Taal

Struikelpartijen over taalkronkels

Doorvertalen

Het handige van Google Translate is dat je teksten die in een voor jou onleesbare taal staan, even snel naar je moedertaal kan vertalen. GT doet heel erg zijn best, maar maakt soms heel grappige foutjes. Het wordt leuk als je GT gaat voeden met zijn eigen (mis)baksels. Neem nou dit onschuldige Nederlandse zinnetje:

Terwijl hij de gelaarsde kat uit de boom keek viel de appel niet ver van de boom op zijn kop.

Als ik dit met Google Translate naar het Engels vertaal krijg ik:

As he watched the booted cat from the tree, the apple fell not far from the tree.

Een beetje een kromme vertaling. Ik zou niet zo snel “fell not far from” zeggen. Wat opvalt is de toegevoegde komma tussen de twee delen van de zin. Die komma is daar heel intelligent neergezet. Maar “op zijn kop” is niet eens mee vertaald. Als ik deze vertaling weer (met GT) naar het Nederlands doorvertaal, krijg ik:

Terwijl hij de opgestoken kat vanuit de boom gadesloeg, viel de appel niet ver van de boom.

Van gelaarsde kat naar opgestoken kat. Ik zie dat voor me. Steek je kat op als je het antwoord weet. Opgestoken katten sla je bovendien blijkbaar gade. Als ik dit dan weer laat doorvertalen naar het Engels wordt het:

As he watched the raised cat from the tree, the apple did not fall far from the tree

Nu wordt het pas “did not fall far from”. Het was eerst “fell not far from”, maar blijkbaar moet je even een paar keer doorvertalen voordat dat goed komt. En weer door naar het Nederlands:

Terwijl hij naar de opgeheven kat van de boom keek, viel de appel niet ver van de boom

De kat wordt niet langer uit de boom gekeken. Maar goed, ze is dan ook al opgeheven.


Het eikelwezen

Een eikel is, naast vrucht van de eik, een niet zo aardig bedoelde bestempeling van een mannelijke persoon. Zelf ben ik ook wel eens uitgemaakt voor eentje. Een ongelooflijke zelfs. Blijkbaar scheen ik me toen ongelooflijk lullig te gedragen. Het eikelwezen is blijkbaar ook alleen weggelegd voor mannen. Vrouwen kunnen zich wel lullig gedragen natuurlijk, maar worden nooit voor eikel uitgemaakt. Tot nog toe heeft de emancipatie hier geen verandering in gebracht. Hoeft van mij ook niet. Wat mij betreft mogen scheldwoorden wel gender-specifiek zijn. Het eikelwezen is dus een mannelijke aangelegenheid. Het eikelwezen is verbonden aan het hebben van een piemel. Het uit de voorhuid gekropen topje daarvan heeft immers een grote gelijkenis met een eikel. Vrouwen hebben geen piemel, dus ook geen eikel (ik vraag me nu ineens wel af of het zuurpruimwezen alleen een vrouwelijke aangelegenheid is). Maar wat doen we qua eikelwezen met transseksuelen? Tot vrouw getransformeerde mannen die hun eikel nog hebben, zou je technisch gesproken nog voor eikel mogen uitmaken. En tot man getransformeerde vrouwen zonder piemel technisch gesproken dus niet. Je baseert je keuze om de zich ongelooflijk lullig gedragende persoon voor eikel uit te schelden eigenlijk puur op het uiterlijk. Weet jij veel of er sprake is van een pruim of een eikel? Je kan het toch moeilijk eerst voor de zekerheid gaan controleren. Misschien eerst een knietje in het kruis geven en dan pas gaan schelden? Wat een gedoe. Toch lastiger dan ik dacht, dat eikelwezen.

Smachten

Onderweg naar kantoor rij ik achter een busje van een of andere koffiebonenhandelaar. Op de achterklep prijkt een foto van een geopende baal ongetwijfeld heerlijk geurende koffiebonen. Die geur spat eigenlijk van de foto af. Die o zo verleidelijke geur van vers gebrande koffiebonen.

Alleen al bij de herinnering aan die geur loopt het water me in de mond. De stimulerende foto achterop het busje riep die herinnering met brute kracht bij me op. Bovendien ben ik een coffee junk. Dus ik smacht plotsklaps naar een heerlijk kopje verse koffie. Een dampende, dubbele espresso.

Smachten is branden van verlangen. Smachten is een smeekbede van je genotscentrum. Smachten is hunkeren. Smachten is balanceren op het bitterzoete randje van wanhoop. De klank van “smachten” komt ook precies overeen met het gevoel ervan.

En natuurlijk loopt het verkeer op dat moment vast. Minuten lang kruip ik met een slakkengangetje achter de koffiebonen aan. Mijn roodomrande ogen puilen uit hun kassen. Mijn tong hangt uit mijn mond. Het moeten wachten doet het smachten kantelen naar wanhoop. Nu smacht ik niet langer naar koffie, maar doe ik er een moord voor.

Blijkbaar schijn ik

Als iemand een zin met “blijkbaar” of “klaarblijkelijk” begint, schuilt achter die zin  een oordeel. Zo voel ik het in ieder geval. Blijkbaar ben ik daar extra gevoelig voor. Klaarblijkelijk is dit het lot van taalpietlutten zoals ik. Met “blijk” en “schijn” kan iemand mijn gevoelige snaren bespelen. Dat is mijn juk. “Blijkbaar schijn jij te denken dat…”. Afhankelijk van mijn gemoedstoestand filter ik alles wat na “jij” komt eruit. Want daarop volgt een prikkelend oordeel. Ik hoor dan dus alleen nog dat ik blijkbaar schijn. Dat heb ik schijnbaar nodig.

Van harte gedigitaliseerd

Onderweg in de auto vroeg ik me ineens af of er wel een tegenovergestelde is van digitalisering. De tegenhanger van digitaal is analoog. Iets analoogs kun je digitaliseren, maar iets digitaals kun je niet analogiseren. Dat werkwoord bestaat niet. Maar we doen het wel voortdurend. Soort van. Van digitale opnamen van muziek maken we met z’n allen dagelijks massaal analoge geluidsgolfjes die toch echt als muziek in onze oren klinken. Het heet dan digitaal-analoog-conversie.

Misschien is het ook wel logisch dat het werkwoord “analogiseren” niet bestaat, want het kan niet, hooguit bij benadering. Het staat ook niet in de Van Dale. De digitale versie van iets analoogs is per definitie in kwaliteit verlaagd. Digitaliseren gaat altijd gepaard met kwaliteitsverlies. Altijd. De digitale versie is altijd een minderwaardige kopie van het origineel. De conversie “terug” naar een analoge versie levert iets op dat niet meer 100% hetzelfde is als het origineel.

Gelukkig zijn onze zintuigen ook helemaal niet in staat om het origineel 100% waar te nemen. Onze oren horen maar binnen een begrensd frequentiebereik. Onze ogen kunnen maar een beperkte hoeveelheid kleuren onderscheiden. Een doorsnee computer gebruikt de waarde 0 voor de kleur (absoluut) zwart. De meesten van ons zullen 1 nog even zwart vinden. Een tekst in de digitale kleur 1 op een achtergrond in de digitale kleur 0 (absoluut zwart) kunnen wij niet lezen. De kleur 25 op zwart is nog steeds onleesbaar. Zie het plaatje hieronder.

zwart

Op het beeldscherm van mijn laptop zie ik het verschil tussen zwart en zwart+25 dus niet. Er zijn dus meerdere digitale versies van wat ik als zwart waarneem. Mijn punt is dat we graag genoegen nemen met de inferieure kwaliteit van “geanalogiseerde” digitale informatie ten opzichte van het origineel. We zien en horen het verschil toch niet, of in ieder geval niet genoeg om er niet van te kunnen genieten. De audiofielen van deze wereld zullen het niet met me eens zijn, en misschien hebben ze best gelijk, maar daar gaat het me niet om.

Waar het me om gaat is dat ik vanmiddag ineens moest nadenken over het werkwoord “digitaliseren”. Dat overkomt me regelmatig. Een woord dat voorheen heel vertrouwd was, voelt dan plotseling heel vreemd. Alsof ik het voor het eerst echt zie. Ik had ineens moeite met “digitaliseren”. En ik hou me er beroepsmatig dagelijks mee bezig. Als infoloog streef ik naar de volledige digitalisering van de wereld, want dat moet. Zo ben ik geprogrammeerd. Maar door mijn plotselinge vertwijfeling om “digitaliseren” vroeg ik me dus ook meteen af waar ik in hemelsnaam mee bezig ben. In plaats van de originele, analoge wereld te redden, werk ik naar hartenlust mee aan een minderwaardige kopie ervan. De hele wereld wordt van harte gedigitaliseerd! Maar ach, jullie zien het verschil toch niet.

Jukken en garelen

Laatst sprak ik met iemand over een juk waaronder ik momenteel gebukt ga. Ik probeer wel fier te staan, maar het juk drukt me constant omlaag. Jukken zijn trouwens houten werktuigen die je over je schouders legt met aan weerszijden een last. Emmers met water bijvoorbeeld. En trekdieren (paarden, ezels, ossen) trekken een kar vooruit met een juk. Garelen worden voor trekdieren gebruikt voor hetzelfde doeleinde. Jukken en garelen bedwingen. Onder een juk ben je een slaaf. In het gareel ben je braaf.

Bullock_yokesDoor CgoodwinEigen werk, CC BY-SA 4.0, Link

In figuurlijke zin moet en mens zich afvragen waar zijn/haar jukken en garelen vandaan komen. Zou het misschien zo kunnen zijn dat de drijver en de slaaf één en dezelfde persoon zijn? Het geeft wel te denken.

Tooling

In mijn omgeving hoor ik de laatste tijd erg vaak dat er “tooling” nodig is om het werk van iemand te vereenvoudigen. Dan heb ik het over een ICT-omgeving. Daarin wordt sowieso al veel onnodig gedweept met de Engelse taal, maar dat heb ik maar lijdzaam geaccepteerd als een fact of life. Desalniettemin wekken nieuwe Engelse taalfratsen regelmatig mijn weerzin. Zo ook “tooling”. Instant jeuk.

In de ICT kenden we natuurlijk al “tools”. Ontwikkeltools,  testtools, disktools. Daar kan ik best mee leven, want toegegeven, “tool” is een stuk korter dan “gereedschap”. Hier wordt in ieder geval nog de betekenis goed gebruikt. Bij “tooling” dus niet. Dus jeuk. Als je de betekenis van “tooling” op zoekt, krijg je ruwweg de volgende twee betekenissen:

the process of providing a factory with machinery in preparation for production

any decorative work done with a tool

Ik trek daaruit de conclusie dat tooling dus eigenlijk een werkwoord is. What are you doing? Oh, I’m tooling this leather book cover.

Nu weer terug naar de Nederlandse ICT-sector. Wat ik daar zie is dat “tooling” wordt gebruikt als een soort meervoud van “tool”. Laatst hoorde ik bijvoorbeeld dat er behoefte was aan nieuwe tooling voor systeemmonitoring (de spellingcontrole vindt dat een correct Nederlands woord). En ik ving een gesprek op over de selectie van IAM-tooling.

681e4065a3cb40c036dcc7f021687ca2

In beide gevallen bleek er behoefte aan een verzameling tools, een multitool. Je zou natuurlijk ook “toolbox” of “toolkit” kunnen zeggen. Of wat dacht je van “voorziening”? Maar ja, wie ben ik? Ik zal ook wel weer aan “tooling” wennen. Af en toe een beetje krabben tegen de jeuk, maar ik overleef het wel.

De weide

Tijdens een lange wandeling met een goede vriend hoorde ik mezelf zeggen dat ik nog lang niet uitgekeken ben op de weide waarin ik rond huppel, omdat ik nog lang niet aan alle bloemen had gesnuffeld. De weide stond in die zin voor het werk dat ik momenteel doe. Ik put er ontzettend veel levensplezier uit, en dat kan ik nog heel lang doen. Het is een uitgestrekte weide. Het reikt tot aan de horizon.

Ooit waren de goede vriend en ik collega’s. We konden het van meet af aan goed vinden met elkaar. We hebben hetzelfde gevoel voor humor. Zoiets schept meteen een band. Nu hebben we het type vriendschap waarin je elkaar soms jaren niet ziet, maar elkaar niet vergeet.

En omdat we elkaar niet uit het oog waren verloren, dwaalden we samen door het bos. Ons gesprek dwaalde ook alle kanten op. Het ging dan weer over toen, dan weer over nu. Toen waren we naïef en gelukkig. Nu waren we veel wijzer. Toen waren we collega’s. Nu zijn we lotgenoten.

Lotgenoten. Twee mannen met een gebroken hart. Om verschillende redenen, maar dat maakt niet uit. We zijn allebei uit een diepe put geklommen. We konden elkaar steunen. We konden ontboezemen. Het is fijn om ellende te delen met iemand voor wie dat heel erg herkenbaar en invoelbaar is.

We spraken over nieuwe inzichten in onszelf. Mijn bloemenweide die nog vol door mij onbesnuffelde bloemen staat, is zo’n inzicht. Mijn dwaalgenoot snapte precies wat ik bedoelde en zag zichzelf al vrolijk door zo’n weide huppelen. Hij zit momenteel zonder werk, maar vast niet voor lang. Hij ging mijn mooie zin onthouden, zei hij. Jij vindt weer een bloemenweide waar je vol passie doorheen kan huppelen, beloofde ik hem. Ik beloofde mijn ogen en oren voor hem open te houden.

We hadden het over geluk en liefde. Over warmte en genegenheid. Over hoe het ons daarin nu ontbrak. We waren heel open over hoe onbezonnen we in onze op de klippen gelopen liefdes waren gedoken. Misschien hadden we meer moeten scharrelen. We hadden er beter aan gedaan om eerst ook wat andere bloemen te besnuffelen. Maar we waren te onzeker. Te verlegen en te afwachtend. De bloemen werden vanaf een afstandje door ons bewonderd. Heimelijke liefdes die nooit opbloeiden.

Maar we spraken ook over hoop. Over toekomstige liefde. De weide staat vol bloemen. Kijk maar eens om je heen. Ik ga weer genegenheid en geborgenheid voelen, voorspelde hij. Hij raakte mijn gevoeligste snaar en ik werd er stil van. “Je hoeft je er alleen maar voor open te stellen”, zei hij. Eigenlijk geloof ik niet dat ik dat ooit weer kan. Bloemen zijn allemaal giftig. Dus ik laat het snuffelen en hou het voorlopig maar bij huppelen.