Taal

Struikelpartijen over taalkronkels

Doendenken en beginzin

Eerst denken, dan doen, zei mijn vader altijd tegen me. Met pedante nadruk op eerst en dan. Het zeggen ervan was volgens mij een soort mantra geworden. Hij zei het automatisch, bij alles wat ik in zijn ogen verkeerd deed. In mijn beleving zei hij het te pas en te onpas. Meer onpas dan pas eigenlijk. Ach, misschien had hij toch gelijk en was het toch wel meer te pas. Ik denk namelijk terwijl ik doe. Dat kan prima. Je zou kunnen zeggen dat ik toch heel letterlijk eerst denk en dan doe, maar dan in hele minuscule stapjes. denk-doe-denk-doe-denk-doe-denkdenk-doedoe. Niet te veel vooruit kijken, en steeds bijsturen. 

Het doel dat ik wil bereiken heb ik altijd wel vrij helder. Maar ook met een doel dat ik nog niet helemaal scherp heb, kan ik al beginnen te doen. Ik weet immers al waar ik ongeveer wil uitkomen en zie wel hoe ik er kom. Niet teveel plannenmakerij dus. Plannen vind ik maar niks. Mijn vader hoopte dat wel in mijn hersenen te spoelen met zijn mantra, maar helaas, ik ben een doendenker. Ik doe en denk simultaan. De mantra is wel altijd blijven nagalmen in mijn hoofd. Het draait er rondjes en veroorzaakt kleine wervelstormpjes. In het geraas hoor ik enkel 2 woorden: denken-doen-denken-doen-denken-doen-denken-doen-denken. Doendenken dus.

Dit jaar op 24 april zal ik al weer 14 jaar in het zelfde huwelijksbootje varen als mijn lieve echtgenote. Al 14 jaar probeert ze me hetzelfde te leren als mijn pa: Gebruik nou eens je hoofd! Ze bedoelt hetzelfde: éérst denken, dán doen. Ze heeft natuurlijk gelijk, want dat heeft ze altijd. Het probleem is ook niet dat ik niet wíl nadenken. Mijn handen gaan meteen aan de slag bij het zien van het licht. Daarvoor hoef ik niet alles helemaal door te denken. En terwijl ik dan druk doende ben, gaat de denkmachine vast verder om beter op dat licht af te stemmen. Dit is het patroon: evenkortdenkedenkedenke-licht!-doen-denken-doen-denken-doen-denken.

Nu is er ook nog dat oude gezegde: Bezint eer ge begint. Je raadt het al, daarmee kan ik slecht uit de voeten. Ik bezin zeg maar precies genoeg (volgens mijn metingen) en ga aan de slag. Ik ben een doendenker met teveel beginzin. Het gekke is wel dat dit gedrag zich 180 graden draait als ik iets moet doen dat ik niet leuk vind. Dan kan ik alleen nog maar denken, eindeloos denken. 

Boterham

Het is een sneetje van een brood. Een sneetje worst noemen we dan weer een plak. Tenminste, als het niet te dik gesneden is, want dan wordt het een homp of een stuk. Een plakje wortel is dan weer een schijfje.

En alleen bepaalde sneetjes brood mag je boterham noemen. Ik heb geen scherp afgekaderde definitie, maar stokbroden kun je bijvoorbeeld geen boterhammen van snijden. Dus niet al het brood is boterhamwaardig.

Ik begin te vermoeden dat de vorm van de broodplak bepaalt of het een boterham mag heten of niet. Een soort paddestoel met een dikke steel. Die vorm denk ik aan bij een boterham. Maar ik noem een plak vloerbrood ook een boterham. Die plakken hebben de vorm van de hoofdletter D. Misschien is het toch niet de vorm.

En dan nog het woord zelf. Ja, op een sneetje brood is boter vrij standaard, maar ham niet. Of was vroeger toen de boterham werd uitgevonden ham het enige beleg dat bestond? Hier kom ik niet uit.

Wikipedia raadplegen leert me dat de herkomst van het woord onduidelijk is. Vroeger werd een sneetje brood ook wel een “rammel” genoemd. Een mogelijk oorsprong daar weer voor ligt in België, want daar noemen ze een geroosterde boterham een rammeke. Zie je wel, het ligt dus niet aan ons Nederlanders dat wij over boterhammen spreken. Die rare Belgen toch 🙂

Bek-lijven

Wat een gedrocht van een werkwoord is dat toch: beklijven. Ik lees dus altijd bek-lijven in plaats van be-klijven. Voor hetzelfde geld is “beklijven” gewoon het meervoud van beklijf. Godsamme wat heb jij eigenlijk een ontzettend beklijf! Je bent gewoon één en al bek, zo’n grote bek heb jij. Een soort pacman eigenlijk. Beklijven is dus een bommelwoord. Dat is een woord dat je op meer dan één manier kan lezen of uitspreken, zoals het welbekende bommel-ding.

Iemand vroeg me ooit eens om dit rijtje hardop te lezen:

barneveld
beneveld
theepottuitje
pijpetuitje

Juist: bene-veld en pijpe-tuitje. Nog twee bommelwoorden.
Dit geinige rijtje kan dus mooi worden uitgebreid met:

olijven
beklijven

Lelijk als het woord ook moge zijn, het wordt wel vaak dankbaar gebruikt als een soort excuus wanneer je nieuwe materie niet zo 1-2-3 allemaal kunt bevatten. Het duurt gewoon even voor nieuwe kennis bij mensen beklijft. Voor het blijft hangen dus. Ik doe het nu zelf ook, in mijn nieuwe baan. Gelukkig mag een nieuwe medewerker zich in het begin meestal nog fijn achter zijn (of haar) beklijfproces verschuilen. Ik mag nog ongegeneerd glazig kijken als ik in een vergadering weer eens een term hoor langskomen die ik nog niet kan plaatsen. “Eh, misschien een gekke vraag, maar wat is een TAO?”, vroeg ik nog in mijn proeftijd tijdens een bijeenkomst vol TAO-deskundigen (zo bleek achteraf). Ik zag de verbijsterde blikken best. “Ja, sorry hoor, het moet allemaal nog gaan beklijven voor me”, zei ik dan maar. De verbijstering sloeg meteen om in sympathie.

Ik merk dat dingen bij mij  sneller beklijven als ik het opschrijf. Kortom: schrijven doet beklijven. Dus wie schrijft, beklijft. En laat er nou ook nog dit spreekwoord zijn: blijven doet beklijven.  En daarmee is het kringetje mooi rond.

Toetenbordmissers en andere vergistingen

kaksalon
behanglijk
uitlaatgasten
paalwagens
klankenkoorts
kakkeloos
gebakzucht
komische straling
nachteloosheid
grachtwagen
zeefvliegtuig
groeisport
zalmnoten
gromfiets
visangst
ontbezeming
zwemleer
ruitvliegjes
flutsignaal
ijskraan
gansspoelmiddel
van het kastje naar de buur
ballondeuren
gifantisch
zuurpiet
gilworst
konijnekaas
koehappen
lachsalto

Powered by ScribeFire.

Mits tenzij

Laatst hoorde ik iemand zeggen: “Ik geef een positief advies, tenzij aan bepaalde voorwaarden is voldaan”. Dat klopt niet. Ja, mits een positief advies nadelig is voor degene die het krijgt natuurlijk. Een “tenzij” is een lichtpuntje: U stort in die afgrond, tenzij u vleugels krijgt. Een “tenzij” is een ontsnappingsmogelijkheid. Wij houden van tenzijs, want ze zijn hoopgevend.

Het moet dus eigenlijk zijn: “Ik geef positief advies, mits…”. Dat miljoenencontract ligt binnen handbereik, nu alleen nog wat mitsen wegwerken. Wij houden van mitsen noch maren. Mitsen geven een ongemakkelijk gevoel. Een mits heeft altijd een kleine maar reële kans van falen: “De WA-verzekering is een prima verzekeringetje hoor meneer, mits er geen hagelstenen van 7 centimeter op uw dak vallen…”, zegt de autoverzekeringsverkoper geruststellend maar vervolgt dan met: “maar dat komt toch eigenlijk nooit voor…”. De verkoper merkt dat zijn klant nu twijfelt en dan komt de inkopper: “Ja, tenzij dat met die opwarming van de aarde inderdaad vaker gaat voorkomen”. Bingo, de twijfel is weggenomen en de klant gaat toch voor de WA+ met hogere premie.

Kortom: gebruik “mits” tenzij je hoop wilt geven en gebruik “tenzij” mits je twijfel wilt zaaien.

Powered by ScribeFire.

Het lage woord overheerst

Lage woorden hoor je nooit, want ze hoeven er niet zo nodig uit. Ja, je hoort ze wel, maar ze komen niet uit boven het geroezemoes. Lage woorden zijn fijn. Lage woorden zijn aangenaam. Koetjes en kalfjes. Ladida. Lage woorden zijn de pasteltinten van het gesprek.

Als een woord gaat knellen, dan wordt het langzaam opgestuwd door de andere woorden. Het vervelende woord wordt veel te primair. Als een soort afweerreactie verdringen de lage woorden de dwarsligger. Het valt uit de toon en wordt er gewoon uitgewerkt. Weg met die dissonant. Verbannen uit de blije, zorgeloze wereld van de prettige, lage woorden.

Steeds meer druk komt erop het hoge woord te staan. Tot het niet meer te houden is. En dan ineens is het eruit. Daar, het is gezegd. Onherroepelijk hangt het in de ruimte en kan niet meer worden ontzegd. De spreker is opgelucht. Het onaangename is gezegd, en het werd ook wel eens tijd!

Even is het helemaal stil. Het hoge woord weerklinkt een tijdje na in de ruimte. Hoe potenter het woord, des te groter de reactie uit de omgeving. Als een heet kooltje wordt het over en weer gegooid. Alleen hele hete kooltjes gloeien lang genoeg om verdeling te kunnen zaaien. Maar de meeste doven te snel. En dan gaat het hoge woord weer op in het verstommende geroezemoes van de orde van de dag, weg gesust door vele lage woorden. Het lage woord zet de middentoon. Het lage woord overheerst.

Powered by ScribeFire.