Van tilemma tot y-slip

Okee, ik heb het volgende tilemma: Kun je eigenlijk nog spreken van een T-shirt als het lange mouwen heeft? Ik bedoel, die T krijgt dan wel armen die elk even lang zijn als het lijf. Een fatsoenlijke T heeft armpjes die korter zijn dan het lijf. Toch? In het US-Engels zeggen ze trouwens ook niet “T-Shirt with long sleeves”, maar kortweg “longsleeve”. Dat hebben we dan weer niet van ze overgenomen. T-shirt wel dus. Misschien moeten wij een langmouwig T-shirt wel “langmouw” gaan noemen.

Bij broeken is het eenvoudig. Een broek met korte mouwen heet een korte broek, en een broek met lange mouwen heet een lange broek. En waarom noemen we bij kledingstukken iets een mouw als er een arm door moet en een pijp als er een been door moet? Het zijn toch feitelijk in beide gevallen buizen die je kunt opvouwen.

En dan nog iets. Hoe noem je een broek zonder pijpen? We noemen en T-shirt zonder mouwen ook wel mouwloos shirt. Knip de mouwen er ook weer niet te ver af, want dan verandert “shirt” in “hemd”. Gek genoeg mogen we langmouw-shirts met knoopjes ook “hemd” noemen, maar dat terzijde. Een broek zonder pijpen is een lastige, want je moet de pijpen er zo’n beetje tot de liezen afknippen voordat de broek pijploos is. Bij ondergoed doen we dit doorgaans. En dan heeft de resterende onderbroek zowaar een Y-vorm. En die noemen we dan een “slip”, en niet Y-broek, of – haha- ypsilonderbroek.

Hm, Ypsil. Daar kun je ook weer Y-slip van maken. Ypsil Underwear. Dat klinkt best goed. Nieuw dilemma, moet ik mijn glansrijke infologie-carrière in de wilgen hangen en in de ondergoed-business gaan? En vanwege mijn oude carrière mag in het Ypsil-productassortiment de “Y-slip, type string” uiteraard niet ontbreken. Ach, wie hou ik voor de gek. Eens een nerd, altijd een nerd.

Twaalf

In het dal van de Klaraalf
Onder de rook van de Kradaalf
Groeit al een eeuwtje of twaalf
Een knoestige, oeroude Pontigaalf
In haar kruin broedt de bonte Falaraalf
Op haar eieren, ’t zijn er minstens twaalf
Die vormen het lievelingskostje van de Pitaalf
Verwant aan de veel grotere Fataalf
Een wurgslang van minstens een meter of twaalf
Soorten die alleen voorkomen op Lariaalf
Een vulkanisch eiland in de Koldaraalf
Haar inboorlingen noemen zich de Maniniaalf
Zij plukken de vruchten van de Pontigaalf
En hun gezinsgrootte is altijd minstens twaalf
Wat weer te maken heeft met het dieet van de Fataalf
Het is de wil van de oppermachtige Kradaalf
Wie naar heilige overtuiging van de Maniniaalf
Hun wereld schiep in een minuutje of twaalf

 

 

De Klaut

Vanochtend op de radio kwam een reklamespotje (Exact) voorbij waarin ondernemers heel vanzelfsprekend werden aangemoedigd om ook te komen ondernemen in “de klaut”. Ik weet natuurlijk heel goed wat ze bedoelen, en er bekroop me een zeker gevoel van gene. Ik praat zelf ook al jaren mee over “de klaut” en zie er de voordelen op zich heel goed van in. Toch kijk ik zo onschuldig mogelijk als mensen mij vragen wat het inhoudt. Zo van: “ík heb het niet bedacht hoor”.

In het reklamespotje spraken ze “cloud” ook echt uit als “klaut”. Je moet natuurlijk “klaaaauwd” zeggen. Wellicht komt daar mijn gene ook een beetje vandaan. Alsof ik medeverantwoordelijk ben voor een stukje taalvervuiling. De ICT heeft onze taal in de loop der jaren al “verrijkt” met woorden zoals: backuppen, gamen, hacken, e-mailen, hyperlink en laptop. We hebben het ook allemaal heel vanzelfsprekend over e-readers en tablets. Dus daar kan “cloud” ook nog wel bij.

Het zou zelfs kunnen dat ik (in 1996 al) de basis van datgene wat we nu cloud noemen, wél heb bedacht. Toen besefte ik niet wat ik anno nu zou aanrichten. Ook daar kan mijn gene nog vandaan komen. Ik noemde het toen trouwens een “verspreid opslagsysteem”. Zeg nou zelf: “ondernemen in een verspreid opslagsysteem” klinkt toch veeeeel beter?… Zucht.

Nog ’n Bokitootje Otto?

Hoe komt het dat een Guatamalese koffieboer een grote pluk Hollandse stro aan treft op zijn plantage?

Waarom verkneukelt Otto de Magiër zich erover dat zijn schele kater op een ochtend ontzettend nodig moet poepen?  

Op die bewuste ochtend loopt Otto de Magiër vrolijk fluitend naar de vaste schijtplek van Knarf, zijn monsterachtige kater. Hij duwt de takken van de grote, oude spar achterin zijn tuin aan de kant en woelt voorzichtig met een schep de aarde eronder een beetje om. Na even zoeken vindt Otto wat hij zoekt: een kuiltje vol met allemaal kleine, harde kattenkeuteltjes. Grinnikend graaft Otto de keuteltjes op. Tot nog toe loopt zijn plan op rolletjes. “Nee, hahaha, op drolletjes”, roept Otto uit. En met een plastic boodschappentas vol keuteltjes, dezelfde waarin hij eerst de in Guatamala geplukte koffiebessen had verzameld, loopt Otto naar de keuken. Daar pelt hij geduldig, 1 voor 1 de keuteltjes. In iedere keutel zit een grijs uitgeslagen koffieboon. Hij spoelt de bonen grondig schoon legt ze te drogen op de vensterbank, in het zonlicht.

Na een week of wat zijn de koffiebonen droog genoeg, en klaar om te worden gebrand. Otto aanschouwt ze tevreden in het licht van de volle maan. Het maanlicht geeft de bonen een magische glans.  Behoedzaam veegt Otto de bonen bij elkaar en stopt de meest potente koffiebonen die ooit hebben bestaan in een papieren zak. En met een knip van zijn vingers verdwijnt Otto, om even later te verschijnen bij zijn goede vriend Simon. Simon is koffiebrander, misschien heb je wel eens van hem gehoord.

Simon loopt door de branderij en voelt hoe zijn nekharen overeind gaan staan. Nagenoeg op hetzelfde moment hoort hij dit geluid: “fwwwwoep?!”. Simon kijkt rustig in de richting van het geluid en groet Otto met een opgestoken hand en een laag “heee”. Niet in het minst is Simon verbaasd dat Otto midden in de nacht op duikt. Otto steekt enthousiast van wal en laat hem de bonen zien. Simon steekt zijn neus in de zak en snuift de geur ervan op. Zijn ogen beginnen meteen te tranen en hij zegt: “jeeeesus, da’s goeie shit man. Is dat wat ik denk dat het is?”. Otto grinnikt en knikt enthousiast: “Ja, maar dan 100 keer beter”, en hij vertelt Simon het hele verhaal. 

Nu is het Simon’s beurt voor een stukje magie. Hij geeft Otto voor de zekerheid een gasmasker en zet er zelf ook eentje op. Dan gaat hij aan de slag met de in Knarf’s maag gefermenteerde bonen. Hij brandt ze driedubbel. Het resultaat is bijna twee en een half ons donkerbruine bonen die een magische zilverachtige glans hebben. Deze koffiebonen zijn zo potent dat alleen al de geur ervan je gegarandeerd drie dagen wakker houdt. Bij het malen van de bonen komt het potente aroma vrij, wat tot gevolg heeft dat alle mensen die in een straal van een halve kilometer rond Simon’s branderij wonen plotseling klaarwakker zijn.

Simon schept de gemalen koffie in het espressofilter en klikt het filter onder de espressomachine. Dan laat hij de machine zijn werk doen. Het apparaat puft en bromt en kraakt en perst dan druppelsgewijs een dampende, gitzwarte vloeistof in twee kleine koffiekopjes. Na een minuutje komt het apparaat sissend tot stilstand en zijn de kopjes vol. De damp die van de koffie komt heeft een magische zilverkleurige glans. 

Otto en Simon halen heel diep adem, nemen hun gasmasker af en houden hun adem in als ze de kopjes pakken. Ze moeten snel zijn, want het glazuur van de kopjes begint al te barsten. Zo snel als ze kunnen gieten ze de kleine kopjes leeg in hun mond. Even laten ze het in hun mond en slikken het dan door. Ze kijken elkaar dan plotseling met wijd opengesperde ogen aan, en beginnen over hun hele lijf te schudden. Uit alle poriën uit hun lijven parelt zweet. Zweet met een zilverachtige glans. Dan beginnen ze zich als bezetenen te krabben over hun borstkassen. Otto stoot een primair geluid uit en scheurt zijn hemd open, en ook Simon rukt zijn lab-jas, loeiend als Tarzan, open. Uit hun blote, kale basten schieten allemaal donkere haren, en binnen enkele seconden hebben de vrienden een borstkas waar Bokito jaloers op zou zijn. 

Verbijsterd nemen de vrienden elkaar op. Dan verschijnt er een manische grijns op hun gezichten en terwijl Otto alvast enthousiast met zijn hoofd knikt vraagt Simon: “nog ’n Bokitootje Otto?”

Infologie

Als iemand, bijvoorbeeld op een nieuwjaarsborrel, mij vraagt wat voor werk ik doe, dan zal ik argeloos antwoorden met: “ik zit in de ICT”. Daarmee doe ik bij volle bewustzijn gruwelijk afbreuk aan mijn beroep. Een vak waarvoor ik jaren heb gestudeerd en intussen al zo’n 20 jaar doe. 

Ik had ook “ik ben informaticus” kunnen zeggen, maar iets weerhoudt mij. Misschien is het bescheidenheid, maar waarschijnlijk is het gelatenheid. Gelatenheid over het feit dat aan informatica het stigma kleeft van brildragende bleekneuzen met vierkante ogen. Dus zeg ik altijd maar gelaten dat ik in de ICT zit.

Een meubelmaker zal niet zeggen: “ik zit in de meubelmakerij”. Nee, hij zal trots zeggen dat hij meubelmaker is. En daarop volgt een leuk gesprek over meubels en materialen. Mensen hebben een soort zwak voor ambachtelijke beroepen (ikzelf ook), dus daar kan ik niet tegenop. Mijn beroep is niet ambachtelijk, dus als ik zeg: “ik ben ICT-er”, krijg ik daarop vrijwel altijd een reactie zoals: “o, dan weet je vast veel van computers”,  waarop met een snelle blik de bleekheid van mijn neus wordt geverifieerd en het gesprek stopt. Mijn vak spreekt niet tot de verbeelding.

Informatici kunnen buiten hun vakgebied eigenlijk nauwelijks befaamd worden. Natuurkundigen wel. Denk aan Wilhelm Röntgen, Albert Einstein en Niels Bohr) Misschien zit ’t hem dus in “kundige”. Informatiekunde is volgens mij wel een tijdje in zwang geweest, maar heeft het blijkbaar niet overleefd. Niemand bezigt die benaming.

In beroepen die eindigen op “loog”, vind je ook vele beroemdheden. Zoals bioloog (Charles Darwin), archeoloog (Howard Carter), paleontoloog (Mary Anning) en psycholoog (Sigmund Freud).  Misschien helpt het daarom om het vak “informatica” voortaan “infologie” te noemen. Wie er in is afgestudeerd mag zich dan “infoloog” noemen. In het Engels wordt het dan helemaal sexy: infologist.

Ik zie het al voor me:
“Wat doe je voor werk?”
“Ik ben infoloog!”
“O? Wat interessant, daar heb ik nog nooit van gehoord. Wat doe je dan precies als infoloog?”
“Ik breng momenteel de infologie van de energiewereld, nou ja, een deel daarvan, in kaart zodat er een beter inzicht ontstaat in de de dynamiek van algehele infonomie en van de infotopen binnen die wereld.”
“Jeetje, wat gaaf zeg! Dat klinkt erg spannend. Wat ontdek je zoal?”
“Nou, onlangs heb ik binnen zo’n infotoop toevallig een tot nog toe onbekend infonisme ontdekt!”
“Serieus? Gefeliciteerd! Een infonisme, zei je? Eh.. ”
“Infonismen komen voort uit onzuivere algoritmen, en zijn beter bekend als ‘bugs’
“Ah, dus infologen speuren naar bugs?”
“Ach, in het begin van je carrière wel. Mijn ontdekking van laatst was louter toevallig. Ik hou me nu vooral bezig met beleid en strategie ter voorkoming van onzuivere algoritmen binnen de infotopen”

Je begrijpt het, ik verheug me op de komende nieuwjaarsborrels.

Van onderen!

Het schijnt winter te zijn, maar de paddestoelen tieren nog welig in het bos. Nou ja, heel talrijk zijn ze niet meer, maar er zijn er nog genoeg. Ik kan het nooit nalaten om ze te fotograferen. Dan zie je mijn diep gebukt in de bladeren zitten zodat ik de paddo in kwestie van zijn mooiste kant kan kieken: van onderen!
image

image

image

Verschil

Er is iets in me ontwaakt waarvan ik niet wist dat het sliep. Of sluimerde. Het is net of ik de wereld nu ineens nog steeds hetzelfde zie, maar dan een beetje contrastrijker. Het is maar heel miniem, maar ik voel van binnen uit een verschil.

Alsof mijn gezichtsveld fijner gedetaileerd is. Alsof mijn perceptie helderder is geworden en mijn horizon verder ligt.

Er is iets in mij ontkiemd waarvan ik niet wist dat het ooit geplant was. Of wortelde. Het is net of ik mijn omgeving ineens nog als voorheen beleef, maar dan ietsje levendiger. Het is maar heel miniem, maar ik voel van binnen uit een verschil.

Alsof mijn wortelstelsel fijner vertakt is. Alsof mijn kruin breder is geworden en hoger rijkt. 

Er is iets bij me gebarsten waarvan ik niet wist dat het scheurde. Of kriebelde. Het is net of ik eerdaags ineens mijn huid weer moet afwerpen. Eronder zit net zo’n vel, maar dan ietsje ruimer. Het is maar heel miniem, maar ik voel diep van binnen het verschil al.

Alsof mijn zenuwstelsel fijner vertakt is. Alsof mijn intuïtie scherper is geworden en duidelijker spreekt.

Een bewogen jaar

Probeer maar eens een foto te maken van het hele jaar. Geheid dat ‘ie bewogen is. Een vage, streperige plaat leg je dan vast. Vaak zijn maar enkele zaken scherp op die foto. En dat is heel normaal. Dat zijn de dingen van het jaar die je aandacht hadden en die je van dat jaar het beste zullen bijblijven.

Ook mijn 2013 zit vol vage strepen, de kleur wit overheerst. Door alles heen zie ik ook aardig wat groen met rode vegen en witte strepen (voetbalveld, het rood – VV-Dwingeloo – van de tenue-tjes van het juniorteam waarin onze zoon speelt). En deze zaken zie ik er scherp op staan (in chronologische volgorde):

stapels verhuisdozen

een slappe vaatdoek (een hondsberoerde ikke)

de Beierse vlag, de Allianz Arena en Schweinehaxe mit Semmelknödeln

de archipel van Stockholm, gezien over het roer (waar ik aan draai) van een zeiljacht terwijl de zon op mijn gezicht schijnt (een waar hoogtepunt, hier kan weinig aan tippen).

diepblauwe zonnepannelen op ons dak

klusjesmannen (van één zolder twee slaapkamers maken)

witte verf, heeel veel witte verf (het zijn twee flinke slaapkamers geworden)

Zweedse Rotfärg  – die typische rode verf van Zweedse huizen en gebouwen, gemaakt van een bijproduct uit een Zweedse kopermijn in Falun die we tijdens onze vakantie, op de verjaardag van onze oudste zoon, bezochten.

Donkerbruine aarde, heeel veel bruine aarde (het pimpen van onze tuin: ik deed het grondwerk, de tuinman de inrichting en bestrating)

Het jaar is nog niet helemaal voorbij, dus de foto is nog niet af, maar ik vind het nu al prachtig. Ik wens iedereen alvast een heel bewogen 2014!

 

 

Kippevel

Ja eigenlijk is het kippenvel, maar dat klopt gewoon niet qua gevoel. Die extra ‘n’ moet maar gewoon een stomme (onuitgesproken) ‘n’ zijn dan. Dat geldt ook voor panne(n)koek en miere(n)neuker. Niemand spreekt die ‘n’ uit. Bovendien heeft die extra ‘n’ een soort dovende werking op de lading van het woord. Als ik iemand uitmaak voor “pannuNNNkoek”, heeft dat een minder beledigend effect dan “Pannuh-koek”. 

Zo geeft kippeNNNvel bij lange na niet de sensatie die kippuh-vel geeft. Kippevel kan een prettige tinteling zijn die ergens in je nek begint, langs je oren naar je slapen kruipt en dan razendsnel langs je hele ruggegraat naar beneden schiet. Dat soort kippevel krijg ik als ik vol bewondering schiet over iets dat ik zie, of hoor, of zelfs alleen maar aan denk. Als ik Sven Kramer alweer een seconde van zijn ronde tijd af zie schaatsen bij de 10 kilometer, krijg ik dit soort kippevel. Het prachtige “Private Investigations” van Dire Straits bezorgt me telkens weer dit type kippevel.

En toen ik vanochtend mijn eigen voetbaltoppertje een hartstikke goeie kopbal zag maken, kreeg ik het ook. Een hele vette kippevel over mijn hele lijf. Dat zijn de allerlekkerste. Als ik mijn ogen sluit en die kopbal weer aan de binnenkant van mijn ogen afspeel, krijg ik het weer. Zaaaaalug. Dit soort kippevel is heerlijk en doet je van binnen opgloeien. Kippuh-vel, wel te verstaan. KippeNNNvel laat me niet gloeien. 

Kippevel kun je ook krijgen als je schrikt, of als je een gevoel van onbehagen bekruipt. Dat is heel ander soort kippevel. Dit soort kippevel voel je tot in je ruggemerg en tot in je botten. Brrrr. Vermeende ontmoetingen met spoken geven mij dit soort kippevel. Vrees voor je leven geeft je dit soort kippevel. Al je haren over je hele lijf staan dan overeind en je voelt je ijskoud. Je bent op je hoede en voelt je alles behalve op je gemak. KippeNNvel doet dit niet met je. Bij lange niet.

Weet je wat kippeNNNvel is? Dat is dat vieze, vette, kledderige velletje dat ik van de kippenpoot afpeuter met mijn vork, als dat velletje niet lekker knapperig is geworden. Om van te griezelen. En dat is dus een heel andere sensatie.