Wriemel es met je teentjes?

We hadden even moeten oefenen
Jij en ik op het gazon
Met de voetzolen tegen elkaar
Eerst een klein knikkertje ertussen
Om te kijken hoe het zou voelen
Daarna voorzichtig een tennisbal
Even rustig wennen aan de afstand
Dan vooruit, die opblaasglobe
Jouw lieve voetjes down under
Mijn grote voeten op de lage landen
Maar we hebben niet geoefend
En nu zit de hele aardbol ertussen
Ik sta blootvoets in het gras
Mijn aandacht is bij jou
Wriemel es met je teentjes?

Powered by ScribeFire.

De Zure Victoria’s

Bij ons in de voortuin staat een grote pruimenboom. Een week of 5 geleden, voor wij op vakantie gingen, waren zijn takken al zwaar van de pruimen. Allemaal nog lang niet rijp. Het zijn overheerlijke Reine Victoria‘s, genoemd naar Queen Victoria. Na onze vakantie zouden de eerste pruimen al rijp zijn en zouden we tot achter in oktober nog pruimen kunnen plukken. Vorig jaar heb ik zeker een keer of 8 een wasteil vol pruimen geplukt van de takken waar ik bij kon. Veel te veel pruimen voor ons alleen. Liters pruimenjam heb ik gemaakt en aan vrienden en familie uitgedeeld.

Wie schetste onze verbazing toen wij dit jaar na onze vakantie bij de pruimenboom gingen kijken. Geen pruim meer te bekennen aan de hele boom! Zelfs niet aan de hoogste takken. Ook op het gras onder de boom viel afgekloven pruim noch pit te ontdekken. Wie of wat de dader ook moge zijn, hij nam of zij nam (of namen) geen halve maatregelen. Komplete leegroof en voor zover ik kan ontdekken ook geen sporen van de illustere dader(s).

Het vreemde is dat de pruimen nog niet eens halfrijp hadden kunnen zijn toen ze heimelijk werden geplukt. Ze waren dus nog bepaald niet te pruimen die pruimen. Het heeft de daders blijkbaar niets uitgemaakt. Misschien ging het ze wel specifiek om het pruimenzuur. Misschien zijn onze pruimen juist bedoeld om mensen zuur te houden, in plaats van zoet. Ik stel me nu ineens een gemeen gniffelende heksenkring voor dat ergens in de Drentse bossen, bij volle maan rond een ketel bubbelende zuurpruimenjam danst. Ze noemen zich “De Zure Victoria’s”. Afzichtelijke, oude  mopperpotten met vreselijk zure pruimen…

Queen Victoria (Bron: Wikipedia; ze kijkt eigenlijk verdacht zuur op deze foto...)

Powered by ScribeFire.

Opa Guru Willie Nelson

Er kwam een zonderlinge, oude man de camping opgelopen, zwaar leunend op zijn wandelstok vanwege een enorme rugzak op zijn rug. Zijn lange grijze haren wapperden in de wind die van het meer af kwam waaien. Hij begroette ons in het Zweeds met een luid “Hej”. Pal naast ons plekje liet hij zuchtend en steunend zijn hoog opgepakte rugzak van zijn rug glijden. De man rekte zich toen uitgebreid uit, streek zijn grijze haren naar achteren en draaide het handig in een lange paardestaart. Wat een rare oude indiaan, dacht ik. Hij deed me denken aan een andere oude indiaan: Willie Nelson.

Nadat de oude indiaan was uitgerust begon hij heel bedaard zijn hele rugzak uit te pakken. Er kwam een complete één persoons campeeruitrusting uit waaronder een tent die hij al even bedaard maar soepel opzette. Het was zo’n lichtgewicht tunneltentje met drie van die boogstokken erin. Hij zette hem helemaal in elkaar. Toen sleepte hij het tentje theatraal naar een plekje een meter of 10 verderop en pinde het daar met haringen vast. De oude indiaan keek, met zijn handen op zijn heupen, tevreden naar het resultaat. Heel grapping hoor om mij te laten denken dat je pal voor onze tent zou gaan staan met je tent, dacht ik geirriteerd.

De grijze grapjas draaide toen een beetje met zijn heupen en draaide van links naar rechts. En terwijl hij in de richting van het toiletgebouw liep, draaide hij wild zwaaiend mat zijn armen zijn schouders ook even los. Het zag er best soepel uit voor zo’n oude man die lopend met zo’n zware bepakking was aangekomen. Ik vond het er vooral ook nogal  uitsloverig uit zien. Wat een eigenaardige ouwe kerel, dacht ik.

De volgende ochtend, nogal vroeg, hoorde ik ineens een geluid dat verdacht veel leek op dat tuuuuut-geluid dat je hoort als je iemand belt. Blijkbaar had Malle Willie ook een mobieltje bij zich met een handsfree-functie. In de stilte van de ochtend begon de knakker dus uitebreid en handsfree te bellen. Er schalde een nasaal stemmetje over de camping dat Willie nogal luidruchtig en lachend met zijn bromstem beantwoordde. Wat een mafkees, dacht ik.

Die dag zag en hoorde je Willie regelmatig telefoneren. Steeds handsfree, zodat iedereen kon meegenieten. We hoorden verschillende stemmetjes uit zijn telefoon knetteren. Ik verstond er niks van. Al heen en weer wandelende over de camping, met zijn telefoon in de hand op hoogte van zijn borstkas, praatte Willie geannimeerd voor zich uit. Soms moest hij hard lachen, en dan werd er hard meegelachen door de persoon aan de andere kant van de lijn. Neem volgende keer je familie en zakenrelaties toch mee naar de camping, dacht ik.

Op het heetst van de dag – en het was nogal ongebruikelijk heet voor Zweden – kroop Willie Nelson in zijn tent om Siësta te houden. Hij liet de voor en achterflap van zijn tunneltentje wagenwijd open staan. Aan de ene kant zag je zijn grijze hoofd op zijn dunne armen liggen, en aan de andere kant twee oude, blote voeten met pleisters aan zijn grote tenen. Eigenlijk heeft Willie het prima bekeken, dacht ik.

Toen het te donker was om nog te kunnen lezen, en ook omdat de muggen niet van me af konden blijven, kroop ik in mijn slaapzak. Vanuit Willie”s tent klonk toen ineens weer dat getuuuut van zijn telefoon. Dit begon ik langzaamaan erg irritant te vinden. Even later werd er opgenomen. Er klonk een kinderstemmetje van de andere kant van de lijn. En toen begon Willie Nelson ineens te zingen. Heel zachtjes, en heel lief. Het was duidelijk een slaapliedje. Opa zingt een slaapliedje voor zijn kleindochter, dacht ik vertederd. Wat kan een mens zich vergissen, dacht ik daarna.

Opa Nelson vertrok op dezelfde dag van de camping als wij. Ik was als een bezetene alle matjes aan het leegrollen, de slaapzakjes aan het proppen, en onze hele campje aan het afbreken. Opa Nelson deed hetzelfde, maar dan op zijn dooie akkertje. Ineens hoorde ik Opa Willie de Indiaan in uitsteked Duits iets zeggen tegen een Duits echtpaar dat ook op de camping stond. Even later bleek hij ook een behoorlijk mondje Engels te spreken. Toen we van de camping afreden zagen we Opa Nelson weer bepakt en bezakt, verder wandelen. Een brede glimlach op zijn gezicht. Daar gaat een wijze, vriendelijke oude man die intens geniet van het leven, dacht ik.

Een wijze vrouw vertelde me later dat er een oud pelgrimspad langs de bewuste camping (Uskavi Camping by Siggebo/Nora) loopt. Toen ik me dat besefte steeg Opa Willie in mijn achting ineens tot guru.

Powered by ScribeFire.

Mega Mindy! Help!

In de veel te korte vakantie toerden wij door Zweden met twee iPods vol muziek. Op die van mij staat alleen muziek voor mijn wils. Op die van mijn vrouw staat voor ieder wat wils, vooral voor de kinderen (onder andere alles van K3 en Mega Mindy…). Dat zegt een hoop. In ieder geval kwam mijn iPod bijna niet aan de stereo van de auto te hangen. Tot overmaat van ramp werd ik ook nog eens de hele vakantie elke ochtend wakker met “I just came to say Hello!” in mijn hoofd. Op zich een lekker nummer, maar mijn kinderen zongen het de hele vakantie, dag in, dag uit, tot ik er helemaal tiepelzinnig van werd!

Maar mijn iPod lag dus links, in de verdomhoek van de auto. De hele vakantie. Op mijn iPod staan mijn favorietste CD’s (Sting, Dire Straits, Bowie en ook Kraftwerk). Zelf gekocht in mijn jeugd, studietijd en nog een tijdje daarna. Mijn eigen muziekverzameling die ooit trots zo’n beetje de hele muur versierde zodat iedereen kon zien wie ik was. In mijn studentenkamer torende een stoere, zwarte stereo van 3 losse apparaten. Een versterker, een CD-speler en een cassettedeck, met twee machtige speakers in de hoeken. Die stereo heb ik al lang niet meer. Er staat nu een compact alles-in-één-gevalletje in de keuken met een iPod-dock er bovenop. In de woonkamer staat nog zoiets.

Al mijn CD’s liggen nu in een doos op zolder. Dat is toch een beetje een deel van je zelf op een plek opbergen waar niemand het kan bewonderen. Mijn favorietste CD’s staan dus op mijn iPod. En er komt ook niks op dat ik niet mooi vind. Mijn iPod is mijn domein. Gevolg is dat mijn iPod thuis ook vooral links ligt. Ik luister nu een beetje heimelijk naar mijn eigen muziek. Meestal als ik in de trein zit, of alleen  onderweg ben met de auto. Soms, als de kat van huis is, draai ik thuis ook wel eens mijn eigen smaak. Dan ben ik even stiekem helemaal mijzelf. Zielig? Ach, aan de andere kant worden de liedjes van K3 vanzelf leuk. En Mega Mindy mag me natuurlijk altijd komen redden.

Powered by ScribeFire.

Mazzeltoveren

Otto loopt over een smal pad in een heuvelachtig gebied. De heuvels zijn begroeid met lang gras dat zacht ruist in de wind. In de verte ziet Otto bomen, de rand van een bos. Dit bos moet Otto koste wat het kost bereiken, dat voelt Otto heel sterk. Dus neemt hij het pad dat hem er recht naartoe leidt. Geen omwegen, Otto is vastberaden.

Her en der hangen dunne nevels. Althans, zo zien ze er uit. Als Otto dichterbij zo’n nevel komt, ziet hij dat het een soort schimmige projecties zijn. Hij ziet bijvoorbeeld een torenspits, andere grote gebouwen en een straat met verkeer zoals vrachtwagens, auto’s en een motorrijder. Ook ziet hij mensen lopen. Otto hoort zelfs de geluiden van het verkeer, de voetstappen van de mensen op het trotoir, zelfs de stemmen van de mensen. De projectie beweegt langzaam heen en weer tussen de heuvels. De projectie breidt zich langzaam uit en krimpt dan ook weer om daarna weer uit te dijen. Alsof het ademt, alsof het leeft.

Ineens beweegt de vreemde projectie recht op Otto af en ziet hij dat hij precies op een tramspoor staat. Achter hem klinkt de bel van de tram. Otto wil opzij springen, maar bedenkt zich, want naast het pad dat hij volgt stroomt een beekje. De tram rijdt dwars door Otto heen, maar hij voelt er niets van. Hij ziet en hoort de mensen in de tram als deze door hem heen rijdt, maar de mensen zien Otto niet. Plotseling is de projectie weer een heel eind verderop. Otto ziet nog net dat de tram over een grote stalen brug over een brede en zo te zien diepe kloof rijdt. Dan trekt de projectie op als een nevel in de opkomende zon en is het verdwenen.

Otto loopt verder en ineens staat hij aan de rand van een diepe kloof. Het beekje stort zich er in de diepte. Otto herkent de kloof meteen, maar hij ziet zo 1-2-3 geen brug. Dat vindt Otto erg vervelend, want hij moet de kloof oversteken. Koste wat het kost! Plotseling ligt de mooie stalen brug zoals hij hem zoëven zag in die schimmige projectie, voor hem, alsof het er altijd al was. Wat een geluk! En wat stom dat hij de brug net niet zag! Zonder aarzeling betreedt Otto de brug en loopt naar de overkant van de kloof. In de diepte onder hem hoort hij het geruis van wild stromend water.

Midden op de brug staat Otto stil en kijkt hij over de rand naar beneden. Tot zijn grote ontzetting ziet hij dat het water dat daar stroomt bloedrood van kleur is. Er bekruipt hem een ijzig gevoel. Dit bloed heeft hij op zijn geweten. Otto kijkt op, in de richting van waar het water vandaan stroomt. Dan ziet hij de stad. Otto herkent de spits van de grote kerktoren in het midden van de stad. De kloof loopt dwars door de stad. Otto’s egoïstische wens om de kloof hier ter plekke te willen oversteken en de ongelooflijke mazzel dat er nog een brug is ook, werd vele mensen noodlottig. Door Otto’s toedoen verdween dezelfde brug in het niets, net op het moment dat er een volle tram over heen reed.

Otto de Magiër wordt zwetend wakker en zit rechtop in zijn bed. Zoals altijd is hij erg aangedaan door deze vreemde en akelige droom. Otto weet intussen heel goed wat deze regelmatig terugkerende droom betekent. Het is een waarschuwing dat het ook verkeerd kan gaan. Otto’s magie bestaat er namelijk uit dat hij het lot kan beïnvloeden, kan veranderen van koers. Daar is hij in al die jaren bijzonder handig in geworden.

Otto was als kind altijd al een ongelooflijke mazzelkont. Dobbelstenen deden altijd precies wat hij nodig had om te winnen. Omdat het anderen steeds meer opviel hield hij zich in en leerde dat hij zijn “mazzel” ook op anderen kon projecteren. Otto kan het “verloop van de dingen” zien. Of beter gezegd: Otto kan alle mogelijke verlopen van de dingen zien. Hij ziet ze als schimmige projecties, aan de randen van zijn blikveld. Hij kan er nooit rechstreeks naar kijken, want dan drijven ze weg. Maar hij kan ze wel bespelen en veranderen zodat de dingen toevallig precies gaan zoals dat het beste uitkomt voor hem.

In de jaren kreeg Otto een steeds uitgebreider beeld van het verloop der dingen en kan er spectaculaire kunsten mee uithalen, allemaal op het randje van wat kan worden gezien als gigantische mazzel. Otto noemt het daarom ook “mazzeltoveren”. De droom houdt hem scherp.

Powered by ScribeFire.

Sintels

Zo vaak in vuur en vlam geraakt door die geheimzinnige meisjes.
In de tijd van mijn leven waarin ik mezelf nog moest ontdekken.
Zomaar laaide dat dan op, die gierende verliefdheid.
Ze vulden stuk voor stuk mijn hele hoofd, mijn hele wereld.
Natuurlijk waren ze voor mij veel te mooi, veel te lief en veel te vrij.
Veel vaker heimelijk en alleen verliefd dan samen.
Allemaal vlammen die kort en heftig laaiden.
Heel lang bleven ze vuurrood nagloeien, licht opvlambaar.
Na al die jaren resten nog slechts grijze, zacht sissende sintels,
bijna helemaal uitgegloeid, maar nog steeds lekker warm.

Weer vastgelopen in zo’n vragenfuik

Wat voor traktaties heb jij geregeld voor je zoon die bijna jarig is?
Ik? Jij zou dat toch regelen?
O, dus als ik niks zeg neem jij aan dat ik het allemaal maar regel?
Ja, daar komt het wel op neer inderdaad voor dat soort dingen.
En als ik nou niks had gezegd, wanneer waren die traktaties dan gemaakt?
Nou, gewoon, zoals altijd de dag van te voren.
Hadden we dat dan zo afgesproken?
Nou, ik hoorde je laatst wel vragen wat hij wilde trakteren.
En dan ga jij er automatisch van uit dat ik het dan ook regel?
Hee, ik heb wel beloofd dat ik hem zou helpen met trakteren!
Ja, dus?
Niks, dus. Ik help hem dus de traktaties naar de klas te dragen en zo.
Dus ik mag dan weer het meeste werk doen en jij kan met de eer strijken?
Okee, ik zal er eens werk van maken deze keer.
En wanneer was ook al weer de laatste keer dat jij een feestje voor één van de kinderen had georganiseerd?
Eh…zucht

Powered by ScribeFire.

Het lage woord overheerst

Lage woorden hoor je nooit, want ze hoeven er niet zo nodig uit. Ja, je hoort ze wel, maar ze komen niet uit boven het geroezemoes. Lage woorden zijn fijn. Lage woorden zijn aangenaam. Koetjes en kalfjes. Ladida. Lage woorden zijn de pasteltinten van het gesprek.

Als een woord gaat knellen, dan wordt het langzaam opgestuwd door de andere woorden. Het vervelende woord wordt veel te primair. Als een soort afweerreactie verdringen de lage woorden de dwarsligger. Het valt uit de toon en wordt er gewoon uitgewerkt. Weg met die dissonant. Verbannen uit de blije, zorgeloze wereld van de prettige, lage woorden.

Steeds meer druk komt erop het hoge woord te staan. Tot het niet meer te houden is. En dan ineens is het eruit. Daar, het is gezegd. Onherroepelijk hangt het in de ruimte en kan niet meer worden ontzegd. De spreker is opgelucht. Het onaangename is gezegd, en het werd ook wel eens tijd!

Even is het helemaal stil. Het hoge woord weerklinkt een tijdje na in de ruimte. Hoe potenter het woord, des te groter de reactie uit de omgeving. Als een heet kooltje wordt het over en weer gegooid. Alleen hele hete kooltjes gloeien lang genoeg om verdeling te kunnen zaaien. Maar de meeste doven te snel. En dan gaat het hoge woord weer op in het verstommende geroezemoes van de orde van de dag, weg gesust door vele lage woorden. Het lage woord zet de middentoon. Het lage woord overheerst.

Powered by ScribeFire.

Dankjewel voor het lekkere leven

dochter: Mag ik van tafel?

papa: Zijn we dan allemaal al klaar met eten?

dochter: O, nee. (mondje pruilt, diepe zucht) Waarom dúúrt het zo lang?

papa: Hee, hou es op met je gezeur. We wachten altijd netjes tot iedereen klaar is met eten

dochter: Ja, hallo, ik ben al lang klaar hoor! (fronsende wenkbrouwtjes, armpjes boos over elkaar)

papa: Zo, nu is iedereen klaar met eten. Zeg maar…hooo, waar ga jij heen?

dochter: Ja, hallo! Iedereen is toch klaar, dan moch ik toch van tafel ja?!

papa: eerst nog even?…

dochter, verbolgen mompelend: O. Ja. dankjewelvoorhetlekkereetenzeggen…

papa: heel goed. nou, toe dan?

dochter, heel snel terwijl ze even snel tegen haar stoel aan leunt in plaats van even weer te gaan zitten: Dank-je-welllll voor het lekkere eten – en zoef weg rent ze.

Mijn zoontjes zeggen het deze keer wel heel netjes met aureooltje boven hun schijnheilige koppies en armpjes overdreven netjes gevouwen…

Het gaat niet altijd zo hoor, maar wel vaak. Het zijn simpele regeltjes die wij heel belangrijk vinden. Eten doen we zoveel mogelijk gezamenlijk, en we wachten netjes tot iedereen is uitgegeten. Treuzelaars daargelaten, dat ook wel weer.

Dat “dankjewel voor het lekkere eten” zeggen is onze manier om heel kort even stil te staan bij het feit dat we gezond zijn en weer een bord vol eten hadden. Wij bidden niet en gaan alleen naar kerken om ze te bezichtigen. Gezond zijn en iedere dag 3 maaltijden kunnen nuttigen is niet vanzelfsprekend en moet je gewoon dankbaar voor zijn.

En ik vind eigenlijk dat iedereen die een gezond en gelukkig leven heeft gehad, voordat de laatste adem wordt uitgeblazen nog even netjes zegt: “dankjewel voor het lekkere leven”.

Powered by ScribeFire.