3 maal zo sterk

Tijdens zo’n zogeheten self assessment training, leerde ik ooit dit over mezelf: ik moet het effect dat ik op anderen denk te hebben met drie vermenigvuldigen. Ja, lees het nog maar eens keer. Ik begreep toen ineens waarom mensen mij soms met geknepen ogen bekijken. Mijn uitstraling is namelijk drie maal zo sterk als ik zelf denk. Mijn enthousiastme is 3 keer zo aanstekelijk als ik bedoel. Ik overtuig de ander ook als ik 3 keer zo weinig moeite zou doen. Best een handige eigenschap dus. 

Maar dan de schaduwzijde. Mijn lichte ongenoegen wordt verward voor boosheid. Mijn milde kritiek laat knieën knikken. Mijn ongezouten kritiek is zielsvermorzelend. zo vermorzelde ik van de week bijna mijn lieve, oude moederziel met een iets te bot uitgesproken puntje van kritiek. Gelukkig was het door de telefoon, want anders had haar hart het begeven denk ik. Sorry Mam, ik hou hartstikke veel van je hoor. En daar kom ik weer op veilige emotie. Van liefde kun je nooit teveel ontvangen toch? Liefde maal drie is nog steeds liefde. En zij die mijn oneindige liefde genieten voelen dan precies wat ik bedoel, want 3 maal oneindig is nog steeds oneindig. 

Schaamteloze uitbuiting van kinderen

Reklame is een gegeven. Zonder reklame te maken van je goederen en diensten raak je je waren aan de straatstenen niet kwijt. Dat snap ik. Dat reklames in de meeste gevallen ook nog eens misleidend zijn, daar kan ik me ook nog wel overheen zetten. Natuurlijk schilderen ze hun waren zo ideaal mogelijk af. Natuurlijk verkopen ze in de reklamespotjes een hoop leugens. Natuurlijk worden de addertjes onder het gras niet luid en duidelijk vermeld. Dat weet iedereen. Ik kan daar mee leven.  

Waar ik niet mee kan leven is de uitbuiting van kinderen. Wij krijgen bijvoorbeeld herhaaldelijk reklamemateriaal en proefproducten mee van het kinderdagverblijf. Dan komt mijn zoontje mij bij het afhalen helemaal verguld een mooie placemat (van een zuivelfabrikant) laten zien die hij heeft gekregen. Thuis kan ik het niet over mijn hart verkrijgen om het ding weg te gooien, dus het ding ligt een tijdlang onze kinderen bloot te stellen aan reklame. Nog een voorbeeld is een gratis zak met ontbijtringetjes. Ik vind dit een heel zorgelijke ontwikkeling. In eerste instantie omdat de bedrijven kinderen uitbuiten om hun waren aan de man te brengen, maar in tweede instantie dat de organisaties die de kinderen juist zouden moeten beschermen hiervoor (de kinderdagverblijven waar je je kinderen aan toevertrouwt), hier ook nog aan mee werken.

En de R is weer in de maand. Sinterklaas en Kerst komen eraan, dus worden kinderen een extra belangrijk doelwit voor reklamemakers. Op de radio hoorde ik een speelgoedwinkel zonder enige schaamte bij kinderen bedelen om hun SInterklaas-verlanglijstjes. En om de kinderen daarvoor te motiveren maken ze kans dat ze alles dat ze op hun lijstje zetten winnen! Het doel is me duidelijk: de speelgoedwinkel wil graag weten wat kinderen zoal leuk vinden zodat ze hun logistieke organisatie zo efficiënt mogelijk kunnen runnen. Slim bedacht. En het gaat ook werken…. tenzij heel jeugdig Nederland lijsten inlevert met tenminste 500 peperdure wensjes, liefst meer. Dit is dus mijn snode plan: ik laat een paar miljoen placemats drukken die ik via de kinderdagverblijven verspreid met de oproep om massaal belachelijk lange verlanglijsten in te leveren bij de ToysXL. Nu zoek ik nog een sponsor…

De Sint-stress is weer begonnen

Er wordt bij ons aan de keukentafel al weer druk over gepraat: Sinterklaas. Mijn tweeling gelooft nog heilig in Sinterklaas. Maar ze vinden het wel raar dat de pepernoten al in de winkel liggen. “Blijven die pepernoten dan wel zo lang goed tot Sinterkaas in Nederland is?”, vraagt mijn dochtertje. Haar tweelingbroer rolt met z’n ogen en zegt dan heel pedant: “Natúúrlijk wel joh! Weet je dan niet meer dat we laatst pas de pepernoten van vorigjaar hadden opgemaakt? En die waren nog gewoon goed!” Deze discussie vindt plaats als ik ’s middags op papadag met ze aan de lunch zit.

Op dit soort momenten vind ik het altijd erg leuk om eens wat proefballonnetjes op te laten om hun geloof te testen. Ik vraag: “Zou Sinterklaas het nou nooit eens zat zijn om al die stoute kinderen kadootjes te brengen. Hij is tenslotte al meer dan 500 jaar”. Ze vallen natuurlijk vooral over die “stoute kinderen”. Maar na een tijdje merkt mijn dochtertje toch op dat niemand 500 jaar kan worden, maar daar heeft ze een oplossing voor: Er komt gewoon steeds een nieuwe Sinterklaas die de Sinterklaas die nú Sinterklaas is uit de hulp-Sinterklazen kiest. “Hij kiest dan gewoon een Sinterklaas die nog niet zo oud is en heel goed meehelpt”, zegt ze vol overtuiging.

Maar haar broertje ziet nog en ander probleem: “Maar SInterklaas is toch de broer van de Kerstman?”. Daar had z’n zus niet aan gedacht: “O ja, ach, maar Sinterklaas bestaat tóch niet echt”. Maar haar broertje hoort dat niet, of wil het niet horen. Hij zegt: “Ik denk dat Sinterklaas dan gewoon alleen maar de beste vriend van de kerstman is, toch papa?”. Ik knik geruststellend: “ja hoor, ze zijn vast hele dikke vrienden”. Hoewel ik ze op dit punt een beetje gerust heb gesteld, leidt het gelijk tot een nieuw dilemma: Sinterklaas kán helemaal niet dik zijn, want anders kan het paard hem toch niet het dak op krijgen? En hoe kan het paard eigenlijk op het dak komen?

Hun rotsvaste geloof is al aan het afbrokkelen. Het is prachtig om te zien hoe de logica in hun hoofdjes langzaam terrein wint op de tegenstrijdigheden. Ik leg maar snel uit dat het ook geen gewoon paard is, maar een beetje een toverpaard die gewoon heel lichtvoetig is en nét niet kan vliegen, maar wel heel makkelijk op een dak springt. Ik wordt met grote oogjes vol ongeloof en ook lichte bezorgdheid (is Papa gek?) aangekeken. Maar mijn oudste zoon (die al lang is ingewijd in het grote geheim) komt me te hulp: “Ja, het is ook geen écht toverpaard, maar een paard dat niet zoveel last heeft van de zwaartekracht”. En dat gaat er in als peperkoek. 

Heel even denk ik dat de Sint-stress weer even voorbij is, tot mijn oudste zoon ineens aan zijn jongere broertje en zusje vraagt of ze ook weten waarom de Pieten zwart zijn. Hij vertelt ze vervolgens dat het komt door de schoorstenen. Maar mijn dochtertje slikt dat niet: “Nee joh, want dan zouden hun kleren toch ook allemaal zwart zijn?”. Gelukkig heeft ze ook een oplossing: “Zwarte Pieten worden gewoon helemaal zwart getatoeëerd, dat kan je er nooit afwassen!”, zegt ze triomfantelijk. Schitterend toch? 

van de gezifte mugjes

Onnodig verontschuldigde iemand zich laatst tegen mij voor een gemaakt grapje. Hij is namelijk nogal van de geintjes, zo schreef hij. Zelf ben ik dat ook best, dus ik nam het hem in het geheel niet kwalijk. In een buitensportzaak vroeg iemand me ooit ook eens of ik van de grammetjes was, of toch meer van ’t comfort. Van geen van beide, zei ik, want ik ben namelijk nogal van de argwaantjes. Vooral bij verkopers, want die zijn vaak nogal van de gladde praatjes. 

Nu ben ik zelf nogal van de lettertjes, dus ik heb zoiets van: goh, wat een bijzonder taalgebruik eigenlijk. Het is een soort manier om luchtigheid in hetgeen je wilt zeggen te stoppen. Je klopt je zinnetje, als het ware een beetje op, zodat het makkelijker te verteren wordt voor jezelf of voor een ander. Een vent die bijvoorbeeld zegt dat ‘ie nogal van de vrouwtjes is, is dus meer óf juist minder van dat wat ‘ie zegt, afhankelijk van wie hij wil overtuigen: de ander, of zichzelf. Ik ben zelf aardig van de gezifte mugjes, maar onopgeklopt dus gewoon een aardige mierenneuker.

Het geheim van een lekker bakkie

image

Dit wordt mijn geitewollesokkigste verhaal ooit, maar ik ben nou eenmaal in die stemming. Het kan zo de Libelle in, zo erg. Het komt door het heerlijke, zonnige herfstweer buiten. Ik kreeg spontaan zin in een strandwandeling in een trui met kabelpatroon die ik niet heb, maar toch. En natuurlijk gaat de gezinslabrador – die ik ook niet heb, maar toch – ook mee. En als ik dan thuis kom wil ik natuurlijk een perfect, ouderwets bakkie. Geen moderwetse turbokoffie uit zo’n yuppiemachine (die overigens wel in onze keuken staat, maar toch), maar een eerlijke kop dampende, zelfgezette koffie.

Lekkere koffie hangt voornamelijk af van versheid, reinheid en rust. Zo voel ik dat. De koffie is vers gemalen. Waar de koffie vandaan komt is opzich ook heel bepalend voor de smaak, maar koffie gezet van ranzige, raszuivere Guatamalaanse Antigua (mijn favoriet) is ook niet te zuipen. Versheid voorop dus. Gemalen koffie blijft hooguit drie dagen goed. Ongemalen, gebrande bonen kun je ook maar enkele weken bewaren. Daarom drink ik dus ook zoveel koffie, want het bederft heel snel.

Koffiebonen zijn eigenlijk de pitjes van de vruchten (het lijken net kersen) van de koffieplant. Die pitjes worden door de koffieboer gewassen en gedroogd. Dat proces is al bepalend voor de smaak, maar daar heb je als gewone Hollandse koffieleut weinig invloed op. Die gedroogde pitjes bevatten de olie die dat heerlijke aroma aan de koffie geeft. Ze zijn in gedroogde, ongebrande vorm trouwens maanden lang houdbaar. In de koffiebranderij worden ze geroosterd tot de boontjes barsten. Vanaf dat moment kan de olie er veel sneller uit “lekken”. Er vindt één of andere chemische reactie met de lucht plaats geloof ik, maar hoofdzaak is dat de belangrijkste smaakbepaler na het branden van de bonen sneller vervliegt. Een kwestie van enkele weken en je kunt je gebrande bonen weggooien. Als je die bonen maalt vervliegt de olie nog sneller vanwege het veel grotere contact met de lucht. Vacuüm verpakken kan de houdbaarheid dus aardig verlengen, maar ik drink maar gewoon veel koffie.

Die olie zet zich tijdens het zetten van de koffie af in je koffiezetapparaat. In de pot, in het filter, in al die leidinkjes van de ingewikkeldere apparaten. Die olie wordt ranzig en gaat een vieze smaak aan je koffie geven. Kortom: hou je apparaat goed schoon. Op kalkaanslag blijft nog meer olie zitten, dus regelmatig ontkalken. Denk ook aan eventuele potten waarin je je koffiebonen (of gemalen koffie)bewaart. Maak ze goed schoon voor je er nieuwe koffiebonen in doet. De Duitse bierbrouwers hebben hun Reinheitsgebot voor bier. Voor koffie geldt eigenlijk hetzelfde.

En dan rust. Neem de tijd. Geniet van het riteel van het koffie zetten. Bijkomstig effect is dat je zorgvuldig te werk gaat. Mijn fijnste lekkere bakkie is ouderwetse Hollandse filterkoffie. Ik pas precies genoeg water af (1 kopje per maatschep koffie) en zet de waterkoker aan. Terwijl het water kookt maal ik de bonen. Ik doe de heerlijk geurende, gemalen koffie in het koffiefilter. Dan klikt de waterkoker uit. Ik laat het hete water 1 à 2 minuutjes staan (te heet water maakt de koffie heel smerig, ik weet niet hoe het komt, rond 85 graden celcius schijnt ideaal te zijn) en spoel ondertussen de thermoskan met heet water om. Dan zet ik de filterhouder op de pot en giet heel rustig de waterkoker er in leeg. Met een druppelstraaltje waarbij ik rondjes draai boven het filter. De zalige geuren die in mijn neus drijven, de prachtige kleuren van de schuimlaag op de koffiedrab in het filter en de zonnestralen die door het keukenraam op mijn handen komen, brengen mij in die Libelleske geitenwollensokkenstemming. Ik kan er niks aan doen.

Fenomenaliteit

Wanneer ben je nou eigenlijk een fenomeen? Het betekent eigenlijk toch niet meer dan dat je iets kan dat observeerbaar is? Wat is daar toch zo speciaal aan? Iedereen is dan toch fenomenaal? Wat is dit voor vreemd verschijnsel, ja, fenomeen dat wij aan het woord “fenomeen” meer betekenis toekennen dan dat het letterlijk betekent? Komt dat omdat fenomenen geacht worden zeldzaam te zijn? Zijn, in die überbezeichniss, alleen dingen die je zelden tot nooit kunt observeren fenomenaal? Dat is toch eigenlijk bijna het tegenovergestelde van de letterlijke betekenis van “fenomeen”? Zijn fenomenen eigenlijk anomalieën? Zijn alleen uitzonderlijke verschijnselen fenomenaal? Zou je kunnen zeggen dat wij fenomenen dus eigenlijk niet normaal vinden? Zijn fenomenen abnormaal? Is fenomenaliteit dan ook een rekbaar begrip? Ik bedoel, kun je ook een beetje fenomenaal zijn? Kun je fenomenaliteit aanleren? En kan je je eigen fenomenaliteit vergroten? Bestaat het begrip “fenomenaliteit” überhaupt? Is er behoefte aan dat woord? Of is het een fenomenaal onzinnig woord? En waarom stel ik alleen maar vragen? Is dat wel normaal? Is dit sowieso niet de meest fenomenale flauwekul die je ooit hebt gelezen? Besef jij je zelf eigenlijk wel hoe fenomenaal je bent dat je dit leest?

Zwamzilla

Tijdens de zondagse boswandeling met deze keer alleen de kinderen (ma zat met een zweepslag te balen op de bank) kwamen wij deze monsterachtige zwam tegen. Hij groeit pontifikaal midden op een boomstronk, direct in het zicht. Het is een monster. Minstens 40 cm in doorsnee en 20 cm dik. Het is een ijdeltuit bovendien. Kijk mij nou lekker zitten te schimmelen op deze stronk. Aanschouw mijn gruwelijke schoonheid.

De enorme zwam zit te pronken in de volle zon en trekt onmiddelijk de aandacht van de kinderen die er met hun nieuwe fototoestelletjes om heen lopen te flitsen. Als een filmster baadt de zwam in al die aandacht. Hij had een rol kunnen spelen in de Muppet Show. Hij ziet er uit alsof hij elk moment zijn enorme muil open zou kunnen sperren om mijn niets vermoedende kindertjes op te slokken. We laten Zwamzilla maar snel met rust, je weet maar nooit.

Voor zover ik kan beoordelen met behulp van SoortenBank.nl, is het een geelbruine plaatjeshoutzwam. Vrij algemeen, staat erbij. Pff, maar zo groot zie je toch maar zelden.

Gezwam

image

Er wordt al weer driftig gezwamd in ’t bos, dus ik doe ook maar eens mee. Het zwamgeval op de foto liet zich in het zonnetje even van zijn mooise kant zien. Maar wat is het voor soort zwam? Het lijkt wat op de gewone vuurzwam, maar ook op de zwavelkop. Of is het een of ander wasplaatje? Dankzij google kan iedereen zwam-o-loog spelen.

Als je de namen ziet die men zoal aan zwammen en paddo’s heeft gegeven, krijg je het vermoeden dat iedere variant op een bekende soort tot een nieuwe wordt gebombardeerd. Dat kan ik ook. Ik noem mijn zwam de gouden zwartwordende zwavelkopvuurzwamzwetsplaat.

Maar zeg eens, wat is dit voor zwam?

Ver van huis

Als jonge student liep ik ooit een half jaartje stage in Amsterdam. Ik woonde nog bij mijn ouders. In de weekenden ging ik naar huis. Meestal op vrijdagavond al. Zo ook deze avond. Ik sta bij de Keizersgracht te wachten op de tram naar Amsterdam Centraal. Het is winter en het is al vroeg donker. De tram is laat. Ik sta er al een kwartier te vernikkelen van de kou. Ik sta er ook helemaal alleen. Links uit de straat klinken plots voetstappen. Ik kijk even opzij. Een verlopen typ met lange jas zwalkt in mijn richting. Ik ben meteen op mijn hoede.

De ongure griezel komt naast me staan. Hij riekt verschrikkelijk. De kerel slaakt een gespeeld geërgerde zucht en zijn adem beslaat. De wolk waait langs mijn gezicht. De stank uit zijn vieze, ongeschoren muil maakt me misselijk.”Ga maar mee naar de nutsbank”, zegt hij dan met een grijns die me op me mijn gemak moet stellen of zo, maar het werkt averechts, “hier komt geen tram meer vanavond”.

Nutsbank? Wat nou nutsbank? Ik kijk hem, hopelijk koelbloedig – en op dat moment voelt mijn bloed eigenlijk ook ijskoud – aan, en zeg met geknepen stem zo kalm als ik kan: “Ach jawel joh. Hij kan elk moment komen”. Ik wijs in de richting waar hij vandaan moet komen. Dan trekt de kerel een enorm mes onder zijn jas vandaan en begint met de punt ervan zijn vuile nagels schoon te maken, “Ik zou er maar niet van uitgaan”, zegt hij, nu gemeen grijnzend. Koud zweet breekt me uit op mijn rug.

Ik begin rustig weg te lopen. In de richting van de tramhalte aan de overkant. Daar komt zojuist en groepje mensen naartoe gelopen. De tram de andere kant op zie ik in de verte al aan komen rijden. Ik versnel mijn pas. Ik hoor voetstappen achter me. “Hee vriend, waar ga je nou naartoe?”, hoor ik achter me. Ik negeer hem en ren nu naar de overkant van de brede straat. Het groepje mensen bij de halte neemt me bevreemdend op. Maar dan komt de tram al. Ik stap er op en ga zitten. Mijn hart klopt in mijn keel, en het klamme zweet parelt van mijn rug. Ik kijk nog even achterom naar de halte waar ik net stond. Het ongure typ staat mijn tram na te staren. Ik rij de verkeerde kant op, maar ik leef nog.

Een vrouw kijkt bezorgd naar me en vraagt of ik me wel goed voel. “Ik ben net met een enorm mes bedreigd”, zeg ik met een stem die ik nauwelijks herken. Ze kijkt me geschrokken aan en vraag dan: “Waar moet je naartoe?”. “Naar centraal”, zeg ik met een belachelijk schor stemmetje. “O, blijf maar gewoon zitten, want deze tram rijdt heen en weer. Wil je dat ik bij je blijf?”. Ik haal eens diep adem en blaas het – pffffff – langzaam uit. Dan schud ik zachtjes van nee. Ze neemt me bezorgd op en zegt dan vastbesloten: “Nee hoor, ik laat je beter maar niet alleen”. Zorgzaam begeleidt ze me helemaal terug naar Amsterdam CS. Ik was haar oneindig dankbaar. Nog nooit voelde ik me zo ver van huis. Pas in mijn trein richting het veilige Noorden kon ik weer rustiger adem halen.

Welvaartsjunkie

In Tokio wonen bijna net zoveel mensen als in heel Nederland, maar dan op een oppervlakte dat 66 keer in Nederland past. Per jaar heeft de gemiddelde Tokio-inwoner in totaal minder dan 60 seconden geen stroom. Volkomen onacceptabel natuurlijk. Er wordt uiteraard nergens zo veel geklaagd over stroomuitval als in Tokio. Jezus, laatst had ik minstens 2 seconden geen licht! Ik dien een vette klacht in!

In Nederland moeten we dan weer blij zijn met een ridicule 25 minuten stroomuitval gemiddeld per persoon per jaar. Belachelijk! Dat kan, nee dat moet beter. Ik bedoel: Tokioooo. Ja? Kan me niet schelen dat alle andere Europese burgers gemiddeld langer zonder stroom zitten ja!

In Congo mag je blij zijn als er eventjes stroom is. Maar liefst 35 uren per jaar zit de gemiddelde Congolees zonder stroom. Het komt geregeld voor dat je daar dagen lang geen stroom hebt. Niemand neemt daar voor lief dat er stroom uit het stopcontact komt. Maar áls het er is, dan is het feest!

En zo is het toch eigenlijk met alles? Luxe is maar eventjes luxe. Je wentelt je er drie keer in om en je begint je af te vragen of dit alles is. Welvaart went. Je wilt er steeds meer van hebben en je geniet er steeds minder van. Face it, jij bent waarschijnlijk ook een welvaartsjunkie. En nu moet ik dit snel op mijn blog zetten voor de stroom weer uitvalt.