Bandenspanning

Mijn ego is eigenlijk veel te groot voor mijn auto. Ik geef dat meteen maar even toe. Mijn huidige autootje is een rationele keuze. Japanse degelijkheid. Niet kapot te krijgen. Verbruikt zowat niks. Ik rij er al 10 jaar zonder problemen mee van hot naar her. De kilometerteller toont een dikke 309000 km. Ik weet zeker dat ik er nog minstens twee keer de wereld mee rond zou kunnen rijden. Maar ook onze wegen moeten scheiden.

Dus ik heb mijn trouwe stikstofbronnetje ingeruild voor een wat jonger stuk blik van Scandinavische makelij. Een tweedehandsje die al goed is ingereden. In deze wagen zal mijn ego ook lang niet passen, maar alle bagage van mijn kinderen wel. Dat is sinds de scheiding van hun moeder en ik natuurlijk een zwaarwegende factor geweest in het besluit om mijn auto te verruilen voor een grotere.

En nu wacht ik al ruim een week met toenemende gespannenheid op het verlossende telefoontje van de garage: “Hij is klaar hoor meneer!”. Ik had aangedrongen op een grote beurt, en ik wist dat de monteur (kleine garage) op vakantie was, dus ik stelde me er al op in dat ik moest wachten. Hij zou waarschijnlijk vandaag klaar zijn, dus ik heb de hele dag naar mijn telefoon zitten turen: “Toe dan! Ga!”. Maar mijn telefoon ging niet. Uiteindelijk belde ik de garage zelf maar. Ze waren al bijna klaar, maar het wachten was nog op een apparaat dat moest worden geleend om de ABS (of zo) uit te lezen.

Dus ik word nog even in spanning gelaten. Ik verdraag het nog maar net. Over technologiefrustratie gesproken! Je zou haast gaan denken dat ik me op de nieuwe auto verheug. En dan heb je gelijk. Hoewel ik ook een beetje weemoed voel bij het “in de steek laten” van de auto die dat nog nooit bij mij heeft gedaan. Ik praat het in mijn hoofd goed door te denken dat ik mijn trouwe vierwieler rust gun. Alsof ik een emotionele band zou kunnen hebben met een stuk technologie. Sentimenteel gedoe, maar het is wel zo. Ik ben gespannen vanwege een breuk van een band (het wordt me vast nooit vergeven) en het aangaan van een nieuwe band (wat nou als het niet klikt?). Bandenspanning. Haha.

Puzols

Legpuzzels maak ik maar één keer. Daarna gaan ze in de kast om stof te verzamelen. Misschien dat ik een reeds door mij gelegde puzzel na vele jaren nog eens overweeg, maar dan blijft het bij de overweging. Het staat me altijd tegen om een legpuzzel meer dan één keer te maken. Legpuzzels maken is voor mij blijkbaar iets éénmaligs. Een in beton gegoten principe die mijn nogal definieert. Diezelfde hoekigheid laat me ook verbazen over het feit dat menigeen de dubbele ‘z’ in ‘puzzel’ weigert te erkennen. Het is puhzol en niet puuzol. Maar ach, wie ben ik om daarover te oordelen. Taal denken te kunnen beteugelen is dwaas. Zo dwaas als Don Quichot’s strijd tegen windmolens. Taal kronkelt en trekt zich weinig aan van principes en hoekige karakters.

Verdwazing

Verbazing leidt er bij mij dikwijls toe dat ik het hier uit. Ik verbaas me dagelijks, en dat is natuurlijk goed. Maar er is blijkbaar een grens aan je capaciteit voor het verwerken en te boven komen van verbazing.

Op gegeven moment kan je de overvloed aan verbazingwekkende prikkels niet meer aan en gaat je kop over in een stand van verdwazing. Je wordt er volledig door uit het lood geslagen. Totale versuffing. De weg is kwijt. De wereld stort in. In een soort mentale implosie wordt je in één klap frontaal met de kern van je wezen geconfronteerd.

Ik herken deze momenten intussen als situaties waarin je ziel met volle gewicht aan de noodrem hangt. Crisis. Alles moet dan even helemaal stoppen. Alles.

Het is dan tijd, nee bittere noodzaak, om even heel rustig en precies al je gedachten te sorteren. Welke zijn te groot en welke te klein. Welke zijn onzin en welke zijn waar. Je brengt het allemaal weer in normale proporties. Tot de orde in je kop zich herstelt. Tot de mist in je hoofd weer optrekt. Tot je weer je scherpte terug hebt. Tot je weer voldoende bent ontdwaasd om je verbazende werkelijkheid weer aan te kunnen.

Pas dan kom je weer in beweging en hervat je jouw koers. Niet die van een ander, maar die van jou zelf.

Slepen

Mijn leven is natuurlijk helemaal niet zo zwaar als hij voelt. Al relativerende maak ik mijn leven maar zo draaglijk mogelijk. Maar toch voelt het alsof ik me niet voort beweeg, maar sleep.

Ik probeer me uit alle macht los te trekken, maar ik lijk maar niet los te kunnen komen. Ik wijt het aan mijn twijfelachtige besluitvaardigheid. De door te hakken knopen zijn gewoon te levensgroot. En misschien is mijn bijl te bot. Verbeten hou ik hem in mijn vuist geklemd. Als ik hem naast me neer leg, pak ik hem misschien wel nooit meer op.

Vorige week heb ik er een helse knoop mee doorkliefd. Dat had maanden geleden al moeten gebeuren, maar het ontbrak me aan overzicht en daardoor aan moed. De maat was meer dan vol, dus de knoop móest eraan geloven.

Nu heb ik eieren voor mijn geld, maar ik kom niet op mijn besluit terug. A is gezegd. Nu komt B. Het voelt goed om de stap te hebben gezet. Ik richt me op de voorwaartse beweging. Ik richt me op mijn horizon. Stug door blijven slepen.

Vreemd

Bijzonder eigenlijk hoe twee mensen zo van elkaar vervreemd kunnen raken. Het is net alsof de lange periode waarin we alles behalve vreemden voor elkaar waren, niet heeft bestaan. Maar ik heb ook twijfels over die periode. In een relatie zou je elkaar toch alle nodige ruimte moeten geven om jezelf te kunnen worden en zijn? Heb ik die ruimte wel genoeg gegeven? Heb ik die ruimte zelf genoeg gekregen en gebruikt? Konden we wel echt onszelf zijn?

Ik voelde me in ieder geval steeds meer vervreemd van mezelf. Mijn leven was wat ik dácht dat het moest zijn. Ik kleurde het conformistisch roze. Spanningen schudde ik van me af. Maar soms schudde ik zo hard dat mijn hele gezin op haar grondvesten mee schudde. Onwerkelijke herinneringen. Buitenshuis en op mezelf was ik veel meer mezelf. Dus vluchtte ik vaak het huis uit om troost te zoeken bij mezelf. Een uur wandelen bracht me meestal wel weer tot mezelf. Die vervreemde versie van mezelf was dan na thuiskomst meteen weer een tijdje gedimd.  

Het woord “vreemd” vind ik trouwens ook weer zo’n woord waarvan de klank precies goed bij de betekenis past. En het rijmt van nature op ontheemd. Taal is soms zo treffend.

Mijn 2020

Het jaar waarin…
ik een extra geluksdag heb
ik nóg vaker in de roos schiet
ik huppel in mijn wijdse weide
ik nóg vrijer fluiten zal
ik de horizon weer tegemoet fiets
ik weer een tintje dieper vergrijs
ik precies een halve eeuw vol maak
ik me de koning nóg te rijker ga voelen
ik steviger sta dan ooit
ik mijn schatten nóg liever heb
ik met nóg vollere teugen geniet
ik nóg meer verstil en luister
ik weer meer verschil voel
ik zelfs jou niet veroordeel
ik nóg krachtiger vooruit beweeg
ik mijn horizon verder verbreed
ik niets verwacht en alles accepteer
ik mag barsten van onbescheidenheid



Gewoon overnieuw

Sinds ik geen curling vader meer wil zijn die zijn kinderen nogal dwangmatig wilde behoeden voor fouten die hij zelf wel aan de lopende band maakte, ga ik met mijn kinderen in gesprek. Zo kreeg ik een gesprek met mijn jongste zoon over zijn netflixgebruik na klachten van de andere kinderen over mijn trage internetverbinding. Nu is mijn internetband ruim 3 keer zo breed als bij hun moeder, maar mijn wifirouter kan de enorme bandbreedtehonger van mijn vier kinderen maar amper aan. En Netflix hakt de bandbreedte met gemak in tweeën zodat de rest te maken krijgt met langere downloadtijden en schokkende video. Volgens dochterlief zat haar kleine broertje naar één of andere stomme film op netflix te kijken. Jumanji ofzo. Dus ik verlangde van mijn zoontje dat hij mij voortaan even zou vragen of het goed was als hij even een filmpje op netflix ging kijken. Leek mij helemaal niet onredelijk. Ook moest hij de film die hij aan het kijken was, de volgende dag maar even uit gaan kijken, want de dagelijkse schermtijd was al ruimschoots overschreden. Mijn aanname was dat hij inderdaad Jumanji keek, maar dat had ik niet gecheckt.

De volgende dag vroeg de kleine man dus of hij nog even zijn film mocht uitkijken. Daarmee voldeed hij helemaal aan mijn verwachting. Een tijdje later wilde ik weten hoe lang zijn film nog duurde, dus ik tikte hem op zijn schoudertje. Op zijn schermpje zag ik een animatiefilm, en dat is Jumanji bij mijnweten niet. Dus ik vroeg hem verbaasd waarom hij me niet had gevraagd of hij een nieuwe film mocht gaan beginnen. Maar hij beweerde dat hij dat wel degelijk had gevraagd. “Nou ja, gezegd”, maakte hij ervan. Mijn achterdocht sloeg daar meteen van aan dus ik concludeerde dat hij tegen me zat te liegen. En toen hadden we natuurlijk dikke mot. De kleine man schreeuwde me woedend in mijn gezicht dat ik zelf zat te liegen. Daar hadden we de poppen aan het dansen. In een poging de machtsbalans te herstellen zei ik hem dat hij moest stoppen met zijn geschreeuw of anders kon hij wel even buiten gaan afkoelen. Dat maakte geen indruk natuurlijk. Even later stond hij dus buiten de deur te tieren. De deurbel bleek een veel te handige manier om mij vervolgens te ergeren, dus die schakelde ik uit. Maar toen beukte hij maar gewoon op mijn voordeur. Heilloze zaak natuurlijk. Kak. Ga dan maar even in de slaapkamer afkoelen. Daar kroop hij verbolgen onder de dekens.

Een half uurtje later kwam ik bij hem zitten en aaide hem over zijn bol. “Gaat het weer, vent?”, vroeg ik hem. Zijn hoofd knikte langzaam onder mijn aai. En hij wou ook wel een knuffel. En nu we weer rustig met elkaar konden praten vroeg ik hem of hij me gewoon nog eens rustig zijn kant van het verhaal wilde vertellen. Daarna mocht ik mijn versie ook vertellen. Onze verhalen verschilden eigenlijk maar op één klein puntje, namelijk de naam van de film die hij aan het kijken was. We zaten helemaal niet mijlen ver uit elkaar. Maar we hadden wel een beetje een patstelling over dat liegen, zei ik. Ik gaf toe dat ik niet had gecontroleerd of hij daadwerkelijk Jumanji aan het kijken was. En toen vroeg ik hem wat hij dacht dat we nu moesten doen. “Nou, gewoon overnieuw beginnen, want dat doe je bij een remise”, zei hij. Ventje plat geknuffeld. Wijze les voor pa.

Argwaan

Op een schaal van naïef tot paranoïde zit ik volgens mij links van het midden. Misschien zelfs te veel naar links. Maar ik schiet radicaal naar rechts als iemand mij iets wil verkopen. Maximale argwaan. Ik vertrouw geen enkele verkoper. Als mij in de winkel wordt gevraagd of men mij ergens mee kan helpen zeg ik ook steevast: als ik hulp nodig heb, vraag ik het wel. Laat me alsjeblieft gewoon rustig snuffelen. Voor marketeers voel ik regelrechte haat. Geld-uit-de-zak-kloppers zijn het. Leur ergens anders met je prullaria. Vlieg op met je gelikte praatjes want ik geloof je bij voorbaat niet. Deze mensen worden gedreven door bonussen. Ze werken vanuit hun eigen belang, niet die van de consument. Ze verkopen om het verkopen. Een goed product verkoopt zichzelf, zegt mijn innerlijke boomer. Reclame voor een product is prima, zolang het maar niet opdringerig wordt. Ik heb ook een grondige hekel aan schreeuwreklame. Ik hoor daarin alleen maar de boodschap: koop dure spullen die je niet nodig hebt! Van gerichte reclame schiet ik ook meteen in de argwaanstand. Vandaar dat ik alle digitale reklame zoveel mogelijk blokkeer. En tóch zou mijn koopgedrag dan nóg beïnvloed zijn. Ik overweeg kluizenaarschap.

Communicatiestoornis?

Tijdens mijn rijlessen (ergens in de oertijd) hamerde mijn instructeur erop dat je in het verkeer niet duidelijk genoeg kan zijn. De auto heeft de volgende middelen om signalen aan andere weggebruikers mee te kunnen geven: knipperlichten, toeter, remlichten, achteruitrijlicht, groot licht. En natuurlijk kan met handgebaren ook het nodige worden duidelijk gemaakt. Voor een optimale werking van de handgebaren moet eerst oogcontact worden bewerkstelligd. Dat weet iedereen. Desondanks gebaren mijn handen regelmatig grote signalen van verbijstering zonder dat ik controleer of er wel oogcontact is. Stom natuurlijk.

Mijn verbijstering betreft nogal vaak het gebrek aan knipperlichtsignaal tijdens inhaalmanoeuvres. De logica achter dit gebrek aan communicatie ontgaat me. Het begrijpen van de beweegredenen om geen richting aan te geven begint de vorm van een obsessie aan te nemen. Help me! Is het een nieuwe vorm van zogenaamde coolheid? Is het peuteren in de neus belangrijker? Is het knipperlichtpookje aan het stuur defect? Is het domweg luiheid? Of gewoon argeloosheid? Persoonlijk vermoed ik sterk dat het een hardnekkige communicatiestoornis is. Ik probeer me er maar niet aan te ergeren, maar ik voel wel steeds kramp in mijn middelvinger. Mijn rijinstructeur moest eens weten.

Penny Master

Zo ongeveer precies 25 jaar geleden richtten twee studiematen en ik, onder de vlag van de Fysisch Mathematische Faculteitsvereniging (FMF) van de RuG, een commissie op die een kleine buitenlandse excursie ging organiseren. Naar het mooie Dublin. Ik, The Penny Master, zorgde voor de benodigde pegels. Maakte de begroting. Wierf fondsen, betaalde rekeningen. Dat ging me goed af. Ik was zeker van mijn zaken. Draaide mijn hand er niet voor om.

Die studiematen en ik zijn nog immer dik bevriend. Eirebuddies for life. Mijn exlief nam trouwens ook deel aan de studiereis. In Dublin werden we smoorverliefd. Hand in hand liepen we langs de Liffy. Zoenden elkaar voor het eerst. Allemaal in Dublin. Die relatie liep op de klippen, maar dat is bekend. Ik ben al verder.

Die aardedonkere periode van mijn depressie lijkt haast wel onwerkelijk. Ik weet dat het echt is gebeurd. Nog geen twee jaar geleden. Ik was verward en dacht dat ik het leven niet meer waard was. Gelukkig was ik ook daar cynisch over. Het was ook te absurd voor woorden. Ook absurd is dat ik me in alles onzeker voelde.

Waar is die zelfverzekerde penningmeester van toen gebleven? Nou, gewoon hier. Nooit echt weg geweest eigenlijk. Alleen maar kwijt. En wat ik toen kon, kan ik nu ook weer. Dus ben ik sinds kort wederom Penny Master. Na al die jaren. Nu van een gezellige vereniging van handboogschutters. Vrienden eigenlijk. Daar doe ik het voor.