Taal

Struikelpartijen over taalkronkels

Weg van

Waar ben je dan, als je van iets (of iemand) weg bent? Niemand zegt dat er even bij, terwijl dat misschien best iets toevoegt. Bijvoorbeeld: “Ik ben helemaal weg van je nieuwe schoenen, als je me nodig hebt, ik ben in mijn boomhut”. Dat “helemaal” geeft trouwens ook te denken. Kan je ook ten dele weg zijn? En als je van iemand weg bent, wil je daar toch eigenlijk helemaal niet ver bij uit de buurt zijn? En nu ik erover nadenk klinkt “bij iemand weg gaan” ineens ook erg tegenstrijdig. Bij versus weg. Ik hoor mensen ook wel eens zeggen dat ze even helemaal weg moeten zijn van alles. Onverschillige types, die mensen, maar gelukkig zijn ze dat dan maar tijdelijk.

Met een schuin oog

“Als ik met een schuin oog naar de klok kijk, zie ik dat we niet heel veel tijd meer hebben”, zei iemand laatst in een vergadering. Hij zei er nog wat dingen achteraan, maar ik was blijven steken bij “met een schuin oog kijken”. Mijn hoofd ging erop aan. Hoezo schuin kijken met één oog? Dat andere oog gaat toch vanzelf mee schuin staan? Of is het de bedoeling dat ik die andere dichtknijp terwijl ik met die andere schuin kijk? De kwestie liet me niet meer los. Natuurlijk moet ik het niet zo letterlijk nemen, maar ik kan het niet helpen. Mijn hersenen struikelen er gewoon over. Het zit scheef en iedereen weet dat. Waarschijnlijk moet ik hier maar weer gewoon een oogje toeknijpen en het met mijn andere oog schuin door de vingers zien.

Leven op de rit

Een succesvol leven zit schijnbaar op de rit. Een leven naast de rit is gedoemd te mislukken. Naast de rit ben je voor velen ook niet aantrekkelijk blijkbaar. Ik worstel eigenlijk vooral met “dé rit”. Dat is namelijk nogal specifiek en tegelijk ook volkomen algemeen. Het lijkt me dat je je leven niet op de verkeerde rit kunt hebben. Toch? Dan zou ik voor de zekerheid mijn leven op iedere rit die ik maak hebben. Voor ik vertrek pak ik mijn sleutels, portemonnee, telefoon en leven. Je kan op je vingers natellen dat ik een keertje mijn leven vergeet.

Het leven moet op dé rit dus. Niet zomaar een rit. De hoofdrit. De überrit. Niet de reis van je leven, maar de rit die de rode draad moet vormen van je bestaan. De rit is uiteraard een recht pad. Op die rit zit je leven. En als je leven daar niet op zit, dan is er met dat leven iets mis. En aan de rit ligt het dan in ieder geval niet, dat is zeker.

Vanzelfsprekend hebben mensen die hun leven op de rit hebben ook alleen maar keurige, droge schaapjes die zorgeloos staan te grazen in de wei. Keurigheid is denk ik wel de centrale waarde die hoort bij het op de rit hebben van je leven. Mensen met hun leven op de rit kunnen een ergerlijke, zelfingenomen tronie hebben. Maar als je dat denkt, dan is je afgunst aan het woord, loser met je leven op de verkeerde rit…

Onvolkomenheden

Gek hoe een volkomen normaal woord ineens heel vreemd klinkt. Dat overkomt me dikwijls, en deze ochtend om onverklaarbare reden ineens ook bij “onvolkomenheden”. Ik werd er min of meer mee wakker. Mijn brein bevond zich nog in een halve sluimerstand. In mijn hoofd liepen op dat moment de betekenissen van onvolkomen en onvoltooid door elkaar. Nee, het was eerder een ontmoeting. Als twee honden snuffelden de woorden aan elkaars achterste. In een vage, filosofische droom waar ik op dat moment uit ontwaakte zei iemand in een interview op televisie dat een Stradivarius en een Perzisch tapijt met elkaar gemeen hebben dat ze elk uniek én imperfect zijn. “Logisch”, dacht ik half wakker, “onvolkomenheden maken dingen en mensen authentiek”. En iets dat onvolkomen is, is nog niet helemaal voltooid. Daardoor klonk “onvolkomenheden” in mijn hoofd plotseling als een synoniem voor onvoltooid tegenwoordige tijd. Je zou toch maar zo wakker worden. Gebeurt me dus wel eens. Een authentiek weeffoutje.

Snelpraat

Vergeleken met mijn dochter praat ik dus in slow motion. Het aantal woorden per seconde ligt bij mijn dochter een factor 4 tot 6 hoger dan bij mij. Het is me opgevallen dat meiden in dezelfde leeftijd sowieso een ontzettend hoog spreektempo hebben. Mijn “steekproef” bestaat uit mijn dochter, een nichtje van dezelfde leeftijd en wat ik verder langs hoor komen babbelen op straat, in de winkel en op televisie. Ik ken op zich ook mannen met een hoog spreektempo, maar aan de meiden kunnen die niet tippen.

Ik merk dat het me moeite kost om de snelpraat van mijn allerliefste dochter te volgen. Ik knik zo goed mogelijk op haar ritme mee, maar we raken binnen luttele seconden uit fase. De woorden komen zo snel uit haar mond dat ze in mijn beleving beginnen te overlappen. Ik ben nog bezig met de verwerking van een woord terwijl zij al halverwege het volgende woord is.

Zo vroeg ze laatst: pabbamahikuhghoeghje? Voor ik er erg in had dat ze iets tegen me zei, was het al over haar lippen gegaan. In een fractie van een seconde. Ik zweer het je. Ik meende een opgaande toon te horen aan het einde, dus ik nam aan dat het een vraag was. Haar verwachtingsvolle blik was ook een duidelijke aanwijzing. Aan mijn wazige blik was blijkbaar duidelijk af te lezen dat ik het totaal niet had verstaan, dus ze zei in slow motion: “Papaaaah? Màààg ìììkkk uhnnn koeoeoekkkjuh?”

Ik plaag haar er natuurlijk regelmatig mee. Dan zeg ik dat ze zo snel praat dat haar eigen mond het niet eens kan bijhouden. “Je mondje is nog bezig met het afmaken van het ene woord, maar moet al beginnen aan het volgende woord. Je hebt vast spierpijn in je kaken vanavond!”. Ik word dan altijd beloond met de mooiste frons die ik ken.

Waarom praten meisjes uit mijn referentiegroep (pubermeiden van 13 jaar en ouder) eigenlijk zo snel? Of luister ik gewoon te langzaam? Als je dat aan die meisjes vraagt zal dat natuurlijk in zeer hoog tempo resoluut worden bevestigd. Maar misschien willen ze gewoon de kans maximaliseren dat alle woorden gezegd kunnen worden. Misschien is dat hun manier om om te gaan met het feit dat vaders en andere slome figuren ze steeds onderbreken. Het leven is natuurlijk ook veel te kort om alles te zeggen, dus zeggen ze alles maar heel erg snel. Voordat het niet meer kan. Duh!

Wrevelwoorden

Wroeten is een woord dat qua klank geweldig goed past bij de betekenis ervan. Bij wroeten stel ik me een woest gegraaf met je beide handen voor. Of lekker met je spitse neus, luid snuivend, als je geen handen hebt. Wie wroet is naarstig op zoek naar iets. Wroeten heeft iets groezeligs. Woorden die met “wr” beginnen gaan wel vaker over ongenoeglijke zaken, bedacht ik me. Wrak, wrat, wroeging, wrikken, wrok, wreken. Allemaal wrevelwoorden. Wroeten is eigenlijk vooral een wrevelwoord als iemand anders met z’n neus in jouw zaken zit te wroeten.

Toen ik laatst de kinderen weer terug naar hun moeder transporteerde (enigszins wrevelig, zoals wel vaker bij die autoritjes), gooide ik dit idee eens in de groep. Ik vond uiteraard weerklank. Dus ik voelde me aangemoedigd om een stapje verder te gaan. Bij woorden die met “vr” beginnen is het eigenlijk ook zo, oreerde ik. Zoals vrek, vrees, vreten, vriezen en, en, en…eh, wat eigenlijk nog meer? Waarop mijn zoon me droogjes aanvult: vrouwen? Toegegeven, daar moest ik smakelijk om lachen, maar het kwam hem natuurlijk wel op een kleine, corrigerende berisping te staan.

Gebeur ik te vergeten

Vlak voor ik in slaap val, kronkelt er vaak een gekke gedachte door mijn hoofd. In mijn geval zijn dat eigenlijk altijd taalkronkels. Daar hou ik namelijk van. Slaperig maak ik vol vertrouwen in het vermogen van mijn op dat moment ook al half slapende geheugen, een mentale notitie om de verwondering te onthouden. Zodat ik er de volgende dag iets over kan schrijven. Maar de volgende ochtend kijkt mijn geheugen me enigszins geërgerd aan. Het had alleen maar onthouden dat het iets moest onthouden. Een of andere geniale ingeving of zo. Echt handig om iets te willen onthouden vlak voor je in slaap valt. Ooit gehoord van een notitieboekje?

Maar een paar dagen later schiet mijn “geniale ingeving” mijn geheugen ineens te binnen. Net voor ik de deur uit wil gaan. “Pak een pen en een stuk papier”, commandeert mijn geheugen. Zonder daarop te wachten dicteert het mijn ingeving aan me terug. De genialiteit valt tegen, maar de verwondering was er wel weer. Hou je vast, hier komt het: Mensen kunnen niet geschieden, voltrekken of gebeuren. Wonderen voltrekken zich. Mensen niet. Iemands wil kan geschieden, maar de eigenaar van die wil dus niet. Rampen, ongelukken, en overstromingen gebeuren. En vast ook heel veel leuke dingen, maar nooit mensen.

In het Engels kunnen mensen wel gebeuren, maar alleen in combinatie met een tweede werkwoord. I happen to like this music. Vaak is het een manier om sarcasme te uiten: I happen to live in this house too. Die happenings zijn allemaal “toevallig” als we dat naar het Nederlands vertalen. Toevallig hou ik van deze muziek. Toevallig woon ik hier ook. Of ook lekker sarcastisch: Ik schijn hier blijkbaar niet te wonen. Maar goed, wij gebeuren in goed Nederlands niet. Ook niet als het om houden van muziek gaat. Ook moest ik denken aan een populair dialoogje in Amerikaanse films: Iemand ziet een enorme chaos en vraagt “What has happened here?”, met als antwoord bijvoorbeeld: “You did”. In Amerika kunnen mensen gebeuren. Prima. Maar in het Nederlands is het onzin.

Een tijdje geleden hoorde ik op de radio de nieuwslezer zeggen dat er een kettingbotsing was gebeurd. Dat voelde dan ook weer niet goed. Kettingbotsingen ontstaan of zijn, maar gebeuren niet. Hoe rampzalig kettingbotsingen ook zijn, ze geschieden niet en voltrekken zich ook niet. Dat hebben kettingbotsingen dan mooi gemeen met mensen. Toch nog iets opgehelderd. Ik gebeur daarvan te houden, van helderheid. Wat een geluk dat mijn geheugen zich de gedachtenkronkel gebeurde te herinneren die ik gebeurde te zijn vergeten.

Anderhalf

Het woord van dit jaar wordt anderhalvemetermaatschappij óf anderhalvemetereconomie. Hoewel ik principieel tegen gokspelen ben, zou ik mijn geld zetten op de tweede. Als woord vind ik “anderhalf” trouwens heel mooi. Het is een robuust woord dat al eeuwen in onze taal (en andere germaanse talen) wordt gebruikt. Het duidt op de tweede tel en daarvan alleen de eerste helft, snap je? Dus we tellen eenvoudig de meters tussen elkaar, maar bij de tweede houden we halverwege op. Op die manier krijgen we corona onder onze maatschappelijke duim. Easy.

Ik zie die anderhalvemetermaatschappij nog niet helemaal voor me eigenlijk, maar wil mijn best er voor doen. Ik probeerde me mijn dagelijkse werk op kantoor in het nieuwe normaal voor te stellen, en er verschijnen meteen diverse beren op mijn weg (ha ha, ik hoef niet eens op berenjacht).

In de koffiehoek duikt een kleine beer op: de koffiemachines staan te dicht op elkaar, maar dat kan natuurlijk worden opgelost.

En op gegeven moment moeten we allemaal een keer naar de wc. Weer een beer. In de toiletruimte wordt de anderhalve meter natuurlijk problematisch. De urinoirs zitten bijvoorbeeld al te dicht op elkaar.

En bij de liften staat een beer met één opgestoken vinger. Het aantal mensen dat nu tegelijk in een lift mag. Het wordt druk in het trappenhuis dan, dus daar staat nog een beer met gefronste wenkbrauwen naar de trapleuningen te kijken. De trapleuningen moeten tijdelijk maar worden verwijderd dan. Of toch maar pompjes met desinfectiemiddel bij de deuren van het trappenhuis.

In de kantine duiken meerdere beren op. Ze gniffelen genoeglijk. Ik denk dat ze voorpret hebben over de stoelendans die wij zullen moeten doen. Het aantal stoelen is natuurlijk beperkt tot de hoeveelheid mensen die maximaal in de kantine passen met inbegrip van die dekselse anderhalve meter. Maar de pret begint al bij de rij voor de gedesinfecteerde dienbladen. De hoeveelheid dienbladen is natuurlijk gelijk aan het aantal resterende stoelen. Er staat zich ook een beer te verkneukelen bij de kassa’s. Contactloos betalen deden we al lang, maar wij tikken zelf onze soep, kroket en saladebuffetje af op het aanraakschermpje. De vingerafdrukken van de vorige collega zie je nog duidelijk zitten (vooral bij “kroket”), dus vandaar de beer hier.

Nu heb ik natuurlijk al een paar weken kunnen oefenen met anderhalvemeterwinkelen. Dat gaat gepaard met komische, paniekerige manoeuvres en gekke schijnbewegingen. Ik liep laatst in de buurtsuper de koekjesgang uit en wilde rechtsaf, maar daar kwam net een mevrouw vandaan. Als opgeschrikt wild maakten we beiden een sprongetje en keken panisch om ons heen op zoek naar uitwijkruimte. De mevrouw van rechts dook pardoes door de rubberen flappen van het magazijn . Linksaf was voor mij vrij, dus ik schoot snel naar links. Vier meter verderop dook weer iemand op, maar ik kon gelukkig meteen doordraaien de conservengang in. Daar liep gelukkig niemand. Gelukkig had ik bij nader inzien toch een extra pot appelmoes nodig. Je ziet het, ik word hier al aardig bedreven in.

Huishouden

Sinds gisteravond ben ik me ineens gaan afvragen wat een huishouden precies is. Want, uitgezonderd van de leden van één huishouden, mogen we tot 1 juni van dit jaar niet meer samenscholen. Er staat een vette boete op het niet op afstand blijven van elkaar. Maar dat geldt dus niet voor leden van een huishouden.

Maar wat is een huidhouden dan precies? Dus ik raadpleegde het grote wijze internet maar eens en vond (onder andere) deze vier definities:

Definitie 1 (bron): Een huishouden bestaat uit één of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een economisch-consumptieve eenheid vormen. Vaak is een huidhouden gebaseerd op bloedverwantschap en huwelijksbinding.

Definitie 2 (bron): Eén of meer personen die samen een woonruimte bewonen en zichzelf niet-bedrijfsmatig voorzien van de dagelijkse behoeften

Definitie 3 (bron): Een aantal personen dat in gezinsverband leeft en als zodanig als een eenheid wordt beschouwd.

Definitie 4 (bron): aanduiding voor in vast verband samenlevende partners, eventueel met (hun) kinderen.

Hieruit kan ik de verontrustende conclusie trekken dat mijn kinderen en ik geen huishouden meer zijn. We wonen namenlijk niet op één en hetzelfde adres, en hun ouders zijn geen partners meer die in vast verband samen leven. Beste overheid, geef mij meer duidelijkheid, want anders ga ik binnenkort failliet aan boetes wegens het illegaal knuffelen van mijn kinderen.

Puzols

Legpuzzels maak ik maar één keer. Daarna gaan ze in de kast om stof te verzamelen. Misschien dat ik een reeds door mij gelegde puzzel na vele jaren nog eens overweeg, maar dan blijft het bij de overweging. Het staat me altijd tegen om een legpuzzel meer dan één keer te maken. Legpuzzels maken is voor mij blijkbaar iets éénmaligs. Een in beton gegoten principe die mijn nogal definieert. Diezelfde hoekigheid laat me ook verbazen over het feit dat menigeen de dubbele ‘z’ in ‘puzzel’ weigert te erkennen. Het is puhzol en niet puuzol. Maar ach, wie ben ik om daarover te oordelen. Taal denken te kunnen beteugelen is dwaas. Zo dwaas als Don Quichot’s strijd tegen windmolens. Taal kronkelt en trekt zich weinig aan van principes en hoekige karakters.