Buitenom

Op mijn route naar kantoor moest ik deze ochtend, op een oprit naar de snelweg, om een hoopje troep rijden. Geduldig onderging ik dat lot. Inwendig was ik daarover intussen al weer wat uitgekookt. Er vanuit gaande dat ik dan dus de snelweg vandaag maar even links moest laten liggen, sloeg ik rechtsaf om binnendoor te gaan. Die route is voor mij ook aardig vertrouwd. Ik ken daarop iedere rotonde, ieder stoplicht en iedere brug. Eigenlijk vind ik het een heerlijke route om te rijden, ook al kost het me ruim een half uur meer om op mijn werk te komen.

Op een snelweg (en ook van die autowegen met zo’n groene streep) zit je toch een soort van gevangen. Als je erop zit kom je er pas weer af bij de volgende afrit. Je móét doorrijden. Binnendoor voel ik me vrijer. Ik kan, bij wijze van, het stuur zomaar omgooien om een leuk boerelandweggetje te verkennen. Iedere kruising en rotonde vertegenwoordigt een punt waarop ik tot een spontane ommezwaai kan besluiten. De snelweg jaagt me vooral op. De binnenweg heeft een veel rustgevender effect op me.

Eigenlijk is het gek om het een binnenweg te noemen, want op de binnenweg voel ik me veel meer buiten dan op de snelweg. Daarbij moet ik me natuurlijk afvragen in hoeverre je buiten bent in een auto, maar toch. Binnendoor voelt me én niet buiten genoeg, én, vanwege “door”, ook nog te opjagend. Al met al – en dan neem ik het omrijden echt voor lief – kom ik dan uit op buitenom. Wat een geruststelling dat dat woord al gewoon bestond. En ik zie ook een geruststellend raakvlak met deze nuchtere uitdrukking: als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan. Als het tegenzit kan je altijd buitenom.

Projection…

Assumption is the mother of all fuckups. Een uit de VS overgewaaide uitdrukking. Je zal toch je kinderen maar “fuckups” noemen. Dat doet een moeder niet, denk ik. Dat doen eerder hun vaders. Ik denk zelfs dat the father of all fuckups Assumption er de schuld van gaf dat zijn bloedeigen kroost fuckups zijn geworden. Hij projecteerde eigenlijk zijn eigen nare eigenschap zijn aannames nooit te verifiëren, op zijn arme echtgenote. Dus kan ik maar één conclusie trekken…

Blijdehand

Ergens midden in de pandemie startte ik met een online cursusje die mij beloofde te leren te doen waar ik blij van word. Ik had die opleiding in een opwelling aan mijn ontwikkelplan toegevoegd. Ik voelde me toen al meteen blijer dus heb ik misschien gedacht dat ik de opleiding dus niet meer nodig had. Toen ik vandaag weer eens zat te snuffelen op ons “digitale leerplein”, werd ik eraan herinnerd dat ik deze cursus nog niet had afgerond. O jee. Ik vroeg me maar eens eerlijk af of ik wel voldoende doende ben om mezelf blij te maken. En hoe is het überhaupt met mijn blijdschap gesteld? Hoe blij ben ik op een schaal van 1 tot 10? Diep in mijn bloedend hart schort het momenteel wel behoorlijk aan blijdschap, dus de score is mager. Vooruit, een zes min, maar ik mats mezelf dan behoorlijk. Hoe dan ook, het kan een heel stuk blijer. Dus ik begon maar weer eens met frisse moed aan de opleiding.

De opleiding veronderstelt dat blijdschap en geluk hand in hand gaan. Een blijer mens voelt zich gelukkiger. Geluk zit ‘m veelal niet in het grote maar in het kleine. Wist ik natuurlijk al. Niet iedereen wordt blij van dezelfde dingen. Het komt er dus op neer dat ik moet mezelf gaan bevragen waar ik nou blij van word. Waar kijk ik dagelijks/wekelijks naar uit? Waar krijg ik energie van? Wat vond ik vroeger leuk, maar doe ik nooit meer? Wat zou je elke dag kunnen doen zonder dat het je verveelt? Er komen wel antwoorden, maar niet van harte.

Gelukkig kan de opleiding me daar ook handvatten bieden. Ik moet eerst wat obstakels nemen om mijn weg naar geluk terug te vinden. Negatieve ballast belet me blijkbaar de weg naar mijn gedroomde blijdschap. De opleiding stelt me gerust dat iedereen te maken krijgt met tegenslagen. Ik weet al dat een afgrond niet het einde is, maar juist het begin, dus hier begint de cursus iets meer bij me te resoneren. En hier krijg ik de handvatten waar ik wat mee kan: verlicht verplichtingen, jaag beren van de weg, doe minder maar geniet meer. Eigenlijk dus vooral minder moeten, en meer mogen. En beren jaag je weg door er iets positiefs tegenover te zetten.

Op mijn weg staat alleen een beer van een beer. Hij werpt een lange schaduw over de weg. Maar dat komt niet door de beer, maar door de lage stand van de zon. Ik ga lekker in de berm liggen in zijn schaduw. Niet omdat dat moet, maar omdat dat mag. Met een lange grasspriet in mijn mond en mijn handen onder mijn hoofd kijk ik naar de wolken die voorbij drijven. Die ene lijkt warempel wel een beer. En hij drijft gewoon voorbij. Ik kijk even om naar mijn grote wegbeer. Hij staat er nog maar oogt nu al kleiner. Ik leer het al.

Afgrond

De verwarring zit ‘m daarin dat ik niet meer weet waar ik precies eindig. En ook mijn begin is een waas. Begin en einde lijken wel in elkaar over te lopen. Ik lijk namelijk steeds maar weer terug bij af te moeten komen. Zo heb je een horizon met eindeloze nieuwe mogelijkheden, en zo sta je ineens bij de afgrond.

Zo treffend hoe dat woord past: “afgrond”. Er zit mooie speling in dit woord. Zie de ironie van de dubbele bodem ervan. Er klinkt in door dat er een gegronde reden is dat je weer bij af bent uitgekomen. Een reden die ik moet onderzoeken voor mezelf. Hoe komt het dat ik telkens afsteven op af? Is het gewoon een normale, gezonde cyclus? Ik ben daar eigenlijk wel van overtuigd. Iedereen draagt een afgrond in zich waar een zuigende werking vanuit gaat. Het is je duistere kern. Je afgrond is ook je ultieme toeverlaat.

Ik begin mijn afgrond steeds meer te zien als mijn basis. Het vormt het fundament van mijn wezen. Terug bij af moet je jezelf weer hergroeperen, je weer verenigen met jezelf. Uit je afgrond komen kernvragen. Waar sta ik? Waarom sta ik daar? Waar wil ik staan? Wat wil ík? Waarom wil ik dat? Vragen die eerst heel voorzichtig vanuit mijn onderbewuste omhoog drijven. En als ik besef dat ik er bewust over nadenk is mijn afgrond dus nabij. Eventjes bekruipt me een gevoel van paniek, maar het ebt snel weg als ik bedenk dat mijn afgrond niet het einde is, maar het begin.

En door

Als de verwarring te groot wordt ga ik eerst op zoek naar mezelf. Dan stel ik vragen aan mezelf. Wat is belangrijk voor mij? Hoe sta ik erin? Hoe wil ik erin staan? Eigenlijk ga ik dus bewust nadenken over mijn positie in de verwarring. Ik zoek dus weer houvast bij mezelf. Dat is misschien wel het belangrijkste trucje in mijn rugzak: het kunnen hervinden van mijn eigen evenwicht. Het onderwerp van verwarring zet ik in mijn hoofd op ongeveer een meter afstand voor me in de lucht en laat het langzaam draaien. Ik moet even alle kanten ervan zien. Hier en daar zoom ik in op ongemakkelijke kanten. Om te onderzoeken wat ik daar nou echt van vind. Dat wat me verwarde wordt steeds minder warrig. Soms duurt dit niet meer dan enkele minuten, en soms kost het me een paar dagen waarbij ik enorme afstanden wandel. Ik ga er net zo lang meer door tot al mijn gedachten die hierover door elkaar liepen, zijn ontrafeld. Net zo lang tot de knoop uit mijn maag is. De situatie verwart me niet langer en dan doe ik wat ik ermee doen moet. Ik laat wat toe, ik laat wat gaan, en door.

Vergadersalamander

Het is eigenlijk maar een dooie boel op kantoor de laatste tijd. De covidpandemie lijkt de vergadertijger wel te hebben uitgeroeid. Iedereen werkt maar naar believen op afstand. Met als gevolg dat ik op kantoor ook voornamelijk zit te videovergaderen. Daarvoor duik ik dan onder in een speciaal daarvoor bestemd hokje. Een glazen hokje. Een videovergaderterrarium. Het komt voor dat ik daar uren achter elkaar in zit. Af en toe kom ik er even uit voor verse zuurstof en dito koffie. De transformatie is duidelijk: van vergadertijger, naar vergadersalamander.

Koes

Eigenlijk klopt er niets van koeien. We spreken toch immers ook niet van gnoeien? Waarom staan onze weiden niet gewoon vol koes? Koeien klopt niet. Ja, tenzij we er één koei van maken. Kiest u maar. Mij boeit het niet, zolang we maar consequent zijn. We zouden ook nog kunnen onderzoeken of we alle enkelvoudige zelfstandige naamwoorden die eindigen op een i van die i zouden kunnen ontdoen. Dan volgen we het model van de vlo. Geen “haai” meer, maar “ha” dus. Inderdaad een heel gedoe, maar als we koeien per se willen behouden, moeten we alle opties overwegen. Eventjes dacht ik dat ik de oplossing had gevonden door “koe” maar helemaal af te schaffen. Er is immers nog het synoniem “rund”. Maar helaas pindakaas, dan zijn we terug bij af met runderen. Weg was mijn ei van Columbus. En pardoes struikel ik mentaal over eieren. Ik hang mijn rode pen maar in de wilgen.

Ruimdenker

In mijn hoofd draaien veel gedachten om elkaar heen. Dat is voor mij normaal. Ik denk heel veel en heel breed. En ik denk holistisch. Uiteindelijk komen gedachten die eerst heel ver uit elkaar leken te liggen, toch bij elkaar. Daar kunnen weken, maanden overheen gaan. Ik ben ruimdenker. Letterlijk. Dus ga ik veel naar buiten, de natuur in. De weidsheid van de weilanden geven mijn gedachten de volle ruimte die ze nodig hebben. Bomen lijken mijn gedachten haast wel te absorberen. Het is alsof ze meedenken. Nee, het is alsof ze mijn gedachten overeind helpen te houden. Ik gebruik hun takken om gedachten aan op te hangen.

De laatste tijd denk ik veel na over mijn vaderschap. Daar rijzen steeds die irrationele twijfels. Mijn jongste zoon (bijna 13) heeft een veel te hoog IQ. Scholen weten daarmee geen raad. Het ventje worstelt met zijn identiteit omdat hij klaarblijkelijk niet past in het model dat de school voorstaat. Een kind moet passen in het systeem in plaats van andersom. Passend onderwijs is een wassen neus, kan ik je zeggen. Mijn jongen kan zich niet aanpassen aan de schoolnorm. Hij kan daar niets aan doen. Het is echt geen dwarsheid, ook al lijkt dat wel zo. Zijn brein krijgt onvoldoende uitdaging en dat leidt tot frustratie. Een te hoog IQ gaat gepaard met een na ijlende emotionele intelligentie, dus die frustratie uit hij niet als een 13-jarige, maar als een veel jonger iemand. Dat zet hem dus nog verder apart. Het doet mij letterlijk pijn om mijn zoon te moeten zien worstelen met zijn identiteit. En ik voel me eigenlijk steeds machtelozer.

Over hoogbegaafdheid heb ik intussen veel gelezen. Ik snap de theorie, maar ik kan me niet verplaatsen in een hoogbegaafde. Ik kan me niet voorstellen hoe het is om een te hoog IQ te hebben. Die “te” is natuurlijk onzin. Die van mij schommelt trouwens tussen de 100 en de 120, wat af hangt van de hoeveelheid daglicht op een dag. Ik ben hooguit hoogbevaagd. Dus ik voel mij als vader van een hoogbegaafde best onzeker. Hij kan me ook af en toe ook best onnozel laten voelen met zijn niet persoonlijk bedoelde sarcastische, intelligente opmerkingen. In mijn hoofd heb ik maar een mantra aan staan: “Blijf zacht, blijf geduldig. Ben er maar gewoon voor hem, want hij heeft je echt nodig”. Niet altijd makkelijk. Hij kan mijn wervelgedachten als geen ander laten opvlammen tot een orkaan zodat ik zomaar van mijn stoel op spring en naar buiten vlieg. Hoge denknood.

Belabberde vreemdganger

Toen ongeveer een week geleden het koppelingspedaal van de auto bleef hangen besloot ik om vreemd te gaan. Nou ja, niet in eerste instantie. Ik ben namelijk erg trouw. Maar hoewel ik niet onmiddellijk werd afgewezen, bleek die trouw niet wederkerig. Er werd duidelijk geen prioriteit aan mij toegekend. Aanvankelijk was ik, zoals altijd, begripvol. Natuurlijk was er geen haast bij. Als een mak lammetje liet ik me naar achteren in de agenda verhuizen.

Na een nacht draaien in mijn bed besloot ik mijn heil bij een ander te zoeken. Ik kon dezelfde middag al langs komen. We maakten samen een ritje in de auto. De wagen liet het niet afweten en deed erg zijn best, ondanks het slappe koppelpedaal. Na een kwartiertje rijden stelde de monteur een geruststellende diagnose, en ik mocht mijn trouwe bolide achterlaten. Hij zou zijn uiterste best doen en ik kreeg een leenauto mee.

Natuurlijk heb ik mijn vaste garage even op de hoogte gebracht van mijn vreemdgaan bij een ander. Zoals ik al kon verwachten was de reactie emotieloos. Het maakte hem weinig uit. Er kwam zelfs geen reactie toen ik dan maar zei dat hij het moest zien als een avontuurtje, een tussendoortje. En dat dat niet betekende dat alle voorheen ontvangen service niets voor me betekende. Hij gaf geen kik.

Vandaag kon ik mijn auto weer ophalen bij die ander. Ik kreeg een dampende kop koffie en een uitgebreid verslag van het verrichtte werk. De auto was duidelijk gepoetst en stond te glimmen in de werkplaats. Mijn hart maakte zowaar een sprongetje. Zoveel liefde! Maar daar hing wel een leuk prijskaartje aan. Dat dan weer wel. “Nou meneer, met deze auto zou ik in vol vertrouwen naar Zuid-Frankrijk rijden, maar hij heeft wel een grote onderhoudsbeurt nodig”, werd me verteld, gevolgd door een lijst die me nog net niet naar adem liet happen. “Hij is het waard hoor”, verzekerde de garagehouder me. Dat is voor latere zorg, besloot ik. En ook dat ik met hangende pootjes terug ga. Ik ben een belabberde vreemdganger.