Anderhalf

Het woord van dit jaar wordt anderhalvemetermaatschappij óf anderhalvemetereconomie. Hoewel ik principieel tegen gokspelen ben, zou ik mijn geld zetten op de tweede. Als woord vind ik “anderhalf” trouwens heel mooi. Het is een robuust woord dat al eeuwen in onze taal (en andere germaanse talen) wordt gebruikt. Het duidt op de tweede tel en daarvan alleen de eerste helft, snap je? Dus we tellen eenvoudig de meters tussen elkaar, maar bij de tweede houden we halverwege op. Op die manier krijgen we corona onder onze maatschappelijke duim. Easy.

Ik zie die anderhalvemetermaatschappij nog niet helemaal voor me eigenlijk, maar wil mijn best er voor doen. Ik probeerde me mijn dagelijkse werk op kantoor in het nieuwe normaal voor te stellen, en er verschijnen meteen diverse beren op mijn weg (ha ha, ik hoef niet eens op berenjacht).

In de koffiehoek duikt een kleine beer op: de koffiemachines staan te dicht op elkaar, maar dat kan natuurlijk worden opgelost.

En op gegeven moment moeten we allemaal een keer naar de wc. Weer een beer. In de toiletruimte wordt de anderhalve meter natuurlijk problematisch. De urinoirs zitten bijvoorbeeld al te dicht op elkaar.

En bij de liften staat een beer met één opgestoken vinger. Het aantal mensen dat nu tegelijk in een lift mag. Het wordt druk in het trappenhuis dan, dus daar staat nog een beer met gefronste wenkbrauwen naar de trapleuningen te kijken. De trapleuningen moeten tijdelijk maar worden verwijderd dan. Of toch maar pompjes met desinfectiemiddel bij de deuren van het trappenhuis.

In de kantine duiken meerdere beren op. Ze gniffelen genoeglijk. Ik denk dat ze voorpret hebben over de stoelendans die wij zullen moeten doen. Het aantal stoelen is natuurlijk beperkt tot de hoeveelheid mensen die maximaal in de kantine passen met inbegrip van die dekselse anderhalve meter. Maar de pret begint al bij de rij voor de gedesinfecteerde dienbladen. De hoeveelheid dienbladen is natuurlijk gelijk aan het aantal resterende stoelen. Er staat zich ook een beer te verkneukelen bij de kassa’s. Contactloos betalen deden we al lang, maar wij tikken zelf onze soep, kroket en saladebuffetje af op het aanraakschermpje. De vingerafdrukken van de vorige collega zie je nog duidelijk zitten (vooral bij “kroket”), dus vandaar de beer hier.

Nu heb ik natuurlijk al een paar weken kunnen oefenen met anderhalvemeterwinkelen. Dat gaat gepaard met komische, paniekerige manoeuvres en gekke schijnbewegingen. Ik liep laatst in de buurtsuper de koekjesgang uit en wilde rechtsaf, maar daar kwam net een mevrouw vandaan. Als opgeschrikt wild maakten we beiden een sprongetje en keken panisch om ons heen op zoek naar uitwijkruimte. De mevrouw van rechts dook pardoes door de rubberen flappen van het magazijn . Linksaf was voor mij vrij, dus ik schoot snel naar links. Vier meter verderop dook weer iemand op, maar ik kon gelukkig meteen doordraaien de conservengang in. Daar liep gelukkig niemand. Gelukkig had ik bij nader inzien toch een extra pot appelmoes nodig. Je ziet het, ik word hier al aardig bedreven in.

Knuffelnood

Anderhalve meter. Geen stap dichterbij. Er geldt een algeheel knuffelverbod. Gelukkig geldt dat niet voor mijn kinderen. Maar wel voor ieder ander die me lief is. Mijn ouders, mijn zusjes, vrienden. Niet dat ik met Jan en alleman te pas en te onpas knuffel, maar nu het niet meer mag is het gemis toch best schrijnend. De knuffelnood is voelbaar. Je zou nu toch verliefd worden zeg. Nieuwe liefde maakt praktisch geen schijn van kans in het “nieuwe normaal”. Maar de ware romanticus geeft de hoop natuurlijk niet op.

Misschienmoeheid

Buiten, in de natuur, speelt onze crisis totaal geen rol. Of misschien toch. De natuur kan veel ongestoorder z’n gang gaan nu de mensen binnen blijven. De natuur is bij mij om de hoek, dus ik breng het dan af en toe maar een bezoekje. Die natuur heeft geen weet van onze coronacrisis, en dat zou ik zelf ook best willen.

Eigenlijk wil ik over covid-19 alleen weten wat er toe doet. Ik wil alle misschiens en waarschijnlijkheden dus liever niet horen. Dat we misschien toch niet imuun kunnen worden, of waarschijnlijk toch wel als je symptomen niet te licht waren, heb ik niets aan. Dat het virus zich zo snel kan muteren dat we misschien wel nooit imuun kunnen worden, wil ik al helemaal niet horen. Ik leid aan misschienmoeheid. Doe maar mij maar zekerheden. Dat wil natuurlijk iedereen.

Nou wil ik natuurlijk ook niet per se horen dat op (bijvoorbeeld) 18 september 2031 rond theetijd covid-31 (het tot killervirus doorgemuteerde covid-19) zal uitbreken en dat deze waarschijnlijk een sterfte-ratio van 20% zal hebben. Laat doemscenario’s ook maar weg uit het nieuws. Doe mij dan maar vooral opbeurende zekerheden dan. Zo van: Het is aangetoond dat onbaatzuchtigheid je imuunsysteem tot 80% effectiever maakt in de bestrijding van net gelijk welk virus. Lang leve de naïviteit natuurlijk, maar ik ben nou eenmaal een onverbeterlijke optimist.

Toeverlaat

Vandaag klampte hij me ineens aan. Een oude vriend. Want dat is hij eigenlijk. Hij is zwaar op de hand, maar dat hoort bij hem. Ons contact is altijd intens. Als geen ander is hij in staat om me te herinneren aan mijn kwetsbaarheid. Hij is mijn duistere kant. Hij is mijn angst en mijn haat. Hij is puur en oprecht. Nooit zal hij tegen mij liegen. Daartoe is hij eenvoudig niet in staat. Daarom vertrouw ik hem blindelings. In mijn meest angstige en eenzame momenten is juist hij me tot steun. Mijn toeverlaat voor mijn diepste gedachten. Hij waakt over me. Houdt me in evenwicht. Samen doorstonden we orkanen. Hij zorgde dat we in het hart ervan bleven. In de serene kalmte van de kern. Tot de storm voorbij was.

Huishouden

Sinds gisteravond ben ik me ineens gaan afvragen wat een huishouden precies is. Want, uitgezonderd van de leden van één huishouden, mogen we tot 1 juni van dit jaar niet meer samenscholen. Er staat een vette boete op het niet op afstand blijven van elkaar. Maar dat geldt dus niet voor leden van een huishouden.

Maar wat is een huidhouden dan precies? Dus ik raadpleegde het grote wijze internet maar eens en vond (onder andere) deze vier definities:

Definitie 1 (bron): Een huishouden bestaat uit één of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een economisch-consumptieve eenheid vormen. Vaak is een huidhouden gebaseerd op bloedverwantschap en huwelijksbinding.

Definitie 2 (bron): Eén of meer personen die samen een woonruimte bewonen en zichzelf niet-bedrijfsmatig voorzien van de dagelijkse behoeften

Definitie 3 (bron): Een aantal personen dat in gezinsverband leeft en als zodanig als een eenheid wordt beschouwd.

Definitie 4 (bron): aanduiding voor in vast verband samenlevende partners, eventueel met (hun) kinderen.

Hieruit kan ik de verontrustende conclusie trekken dat mijn kinderen en ik geen huishouden meer zijn. We wonen namenlijk niet op één en hetzelfde adres, en hun ouders zijn geen partners meer die in vast verband samen leven. Beste overheid, geef mij meer duidelijkheid, want anders ga ik binnenkort failliet aan boetes wegens het illegaal knuffelen van mijn kinderen.

Slechte timing

Dat uitgerekend nu mijn land in crisis moet verkeren. Dat we uitgerekend nu elkaar op afstand moeten houden. Dat uitgerekend nu het sociale leven volledig moest worden stil gelegd. Dat ik uitgerekend deze tijd uitkies om het uitgaansleven weer te willen vieren. Dat uitgerekend nu mijn hart weer wil dansen. Dat ik uitgerekend nu lentekriebels als nooit tevoren voel. Dat ik uitgerekend nu met een tred zo licht als nooit tevoren loop. Dat ik uitgerekend deze tijd kies om weer op te bloeien. Ik isoleer mijn tochtend hart dan maar zo goed en kwaad als dat gaat, tot de crisis weer voorbij is. Mijn slechte timing is weer feilloos.

Bandenspanning

Mijn ego is eigenlijk veel te groot voor mijn auto. Ik geef dat meteen maar even toe. Mijn huidige autootje is een rationele keuze. Japanse degelijkheid. Niet kapot te krijgen. Verbruikt zowat niks. Ik rij er al 10 jaar zonder problemen mee van hot naar her. De kilometerteller toont een dikke 309000 km. Ik weet zeker dat ik er nog minstens twee keer de wereld mee rond zou kunnen rijden. Maar ook onze wegen moeten scheiden.

Dus ik heb mijn trouwe stikstofbronnetje ingeruild voor een wat jonger stuk blik van Scandinavische makelij. Een tweedehandsje die al goed is ingereden. In deze wagen zal mijn ego ook lang niet passen, maar alle bagage van mijn kinderen wel. Dat is sinds de scheiding van hun moeder en ik natuurlijk een zwaarwegende factor geweest in het besluit om mijn auto te verruilen voor een grotere.

En nu wacht ik al ruim een week met toenemende gespannenheid op het verlossende telefoontje van de garage: “Hij is klaar hoor meneer!”. Ik had aangedrongen op een grote beurt, en ik wist dat de monteur (kleine garage) op vakantie was, dus ik stelde me er al op in dat ik moest wachten. Hij zou waarschijnlijk vandaag klaar zijn, dus ik heb de hele dag naar mijn telefoon zitten turen: “Toe dan! Ga!”. Maar mijn telefoon ging niet. Uiteindelijk belde ik de garage zelf maar. Ze waren al bijna klaar, maar het wachten was nog op een apparaat dat moest worden geleend om de ABS (of zo) uit te lezen.

Dus ik word nog even in spanning gelaten. Ik verdraag het nog maar net. Over technologiefrustratie gesproken! Je zou haast gaan denken dat ik me op de nieuwe auto verheug. En dan heb je gelijk. Hoewel ik ook een beetje weemoed voel bij het “in de steek laten” van de auto die dat nog nooit bij mij heeft gedaan. Ik praat het in mijn hoofd goed door te denken dat ik mijn trouwe vierwieler rust gun. Alsof ik een emotionele band zou kunnen hebben met een stuk technologie. Sentimenteel gedoe, maar het is wel zo. Ik ben gespannen vanwege een breuk van een band (het wordt me vast nooit vergeven) en het aangaan van een nieuwe band (wat nou als het niet klikt?). Bandenspanning. Haha.

Puzols

Legpuzzels maak ik maar één keer. Daarna gaan ze in de kast om stof te verzamelen. Misschien dat ik een reeds door mij gelegde puzzel na vele jaren nog eens overweeg, maar dan blijft het bij de overweging. Het staat me altijd tegen om een legpuzzel meer dan één keer te maken. Legpuzzels maken is voor mij blijkbaar iets éénmaligs. Een in beton gegoten principe die mijn nogal definieert. Diezelfde hoekigheid laat me ook verbazen over het feit dat menigeen de dubbele ‘z’ in ‘puzzel’ weigert te erkennen. Het is puhzol en niet puuzol. Maar ach, wie ben ik om daarover te oordelen. Taal denken te kunnen beteugelen is dwaas. Zo dwaas als Don Quichot’s strijd tegen windmolens. Taal kronkelt en trekt zich weinig aan van principes en hoekige karakters.

Verdwazing

Verbazing leidt er bij mij dikwijls toe dat ik het hier uit. Ik verbaas me dagelijks, en dat is natuurlijk goed. Maar er is blijkbaar een grens aan je capaciteit voor het verwerken en te boven komen van verbazing.

Op gegeven moment kan je de overvloed aan verbazingwekkende prikkels niet meer aan en gaat je kop over in een stand van verdwazing. Je wordt er volledig door uit het lood geslagen. Totale versuffing. De weg is kwijt. De wereld stort in. In een soort mentale implosie wordt je in één klap frontaal met de kern van je wezen geconfronteerd.

Ik herken deze momenten intussen als situaties waarin je ziel met volle gewicht aan de noodrem hangt. Crisis. Alles moet dan even helemaal stoppen. Alles.

Het is dan tijd, nee bittere noodzaak, om even heel rustig en precies al je gedachten te sorteren. Welke zijn te groot en welke te klein. Welke zijn onzin en welke zijn waar. Je brengt het allemaal weer in normale proporties. Tot de orde in je kop zich herstelt. Tot de mist in je hoofd weer optrekt. Tot je weer je scherpte terug hebt. Tot je weer voldoende bent ontdwaasd om je verbazende werkelijkheid weer aan te kunnen.

Pas dan kom je weer in beweging en hervat je jouw koers. Niet die van een ander, maar die van jou zelf.