij doet alles maar. Onverzettelijk. Hij doet verwoede pogingen. Vanuit een verbeten overtuiging. Die betere wereld begint bij hem, daar is hij heilig van overtuigd.
Jukken en garelen
Laatst sprak ik met iemand over een juk waaronder ik momenteel gebukt ga. Ik probeer wel fier te staan, maar het juk drukt me constant omlaag. Jukken zijn trouwens houten werktuigen die je over je schouders legt met aan weerszijden een last. Emmers met water bijvoorbeeld. En trekdieren (paarden, ezels, ossen) trekken een kar vooruit met een juk. Garelen worden voor trekdieren gebruikt voor hetzelfde doeleinde. Jukken en garelen bedwingen. Onder een juk ben je een slaaf. In het gareel ben je braaf.
Door Cgoodwin – Eigen werk, CC BY-SA 4.0, Link
In figuurlijke zin moet en mens zich afvragen waar zijn/haar jukken en garelen vandaan komen. Zou het misschien zo kunnen zijn dat de drijver en de slaaf één en dezelfde persoon zijn? Het geeft wel te denken.
Hoogbevaagd
Tegen beter weten in probeer ik mezelf regelmatig in een hokje te passen. Of misschien moet ik zeggen dat ik probeer om mezelf door een andere bril te zien. Maar mijn ogen wijken natuurlijk af van het standaard oog. Heb ik weer. Dus door iedere standaardbril waardoor ik mezelf bekijk zie ik geen scherp afgetekend plaatje. Eigenlijk is het beeld maar gedeeltelijk scherp. Door de ene bril zie ik 10% van mezelf scherp, door de andere misschien wel eens 60%. Maar voor de rest zie ik vaagheden. Schimmen, die mijn verwoed speurende blik lijken te willen ontwijken.
Misschien is dat ook logisch. De glazen van je bril worden immers speciaal voor jou geslepen. Op mijn neus zit een bril met een uniek recept. Ik heb in beide ogen een cilinder, en mijn rechteroog staat iets naar buiten. En gezien mijn leeftijd heb ik nu ook een leesgedeelte in de glazen geslepen zitten. Met een leesbrilletje van de Hema kom ik er dus niet. Zo gaat het denk ik ook met die psychologische brillen van hierboven. Mijn psyche laat zich blijkbaar niet helemaal lezen met een standaard brilletje. Ik pas in mijn eigen, specifieke hokje. Zoals de meesten van ons eigenlijk.
Ik ben nog steeds op zoek naar mezelf, hoewel ik al heel veel heb gevonden en daar langzaamaan best tevreden mee kan zijn. Mensen in mijn omgeving proberen me te helpen en dat is fijn. Dan spreken ze hun vermoedens over mijn psyche naar me uit. Ze reiken me dan een bril aan. Hier, probeer deze eens. Zo kwam het dat ik mezelf probeerde te zien door een hoogbegaafdheidsbril. Er leek wel een hoop meer scherpte te komen in mijn zelfbeeld, maar een groot deel bleef toch weer hardnekkig onscherp. Die bril is het dus ook niet helemaal. Ik moet denk ik een bril hebben zoals mijn echte bril. Een bril die speciaal is geslepen voor mij. Een beetje van dit, een beetje van dat. Een combinatie van vage afwijkingen. Ik ben van alles wat, maar niet precies. Ik ben gewoon hoogbevaagd. Niks bijzonders, en tegelijk ook weer wel.
Veel te lief
Nog geen week geleden sprak ik haar nog. Ze had niet lang meer, was de prognose. Weken. Hooguit. Ik hield haar hand vast. Wist niet wat ik moest zeggen. Maar ik hoefde niks te zeggen. Ze sprak zelf. Heel zacht. Ze vertelde me dat ze het had geaccepteerd. En dat ze haar einde al voelde komen. Al voor die vreselijke diagnose. Ze sprak er rustig en onbevreesd over.
Vier dagen later overleed ze. De tweelingzus van mijn moeder. Hun band was erg hecht. Ze deden heel veel samen. Wandelen, fietsen, schilderen, vrijwilligerswerk doen in de schoolbibliotheek, en samen op vakantie gaan. Ze waren net terug van hun laatste vakantie toen het plotseling slecht ging met mijn tante. Ze at bijna niets. De huisarts verwees haar meteen door. Al snel werd duidelijk dat er iets ernstig mis was met haar lever. Niet lang daarna kwam uit waar we allen voor vreesden. Alvleesklierkanker. In ver gevorderd stadium. Niet meer behandelbaar.
Gisteren werd alles rond haar afscheid en crematie geregeld. Het was gelijk ook een soort familiereünie, zoals dat wel vaker is bij een overleden familielid. We waren allemaal verdrietig, maar we voelden ons ook samen sterk. Er moest van alles worden geregeld en gedaan. De taken werden op heel natuurlijke wijze verdeeld. Ik heb samen met mijn zusje alle adressen op de enveloppen voor de rouwkaarten geschreven. Mijn moeder ontvangt straks een rouwkaart met mijn handschrift op de envelop. Dat voelt bizar. Alsof ik daarmee de brenger van het slechte nieuws ben dat haar tweelingzus is overleden.
Mijn moeder hielp mee met het wassen, mooi aankleden en opmaken van haar zus. Als een laatste vertroeteling. Ze kon maar niet van de zijde van haar zus wijken. Ze hield de kist vast terwijl die door de gangen van het wooncentrum werd gereden. Mijn hart scheurt telkens opnieuw bij de gedachte daaraan. Veel te lief.
Toen ik laatst aan het bed van mijn tante zat was ze al heel erg verzwakt. Ik had volgens mij nog nooit haar hand vastgehouden, maar misschien was het wel andersom. Vroeger kwam ik vaak bij haar, mijn oom en hun dochters thuis. Het was er altijd gezellig en ongedwongen. Mijn tante was altijd in de weer om het iedereen naar ’t zin te maken. Ze cijferde zichzelf eigenlijk altijd weg: maak je maar geen zorgen om mij, maar laat mij me maar zorgen maken om jou. En toen ze mijn hand vasthield, voelde ik dat weer. Veel te lief.
Closetrolophanging
Er zijn twee soorten mensen: zij die de closetrol op de verkeerde manier in de houder hangen, en de rest van de mensheid die begrijpt hoe het wel moet.
De ophanging van een toiletrol is een functionele aangelegenheid. Een WC-rol moet zo hangen dat je er eenvoudig een rits velletjes af kan trekken. Dat gaat dus makkelijker als er tussen de muur en het uiteinde van de rol, ruimte is voor je vingers. En als je het uiteinde niet ziet, dan maak je intuïtief een naar beneden swipende beweging met je hand over de rol, zodat het uiteinde tevoorschijn komt.
Het zou best wel eens kunnen zijn dat alle mensen die de rol verkeerd om ophangen, ook allemaal een macbook gebruiken. Die mensen zijn namelijk gewend om een omhoog swipende beweging te moeten maken over hun touch pad om verder naar beneden in de inhoud van het programmavenster te scrollen.
En kijk, dat jij thuis je wc-rol verkeerd ophangt vind ik allemaal nog tot daar aan toe, maar in mijn huis hangt ‘ie zoals het hoort. Dus dan laat je die ook zo hangen als je mijn WC gebruikt. Duidelijk? Mooi!
Evenwicht
Als je niet aan het omvallen bent, dan ben je dus in evenwicht. Maar evenwichtigheid is een kwaliteit. Hoe makkelijk ben je uit je evenwicht te brengen? Kan je evenwicht een stootje hebben? En wat dan nog als je toch omvalt? Dan veer je gewoon weer overeind. Dan heb je geleerd dat je steviger moet staan. En ook uit de diepste afgrond loopt weer een weg omhoog. Hoe diep je ook valt, het herstel van je evenwicht begint bij je wederopstanding. Daarna klim je weer naar boven. Je kan het, want je hebt bovenmenselijke veerkracht.
Tooling
In mijn omgeving hoor ik de laatste tijd erg vaak dat er “tooling” nodig is om het werk van iemand te vereenvoudigen. Dan heb ik het over een ICT-omgeving. Daarin wordt sowieso al veel onnodig gedweept met de Engelse taal, maar dat heb ik maar lijdzaam geaccepteerd als een fact of life. Desalniettemin wekken nieuwe Engelse taalfratsen regelmatig mijn weerzin. Zo ook “tooling”. Instant jeuk.
In de ICT kenden we natuurlijk al “tools”. Ontwikkeltools, testtools, disktools. Daar kan ik best mee leven, want toegegeven, “tool” is een stuk korter dan “gereedschap”. Hier wordt in ieder geval nog de betekenis goed gebruikt. Bij “tooling” dus niet. Dus jeuk. Als je de betekenis van “tooling” op zoekt, krijg je ruwweg de volgende twee betekenissen:
the process of providing a factory with machinery in preparation for production
any decorative work done with a tool
Ik trek daaruit de conclusie dat tooling dus eigenlijk een werkwoord is. What are you doing? Oh, I’m tooling this leather book cover.
Nu weer terug naar de Nederlandse ICT-sector. Wat ik daar zie is dat “tooling” wordt gebruikt als een soort meervoud van “tool”. Laatst hoorde ik bijvoorbeeld dat er behoefte was aan nieuwe tooling voor systeemmonitoring (de spellingcontrole vindt dat een correct Nederlands woord). En ik ving een gesprek op over de selectie van IAM-tooling.

In beide gevallen bleek er behoefte aan een verzameling tools, een multitool. Je zou natuurlijk ook “toolbox” of “toolkit” kunnen zeggen. Of wat dacht je van “voorziening”? Maar ja, wie ben ik? Ik zal ook wel weer aan “tooling” wennen. Af en toe een beetje krabben tegen de jeuk, maar ik overleef het wel.
Boogspanning
Vastberaden stapte ik de speciaalzaak voor handboogsport binnen. Voor de tweede keer. Ik betrad een wereld die tot voor kort voor mij niet bestond. Een spannende, interessante wereld. Een wereld waarin woorden worden gebruikt zoals pondage en treklengte. De verkoper was nog druk bezig met de enige andere klant in de winkel, dus ik vergaapte me aan de spullen in de schappen.
De andere klant werd vakkundig en geduldig geholpen. De verkoper nam alle tijd om het ding (een duur uitziend, matzwart middenstuk van een recurve boog) dat de andere man had besteld, perfect af te stellen. De andere klant testte de boog op een kort schietbaantje in de winkel. Na enkele minutieuze verstellingen aan kleine schroefjes hier en daar aan de boog, begon het resultaat meer in de buurt te komen van de verwachtingen van de klant. Ik hoorde hoe de man een enorm bedrag armer werd en ik merkte dat de knoop ik mijn maag zich strakker aantrok.
Mijn maag zit altijd een beetje in de knoop als ik (veel) geld ga uitgeven aan iets waarover ik twijfel of het wel verstandig is. Eigenlijk wel een lekkere soort spanning. De spanning van de anticipatie. De spanning van het uitstellen van een impuls. Vandaag wist ik dat ik aan het impuls ging toegeven. Ik had nu lang genoeg geweifeld en geprakkiseerd. Just do it!
Omdat ik hier al eerder was geweest, wist ik precies wat ik wilde. “Die”, zei ik, en ik wees naar een complete recurve set die in de winkel stond uitgestald. En ook ik werd door de verkoper uiterst professioneel geholpen. Mijn boog werd met bijna liefdevolle bewegingen gemonteerd en afgesteld. Allerlei kleine piefjes en palletjes werden op en aan de boog bevestigd. Tenslotte spande de verkoper de pees op de boogbladen en vroeg me of ik toevallig al wist wat mijn treklengte was. Dat ik dat niet wist gaf niks, want dat kon hij natuurlijk wel even meten.
De verkoper verzocht me om op de schietplek te gaan staan en overhandigde mij plechtig mijn prachtige handboog. Alle toeters en bellen zaten eraan. Ik kreeg een speciale pijl waarop een centimeteraanduiding stond. Ik legde de meetpijl op de de pijloplegger en trok de pees van de boog zover naar achteren als ik kon. Na een drietal metingen kwam de verkoper uit op een treklengte van net iets onder de 32 inch (ondanks de centimeteraanduiding…). Dus mijn pijlen moesten tenminste die lengte hebben.
Vervolgens mocht ik nog eens hetzelfde doen, maar nu werd er tussen mijn hand en de pees een klein meetinstrument geplaatst. De effectieve pondage bij mijn treklengte bleek 27,8 pond. Dat is het gewicht dat wordt losgelaten op het nokje van de pijl bij het loslaten van de pees. Het pondage wordt vooral bepaald door de starheid van de booglatten, legde de verkoper uit. Hier zou ik voorlopig wel genoeg aan hebben, adviseerde de verkoper. Een zwaarder pondage is voor de beginnende schutter niet nodig. Ik vond het prima.
En toen kwam het moment dat ik mijn eerste eigen pijl mocht lossen. Ik kreeg een korte uitleg over de werking van het vizier en wat het verschil is met het schieten met een “bare bow” (dus zonder vizier). De eerste pijl belandde pardoes in de muur, maar dat gaf niks, want het vizier stond ook helemaal nog niet goed. En jawel, na de verdere fijn-afstelling van het viziertje belandden mijn pijlen al keurig op het blazoen. Weliswaar niet in de roos, maar wel redelijk bij elkaar in de buurt. Ik moest het vizier later zelf, in het veld, beter gaan afstellen.
Ruim twee en een half uur nadat ik de winkel was binnengelopen liep ik met een complete handbooguitrusting naar buiten. Zo trots als een pauw. Ik had een fonkelende, Ferrari-rode handboog gekocht. En ik was er tot in mijn tenen mee in mijn nopjes. De knoop in mijn maag had plaats gemaakt voor die prettige tinteling van kippevel die in golven over je ruggengraat gaat. Geen gevoel van spijt, maar totaal het tegenovergestelde.

Gisteravond heb ik mijn trotse bezit eens even uitgebreid getest op het schietveld van de club waar ik nu al weer bijna een jaar lid van ben. Het werd ook wel eens tijd voor een eigen boog. Een van de andere schutters die al jaren lid is, stond me bij met advies over mijn houding en techniek. Maar het belangrijkste advies was dat ik moest ontspannen. Laat je boog zijn werk doen. Dus ik liet al mijn boogspanning van me afglijden en halleluja…

De weide
Tijdens een lange wandeling met een goede vriend hoorde ik mezelf zeggen dat ik nog lang niet uitgekeken ben op de weide waarin ik rond huppel, omdat ik nog lang niet aan alle bloemen had gesnuffeld. De weide stond in die zin voor het werk dat ik momenteel doe. Ik put er ontzettend veel levensplezier uit, en dat kan ik nog heel lang doen. Het is een uitgestrekte weide. Het reikt tot aan de horizon.
Ooit waren de goede vriend en ik collega’s. We konden het van meet af aan goed vinden met elkaar. We hebben hetzelfde gevoel voor humor. Zoiets schept meteen een band. Nu hebben we het type vriendschap waarin je elkaar soms jaren niet ziet, maar elkaar niet vergeet.
En omdat we elkaar niet uit het oog waren verloren, dwaalden we samen door het bos. Ons gesprek dwaalde ook alle kanten op. Het ging dan weer over toen, dan weer over nu. Toen waren we naïef en gelukkig. Nu waren we veel wijzer. Toen waren we collega’s. Nu zijn we lotgenoten.
Lotgenoten. Twee mannen met een gebroken hart. Om verschillende redenen, maar dat maakt niet uit. We zijn allebei uit een diepe put geklommen. We konden elkaar steunen. We konden ontboezemen. Het is fijn om ellende te delen met iemand voor wie dat heel erg herkenbaar en invoelbaar is.
We spraken over nieuwe inzichten in onszelf. Mijn bloemenweide die nog vol door mij onbesnuffelde bloemen staat, is zo’n inzicht. Mijn dwaalgenoot snapte precies wat ik bedoelde en zag zichzelf al vrolijk door zo’n weide huppelen. Hij zit momenteel zonder werk, maar vast niet voor lang. Hij ging mijn mooie zin onthouden, zei hij. Jij vindt weer een bloemenweide waar je vol passie doorheen kan huppelen, beloofde ik hem. Ik beloofde mijn ogen en oren voor hem open te houden.
We hadden het over geluk en liefde. Over warmte en genegenheid. Over hoe het ons daarin nu ontbrak. We waren heel open over hoe onbezonnen we in onze op de klippen gelopen liefdes waren gedoken. Misschien hadden we meer moeten scharrelen. We hadden er beter aan gedaan om eerst ook wat andere bloemen te besnuffelen. Maar we waren te onzeker. Te verlegen en te afwachtend. De bloemen werden vanaf een afstandje door ons bewonderd. Heimelijke liefdes die nooit opbloeiden.
Maar we spraken ook over hoop. Over toekomstige liefde. De weide staat vol bloemen. Kijk maar eens om je heen. Ik ga weer genegenheid en geborgenheid voelen, voorspelde hij. Hij raakte mijn gevoeligste snaar en ik werd er stil van. “Je hoeft je er alleen maar voor open te stellen”, zei hij. Eigenlijk geloof ik niet dat ik dat ooit weer kan. Bloemen zijn allemaal giftig. Dus ik laat het snuffelen en hou het voorlopig maar bij huppelen.
De kraan is geduldig
Volgens mij zei mijn vader dat vroeger thuis altijd: “de kraan is geduldig”. Het was het standaard antwoord dat je kreeg als je zeurde om nóg een glas ranja. Als je nog meer dorst hebt, drink je maar water. Vooral dat “maar water” is natuurlijk jammer. Want ik weet namelijk dat het alles behalve “maar water” is dat uit onze kranen komt in Nederland. Sinds ik bij een drinkwaterbedrijf werk begrijp ik dit.
Die geduldige kraan waar altijd maar weer schoon en heerlijk drinkwater uit komt als we het open draaien zien we in Nederland als de normaalste zaak van de wereld. Vandaar ook die uitdrukking. Wij kennen geen echte dorst, want de kraan is inderdaad altijd geduldig. Het is bij wet geregeld dat wij schoon en veilig drinkwater uit onze kraan kunnen tappen. De geduldige kraan is een burgerrecht. De drinkwaterbedrijven hebben de plechtige taak daar voor te zorgen. Ze beschermen de natuur in de waterwingebieden en de waterbronnen die zich daar (onder) bevinden. Ze pompen water op van grote diepten en zuiveren het zorgvuldig. Wij draaien (aan de kraan) en zij leveren. Dag en nacht. Weer of geen weer.
Vanochtend betrapte ik mezelf erop dat ik het zelf ook zei. Ik was in gesprek met de juf van mijn jongste zoon en we hadden het over het weer. Er was 30 graden voorspeld, en het was nu al om te stikken, vonden de juf en ik. “We moeten extra veel drinken”, zei de juf tegen mijn ventje. En voor ik er erg in had ontglipte mij toen: “de kraan is geduldig”. Meteen verontschuldigde ik me tegenover de juf voor de ouderwetsheid van mijn uitspraak. Ik weet ook niet waarom. Het is misschien ouderwets, maar ook een waarheid als een koe. De vanzelfsprekendheid van schoon drinkwater is iets om af en toe eens bij stil te staan. De kraan is inderdaad geduldig, is het niet fantastisch?.
