130 goed voor de staatskas

Altijd leuk om stellig te beginnen: hoe harder wij rijden hoe meer wij de staatskas spekken.

Hoe kom ik daar bij? Heel simpel (en toegegeven, ik heb het niet zelf bedacht): de gemiddelde auto verbruikt veel meer benzine bij snelheden boven de 100 kilometer per uur. Ik sloeg eens aan het googlen en kwam percentages tegen van 20% to 25% verschil in benzineverbruik tussen 100 km/uur rijden en 130 km/uur. Dat is aanzienlijk. Ik kan me nog herinneren dat de snelheidslimiet op onze snelwegen 100 km/uur was. Dat was in 1988. Toen was ik 18 en maakte ik me vooral nog druk over acne en examens en zo. Maar dat terzijde.

Naar het schijnt hebben wij in Nederland een dikke 5,5 miljoen benzinewagens, en 1 miljoen dieselwagens. Voor mijn stelling laat ik voor het gemak de dieseltjes maar even buiten het plaatje. Ik ga dus uit van 5.500.000 benzine verbruikende auto’s.

Nu zou ik willen weten hoeveel van die benzineverbruikers er op elk moment van een dag gemiddeld 130 km/uur rijdt. Dat is een lastige. Op veel snelwegen mag je na 19 uur en voor 6 uur 130. Op sommige stukken mag je altijd 130, maar kan dat door de drukte niet. Je zou dus ook nog het gemiddelde file-beeld moeten weten. De ANWB zou die statistieken moeten hebben of gaan verzamelen en moet mijn sommetje dan nog maar eens dunnetjes over doen. Ik moet het dus maar gaan gokken. Hier komt ‘ie:

Stel nou dat van al die 5,5 miljoen auto’s er op ieder willekeurig moment van de dag gemiddeld (!) 5000 in staat zijn om 130 km/uur te rijden. Dat is iets minder dan een tiende procent van het totale aantal benzine-auto’s in Nederland. Ik heb geen idee of dit realistisch is of niet, maar ik ga hier even mee verder voor mijn verdere berekening.

Dus op ieder moment (24×7) rijden er 5000 benzine-auto’s 130. Met z’n allen verbruiken zij dan dus tussen de 20 en 25 procent meer benzine dan wanneer ze 100 km/uur zouden rijden.

Ja, en hoeveel benzine verbruikt een gemiddelde benzinewagen dan bij 100 km/uur en bij 130 km/uur? Op deze discussie op autoweek.nl (ik weet het, er zijn betere bronnen, maar ik doe het er maar even mee) kwam ik het volgende tegen:

Het verbruik van een 65 pk 1.2 liter VW Polo (bj. 2004):

3.245 tpm bij 100 km/u, 4.220 tpm bij 130 km/u : Toename in toerental: 975 tpm.

Het verbruik van een 100 pk 1.6 liter ford focus (bj. 2005):

2.660 tpm bij 100 km/u, 3.460 tpm bij 130 km/u : Toename in toerental: 800 tpm
90km/u: +-7l/100 km
120km/u: +- 8.2l/100 km

Op een andere discussie op autoweek kwam ik ook nog dit tegen:

het verschil tussen 110 en 130 bedraagt zo’n 20% in meerverbruik, dus:
110 = +- 4.5l/100km
130 = +- 6l/100km

Ik sla dit alles maar even valsplat tot het volgende zodat ik er makkelijker mee kan rekenen: Bij 100 km/uur verbruikt de gemiddelde benzineauto 5 liter op 100 kilometer. Bij 130 km/uur komt dat 20% hoger te liggen: 6 liter per 100 kilometer.

Kortom: per 100 kilometer verbruik je dus 1 liter meer benzine bij 130 km/uur ten opzichte van dezelfde afstand afgelegd met 100 km/uur. Dit moet ik nog even ombuigen naar liters per uur. Bij constant 100 rijden verbruik je 5 liter per uur. Bij constant 130 rijden verbruik je per uur 1,3 x 6 liter benzine, dus 7,8 liter per uur.

Dus als ik 24 uur lang, 7 dagen in de week 130 kilometer per uur rij, dan verbruik ik 24 x 7 x 7,8 = 1340,4 liter benzine. Bij 100 km/uur zou ik dan maar 1008 liter benzine verbruiken. Een verschil van dik 332 liter. Gesteld dat er gemiddeld 5000 benzineauto’s 24×7 uur 130 rijden verbruiken die gezamenlijk per week 6.552.000 liter benzine. Als zij met z’n allen 100 zouden rijden verbruikten zij per week 5.040.000 liter benzine. Een verschil van dik anderhalf miljoen liter per week!

Op dit moment bedraagt de benzine-accijns 73 eurocent per liter. Dus even omgerekend zou de staat maar zo een slordige anderhalf miljoen keer 0,73 cent per week, dus een slordige 56 miljoen euro per jaar mis kunnen lopen als wij met zijn allen verstandig werden en geen streepje harder dan 100 km/uur gingen rijden. Nu ben ik zelf verre van verstandig, en de gemiddelde nederlandse wegmisbruiker met mij, dus met onze staatsschuld komt het allemaal vanzelf wel goed. Gelukkig.

(Let wel, mijn gegoochel met cijfers hierboven is natuurlijk ontzettend grof en je reinste Rijk-rekenarij. Bovendien heb ik het ook door niemand laten toetsen, maar het zet je toch aan het denken, nietwaar? Brand maar los…)

Otto’s stemmingmakerij

Otto de Magiër staat midden op de hei. Zijn grote, blote voeten een eindje uit elkaar in het natte veen. Armen naast zijn lichaam, vingers gespreid. Zijn ogen zijn gesloten en zijn gezicht is ontspannen. Hij stond daar al voor de zon op kwam. Hij staat er al uren. Om hem heen is het heel stil. Zelfs de wind die hier altijd staat is gaan liggen. Otto heeft zijn plaats in genomen lijkt het wel. En dat is dan ook precies wat hij heeft gedaan. Otto is de wind. De wind die door Nederland waait. Behalve op dat plekje op de hei.

De wind waait kriskras door het hele land. Plagerig schudt hij haren in de war en blaast hij toupetjes in de lucht. Hij ruist door het gewas en giert over de daken. Hij laat de populieren buigen en maakt schuimkoppen op het water. Otto is in zijn element. Dan ziet hij beneden op straat, in een drukke stad een klein mannetje lopen met golvende witte lokken. Professionele body guards om hem heen. Otto gaat er onbevreesd op af. Onderweg verzamelt hij zand en bladeren. Hij begint te draaien. Steeds sneller en sneller. Het mannetje met de witte lokken kijkt nu argwanend in zijn richting. Hij likt nerveus aan zijn bovenlip. 

Op de hei balt Otto zijn vuisten. Het kleine mannetje duikt angstig ineen achter zijn body guards. Een woeste, wervelende kolom van zand en bladeren raast op het groepje af. De body guards gaan dichter om het kleine mannetje staan. Otto giert om hen heen. Steeds harder en harder. Het groepje is helemaal verdwenen in zijn onstuimige wervelwind. Het geraas is oorverdovend. De body guards staan ineengedoken met hun armen voor hun gezicht. En dan is het plotseling afgelopen. De body guards wrijven het zand uit hun ogen en slaan de bladeren van hun kleren. Het kleine blonde mannetje ligt op de grond, zijn armen stijf om zijn opgetrokken knieën heen.

Door het hele land kijken honderdduizenden mensen ineens verdwaasd naar het rode potlood dat ze in hun hand hebben. Het lijkt wel alsof ze uit een droom zijn opgeschrikt. De punt van het potlood zweeft boven het stembiljet. Vertwijfeld wrijven ze door hun haren en schudden ze hun hoofd. Er valt zand op het stembiljet. En dan, in een moment van absolute helderheid, kleuren ze toch een ander vakje rood.

 

In de stemming

Morgen mag het weer. Met uiterste precisie zal ik trefzeker mijn stem laten gelden. Ik stem de laatste tijd zo vaak, dat ik het al met mijn ogen dicht kan. Begrijp me niet verkeerd, ik bedoel niet dat ik het potloodpuntje op goed geluk met mijn ogen dicht op het stembiljet laat vallen. Stemmen is een ernstige zaak waarover ik geen grapjes duld. Ik heb ook geen begrip voor mensen die zeggen dat ze niet gaan stemmen. “Ik stem blanko”, zeggen ze stoer. Schei toch uit zeg! Je leeft in een maatschappij waarin het volk haar vertegenwoordigers van de wet mag kiezen. Niet kiezen staat wat mij betreft gelijk aan onverschilligheid tegenover die wetten. En kom niet aan met “waarom zou ik nog moeite doen, want de laatste tijd blijft er geen kabinet de volledige termijn overeind”. Wees blij dat wanregeringen in ons land vanzelf uit elkaar vallen in plaats van dat ze ons eindeloos blijven tergen. 

Morgen ga ik opgetogen naar het stemlokaal en laat mijn stem trots gelden. Het mag weer. Ik ben er helemaal voor in de stemming.

Waar genomen

Rond de zomervakantie hoor of lees je vaak dit: Jaap neemt de zaken waar tijdens Kees’ vakantie. Of: Henk neemt Piet waar tijdens zijn afwezigheid.
Dit moet je niet al te letterlijk nemen natuurlijk, als met zoveel dingen die we zeggen. Taal is daar natuurlijk helemaal niet voor bedoeld. Henk gaat Piet heus niet achterna reizen om hem een beetje gade te slaan. Evenmin gaat Jaap alleen maar kijken en luisteren naar de manier waarop Kees’ zaken gaan tijdens zijn vakantie. Er wordt ook verwacht dat Jaap ingrijpt of aan stuurt wanneer het nodig is. Alhoewel het in de praktijk toch meestal blijft bij het houden van het oog in het spreekwoordelijke zeil.

Met het werkwoord waarnemen is sowieso iets aan de hand. Bij vervoeging valt het uit elkaar als een slechte relatie. Bijvoorbeeld: Ik nam waar. Hoe zit dat überhaupt? Wat zijn de grammatikale wetten hier? Stofzuigen is ook zo’n werkwoord. Is het nou “ik heb stof gezogen” of “ik heb gestofzuigd”? Ik zeg zelf altijd expres het laatste, omdat ik een principieel mannetje ben. Nu weer terug naar dat waarnemen. In de kantoorsfeer schuilt daar een sexuele intimidatieadder onder het anti-statische tapijt. Alleen notoire sexisten of naïve taalklunzen schrijven dat zij hun collega waar hebben genomen.

Goeie shit dat pogen!

Hé Meneer, wat doet u nou?
Ik poog, jongeman, ik poog.
Pogen, hihihi, wa’s dat nou weer?
Pogen is een edele bezigheid, jij kan het ook. Probeer het maar eens.
Ja doei, ik ga echt niet zitten pogen zeg. Wat heeft dat nou voor zin?
Pogen is de zin des levens. Leven is pogen en pogen is leven.
Wat bazelt u toch ouwe. Leven gaat vanzelf. Daar hoef je toch niks voor te doen?
Nee jongeman, geleefd wórden gaat vanzelf, zélf leven niet.
Wacht effe, dus iemand anders kan mij leven? Cool!
Nee, niet “cool” jongeman. Zij die worden geleefd, bestaan niet.
Huh, dus geleefd worden kán helemaal niet?
In tegendeel, het gebeurt maar al te vaak.
Meneer, ik snap er de ballen van.
Jongeman, het is echt heel eenvoudig: bepaal jij wie je morgen bent, of doet een ander dat?
Ja dùh, ik natuurlijk. En trouwens, ik ben altijd wie ik ben, morgen en over honderd jaar.
Dat zeggen allen die geleefd worden. Zélf leven is jezelf ontwikkelen. Pogen is ontwikkelen.
Jaaaa, ja. Dus van pogen wordt je, zeg maar, nog vetter. En eh… kun je dat leren, dat pogen?
Zoals ik al zei, je kunt het al lang. Iedereen heeft het in zich om te pogen. Gewoon een kwestie van doen.
Dus ik hoef er niet voor te leren?
Eh, juist, dat zeg ik.
Goeie shit dat pogen!

ik blokkeer je doodleuk terug!

Het viel me ineens op dat ik al een tijdje geen tweet meer had gezien van een kennis van me. Het was nog vakantie, maar gezien de enorme activiteit van de persoon in kwestie ongeacht vakantietijden, vroeg ik me meteen af wat er aan de hand was.

Misschien lag het wel gewoon aan de twitter app die ik gebruik, dus ik ging maar eens ouderwets met de web browser kijken op twitter.com. Even zoeken en ik vond mijn nog immer vrolijk twitterende kennis. Niets aan de hand dus. En ik zag ook al wat er wel aan de hand was. Om één of andere reden volgde ik mijn kennisje niet meer. Een klein bugje in twitter ofzo. De techniek staat weer voor niets, zeg maar. Kwestie van gewoon even op het volgknopje drukken en mijn kennisje en ik zijn weer in touch.

Mooi niet dus. Twitter weigerde de achtervolging in te zetten. Ook na 10 keer driftig klikken. En toen viel me een niet bijzonder in ’t oog opspringend boodschapje op, dat steeds verscheen als ik op de volg-knop klikte. Die zegt normaal gesproken dat de achtervolging is ingezet, maar deze keer dus niet. Deze keer vertelde het me dat ik deze persoon niet kan volgen omdat de persoon mij heeft geblokkeerd.

Ik. Geblokkeerd. Boem. De deur in mijn gezicht. Zonder enige waarschuwing. Tegen mijn ego in gestreeld. Nou “kennis”, ik blokkeer je doodleuk terug! Pah!

meligte

hoogte – hoogheid
droogte – droogheid
nattigte – nattigheid
stilte – stilheid
kilte – kilheid
moeite – moeiheid
schoonte – schoonheid
luwte – luwheid
lulligte – lulligheid
waarte – waarheid
zwaarte – zwaarheid
heette – heetheid
blijte – blijheid
vrijte – vrijheid
boete – boeheid
klote – kloheid
gelijkte – gelijkheid
apartte – apartheid
wijdste – wijdsheid
wijste – wijsheid
mafte – mafheid
lengte – lengheid
lenigte – lenigheid
menigte – menigheid
onenigte – onenigheid
slaperigte – slaperigheid
veelte – veelheid
eente – eenheid
grootte – grootheid
gemeente – gemeenheid
overte – overheid
zinlooste – zinloosheid
oppervlakte – oppervlakheid
narigte – narigheid
rijpte – rijpheid
verste – versheid
groente – groenheid
verte – verheid
nabijte – nabijheid
dichtte – dichtheid
constante – constanheid
onzinnigte – onzinnigheid
gete – geheid
afscte – afscheid
flauwte – flauwheid
meligte – meligheid

Schuitje varen, crisisje remmen

Zolang er wat te ergeren valt, valt er voor mij wat om over te bloggen. Dat is de pluskant. Nu de minkant.

Ik rij regelmatig langs de Drentse Hoofdvaart. Die is vergeven van de sluizen en bruggen. En ook van de plezierjachtjes met van die kijk-mij-nou-toch-eens-genieten-van-mijn-wel-verdiende-pensioen-grijsaards erop. Dit zijn de mensen uit de generatie die onze economie weer hebben opgebouwd na de oorlog. En ze zullen het snotverdorie ook weer helemaal opmaken ook! Asociale levensgenieters! Het zou maar zo kunnen dat de gezamenlijke waarde van al die plezierschuitjes ons begrotingstekort ruimschoots afdekt.

En alsof ze het ons ook nog eens even extra in willen wrijven hebben die suffe schuitjes ook nog eens voorrang op het wegverkeer. Zelfs in de spits. Dan mag je vanuit je auto, waarvan ik braaf om economische redenen de motor heb gestopt, gelaten toezien hoe je eigen dreigende pensioentekort tergend langzaam voorbij tuft. Ik haat ze!

In de kantine vanmiddag blies ik hierover al wat stoom af. Een bijna gepensioneerde haalde zijn schouders op en merkte op dat die luizenlevenslijders wel eens een remmende werking op de economische crisis zouden kunnen hebben. Zonder hun uitgavenpatroon zou de crisis immers nog wel eens veel erger kunnen zijn, zo redeneerde hij. Klink walgelijk logisch dus het zal wel waar zijn ook. Bah.

Eikel met Wortelnijd?

In Zweden zag ik deze monumentale eik. De boom is ontzagwekkend dik. Op het oog minstens twee meter. Het ventje (mijn zoon) dat er een beteuterd naast staat zou met gemak languit kunnen liggen in de boom. Iemand vertelde me dat de eik meer dan 500 jaar oud is. De eikel waaruit deze boom is ontsproten schoot dus ergens aan het eind van de middeleeuwen wortel. 

De eik staat op het terrein van een oude en beetje vervallen camping aan het grote Vänern-meer. We staan er met onze tent tussen dikke, bejaarde berkenbomen (en dikke, bejaarde Zweedse campeerders die alleen uit hun dikke caravan kwamen om óf naar de wc te gaan óf het gras om hun caravan te maaien). ’s Nachts zou het er heel stil zijn als de aftandse ijscovriezer in het kiosk-gebouwtje niet zo bromde. Het bromde niet heel hard, maar draaide niet continu. Als de vriezer zich uitschakelde werd de stilte even hoorbaar, tot het kreng weer aan sprong.

Toch sliep ik er heerlijk en in de laatste nacht op de camping had ik een bijzondere droom:

Ik loop midden in de nacht blootsvoets in een dun, hagelwit gewaad door een dicht woud van spierwitte berken. Het is heel helder en bijna volle maan. Mijn adem beslaat, maar ik heb het niet koud. Ook is het doodstil. Ik hoor geen enkel geluid behalve mijn eigen ademhaling en het gedempte ritselen van mijn eigen voetstappen in het zachte mos. Door de bomen zie ik het spiegelgladde wateroppervlak van het meer. Vastberaden loop ik in de richting van het meer. Het woud wordt minder dicht, en de berken worden steeds dikker.

Dan gebeurt het. Ik kom steeds moeizamer vooruit. Het kost me steeds meer moeite om mijn voeten op te tillen. Ik kijk naar mijn voeten. Ze zijn spierwit en zien er pezig uit. En het gewaad dat ik draag lijkt wel van spinrag. Het hangt in losse flarden om me heen. Steeds moeilijker kom ik vooruit. Mijn voeten komen steeds vaster in de grond te zitten en mijn benen worden steeds zwaarder en stijver. Er steekt een zachte, koele bries op vanaf het water. De raggen om mijn lijf waaien helemaal van me af, maar ik voel geen kou. De berken om me heen fluisteren geruststellend: “Shhhhhh, het is goed. Shhhhhhh”.

Op enkele meters voor de waterkant kom ik tot stilstand. Ik kom nooit meer vooruit, weet ik, maar ik voel me volkomen op mijn gemak. Ik kan me bijna niet meer bewegen. Ik kan mijn armen nog één keer optillen. Ik kijk naar mijn linkerhand, maar zie een dikke tak. Mijn rechterarm is ook een tak. Ik verander in een eik. Dat wat ooit mijn voeten waren zit ergens heel ver onder me, diep in de aarde. En dan groeien mijn ogen dicht en de wereld verstomt. Eindelijk zíe ik. Opgelucht blaas ik mijn longen leeg. Alles is goed.

Rare droom vol clichématige symboliek. Ik onderga in mijn droom gelaten een metamorfose die ik best griezelig vind. Mijn interpretatie is dat ik de eindigheid van het leven niet moet bestrijden, maar juist omarmen. Moet ik loslaten om echt goed te kunnen wortelen? Moet ik me ontdoen van omhullingen omdat ze me belemmeren te voelen? Moet ik mijn ogen en oren sluiten om echt te kunnen zien? Of ben ik gewoon een eikel met wortelnijd?