Hoi te kinderachtig?

Emailtjes die ik van mijn collega’s krijg beginnen steeds vaker met “Hi”. Geen voornaam te bekennen. Het blijft bij de aanhef van maar 2 letters. Vooral drukke baasjes hebben er een handje van. Het kost dan ook erg weinig moeite om “hi” te typen. Bovendien liggen de h en de i op je toetsenbord lekker dicht bij elkaar. De o zit overigens ook vlakbij, dus een “hoi” is ook snel getypt. Het is volgens mij dan ook niet helemaal een kwestie van efficiëntie. Nee, “hoi” is gewoon niet volwassen genoeg, niet zakelijk genoeg. Met “hi” maak je een statement. Met “hi” zeg je “ik ben snel en heb een heel volle agenda want ik ben erg belangrijk”.

Hi-starters gebruiken verder ook vaak hippe afkortingen zoals:

  • ff (even),
  • idd (inderdaad),
  • mi (mijns inziens),
  • imho (in my humble opinion, wat overigens meestal helemaal geen bescheiden mening is),
  • ahv (aan de hand van),
  • muv (met uitzondering van),
  • zsm (zo spoedig mogelijk),
  • asap (zo spoedig mogelijk maar dan nog spoediger als zsm),
  • en iig (in ieder geval).

Bijvoorbeeld: Imho moet iig uitgezocht worden of dit idd het geval is. Asap!
Natuurlijk gebruik je geen puntjes in de afkortingen, want dat kost teveel tijd.

Een snelle e-mail sluit je natuurlijk af met een kort “mvg” of nog erger: “vrgr”. Niks vriendelijks meer aan eigenlijk. Schrijf dan “mag” (met afstandelijke groet).  En achter de ongemeende groet zet je dan nog hooguit je initialen. De afzender is immers zo belangrijk en bekend dat initialen voldoende zijn.

mvg,
M.

Powered by ScribeFire.

vrij aardig

“Zo, het gaat hem al behoorlijk goed af!”, zegt de ene. “Jaaah…het gaat inderdaad vrij aardig ja”, zegt de ander. De eerste zou een trotse opa kunnen zijn, en de ander een schaatstrainer. Opa’s zien talent in ieder kleinkind. Dat is ook een heel belangrijke rol van een opa. En een trainer zou erop gericht moeten zijn het beste te willen halen uit zijn pupillen. Dus hij (of zij natuurlijk) is opbouwend kritisch: “het kan nog veel beter”.

In valse bescheidenheid gebruiken we “vrij aardig” ook vaak. Je hebt een perfect staaltje werk geleverd en je weet het. Je collega’s kijken met ontzag naar je. Jij loopt echter heel nonchalant naar de koffiekan, schenkt een bakkie in en zegt dan: “ik denk dat we zo een vrij aardige opzet hebben”.

Wat gek eigenlijk dat we “vrij” gebruiken om iets af te zwakken. Van Dale geeft voor “vrij” onder meer de betekenissen “tamelijk” en “nogal”. Maar “tamelijk aardig” en “nogal aardig” hebben duidelijk een andere betekenis dan “vrij aardig”. Het woord “aardig” is op zichzelf al een ingetogen beoordeling, een zeventje. Met “vrij” ervoor wordt het een zeven min. Gelukkig werkt het omgekeerd ook: “Het is hier vrij slecht weer, maar…”. Die “maar” werd uitgenodigd door “vrij”. Het weer is nog niet helemaal hopeloos. Zonder “vrij” komt er een “dus” in plaats van de “maar”. “…dus ik blijf lekker binnen”.

Overigens, “aardig” doet niet onder voor “vrij”. Je kunt ergens een aardige teringzooi van maken bijvoorbeeld. En schoonvaders willen hun schoonzonen nog wel eens op subtiele wijze duidelijk maken dat ze nog lang niet helemaal geaccepteerd zijn door te zeggen: “nou nou, je begint al aardig vrij te worden hier”. Dan weet de schoonzoon in kwestie dat hij over een zekere grens is gegaan. Tussen mij en mijn schoonpa zit het wel goed, geloof ik. We doen altijd vrij aardig naar elkaar.

Powered by ScribeFire.

In je tenen zit je ziel

Je ziel kun je niet aanraken, want het is immaterieel. René Descartes wist dit honderden jaren geleden al (1641). Nou, dat zullen we wel eens zien, René. Tuurlijk kun je je ziel wel aanraken. Maar waar zit je ziel eigenlijk? In je hart? Nee, want dan zou “met hart en ziel” een beetje dubbel zijn. In “dubbel” schuilt wel een mooie filosofische discussie over de ziel: Zijn ziel en lichaam één, of niet? Dualisten geloven van niet.

Maar goed, je hart als plek voor je ziel sluit ik dus uit. Waar zit je ziel dan wel? Daar heb ik even over nagedacht. Waar haal je je diepste uitingen vaak vandaan? Uit je tenen! Ik trok dus mijn schoenen en sokken uit en ging op de bank zitten. Ik pakte de tenen van mijn beide voeten vast. Met mijn ogen gesloten concentreerde ik me op mijn tenen. In het begin voelde ik gewoon mijn tenen. Omdat ze de hele dag in mijn schoenen en sokken opgesloten hadden gezeten, voelden ze warm en een beetje klammig aan. Maar na een paar minuten voelde ik een lichte tinteling in mijn vingertoppen! Maar na een tijdje kwam ik erachter dat dit kwam omdat mijn knieën in mijn bovenarmen duwden, waardoor er minder bloed in mijn vingers kon komen. Even anders zitten, maar hoe goed ik daarna ook voelde, ik voelde gewoon nog steeds niets dat ik anders niet voel als ik mijn tenen vastpak.

Misschien is dat eigenlijk wel een heel essentiële conclusie: ik voelde niets dat ik anders ook niet zou voelen. Je ziel voelt waarschijnlijk heel vertrouwd voor jezelf. Misschien zou je je ziel eigenlijk helemaal niet moeten voelen zolang er niets mis mee is. Je voelt je hoofd ook niet als hij niet zeer doet. Misschien moet mijn ziel dus eerst pijn doen voor ik het kan voelen. Ineens moet ik aan de uitdrukking “op je ziel getrapt worden” denken, en zie ik toch weer een verband met de tenen. Mensen met lange tenen worden namelijk sneller boos dan mensen met korte tenen, dat weet iedereen. Boosheid is een sterke emotie. Emotieloze mensen worden zielloos genoemd. Kortom: zonder ziel geen emoties. Omgekeerd geredeneerd: sterke emotie komt door sterke prikkeling van de ziel. Ik zit op een warm spoor met die tenen!

Ik ben er namelijk vrij zeker van dat iedereen emotioneel wordt wanneer hij of zij heel hard op zijn blote tenen wordt getrapt. Een gezond mens met intacte en goed werkende tenen zullen zeer zeker een emotie tonen dat ergens ligt tussen heel hard janken en hartgrondig vloeken. Ik moet mijn experiment dus aanpassen. Dus ik loop naar buiten, nog steeds op blote voeten, en pak een grote baksteen. Ik sluit weer mijn ogen en concentreer me op mijn ademhaling. Rustig tel ik tot 3 en laat de baksteen vallen. In het gras…naast mijn voeten. Op het allerlaatste moment bedacht ik me dat het resultaat van mijn experiment helemaal niet zou zijn waar ik op uit was. Ja, ik zou mijn tenen behoorlijk bezeren, schreeuwen van de pijn en hartgrondig vloeken. Mijn ziel zou zich voelbaar hebben laten gelden, maar had ik het dan ook kunnen vastpakken? Ik denk het niet.

Zo ben ik nog geen steek verder. Ergens in mijn lijf zit mijn ziel. Het laat zich vaak gelden, maar is ongrijpbaar. Op basis van logische deductie (Holmes zou tot dezelfde conclusie komen als ik) beweer ik dat je ziel in je tenen zit. Ik huiver. Brrrrr. Het is donker aan het worden. IJzige kilte kruipt langs mijn benen omhoog. Ik sta nog steeds met mijn blote voeten in het koude gras. Ik draai me snel om, om weer naar binnen te gaan, waar de kachel brandt. Twee seconden later loop ik hartgrondig te vloeken en te tieren. $%$*@#$@#%%*&$#@!!! Welke halfgare idioot heeft die baksteen op het gazon gelegd!? Arme ziel.

Powered by ScribeFire.

Geen kantlijnschreeuwer!

Vroeger op school, werd ik altijd als laatste gekozen als er bij de gymles de voetbalteams werden samengesteld. Het deed me niet zoveel, want het liefst deed ik niet mee. Van huis uit kreeg ik weinig voetbalgekte mee. Mijn vader stak zijn minachting voor voetbal niet onder stoelen of banken. Hij had sowieso weinig op met sport. Mijn moeder wel, maar voetbal was thuis een onderwerp waar een taboe op lag. Voetbal kijken op televisie kon alleen als er niets anders op was waar pa naar wilde kijken, of als hij niet thuis was. Maar desinteresse voor voetbal zit blijkbaar in de genen. Ik heb het gewoon van mijn pa geërfd.

Toch heb ik wel een jaartje op voetbal gezeten (toen ik een jaar of 9 was geloof ik). Mijn moeder hoopte dat ik het spel dan wat beter zou gaan snappen en het misschien zelfs leuk zou vinden. Nou niet dus. Ik ben in een wedstrijd met een andere club in de pauze naar huis gegaan zonder ook maar gedag te zeggen. In mijn beleving werd er vooral heel hard geschreeuwd vanaf de kantlijn of ik moest rennen en waar ik heen moest rennen. De trainer stond te tieren vanaf de kantlijn als je ook maar twee passen verkeerd zette. En zo werd het enige kiempje dat ik ooit voor voetbal ontwikkelde voor goed gesmoord.

Maar nu is er een nieuwe kiem. Een fiere en een trotse! Mijn bloedeigen zoontje (hij is 5 jaar) is he-le-maal gek van voetbal. Sinds kort zit hij op kaboutervoetbal en sta ik elke zaterdag op het voetbalveld. En hij kan het zo ontzettend goed. Hij rent alle andere kabourtertjes er met gemak uit en is verdomd handig met de bal. Niet gedacht dat het nog in me zat, maar ik sta dus met groot plezier langs de kantlijn aan te moedigen en te juichen bij de doelpunten die mijn kaboutertje maakt. Maar één ding neem ik me voor: ik wordt geen kantlijnschreeuwer. Je weet wel, zo’n pa die zijn zoon vanaf de kantlijn staat uit te kafferen dat ‘ie verkeerd staat. Maar ach, die vaders stáán daar tenminste wel.

Toch word ik geen kantlijnschreeuwer. Ik heb geen verstand van voetbal en ik ga dat ook nooit pretenderen. Mijn ventje weet straks alles van voetbal en wordt mijn eigen expert. Ik ga gewoon lekker van mijn kleine bink genieten zolang de pret duurt. En als dat betekent dat hij later als prof bij bijvoorbeeld FC Twente mag spelen, dan mis ik daar dus echt geen enkele wedstrijd meer van.

Powered by ScribeFire.

De oplossing voor bumperkleven: de scrotumklem

Het zijn opvallend vaak bestuurders van zwarte auto’s van een Duits merk die het doen: bumperkleven. Bijna zonder uitzondering zijn dit mannetjes. Stropdasje, overhemd en colbertje aan de kleerhanger achter hun stoel. Bestuurders van bestelbusjes kunnen er trouwens ook wat van.

Bumperkleven is ronduit hufterig! Je schiet er helemaal niks mee op en brengt jezelf (maar dat boeit mij dan weer het minst) en vooral andere weggebruikers nodeloos in gevaar. Niets is zo irritant als een bumperklever dat zenuwachtig heen een weer schiet om je duidelijk te maken dat je aan de kant mot. Ik heb dan de neiging om mijn inhaalactie op tergend lagere snelheid te doen, maar dan draag ik alleen maar aan het risico van ongeval bij. Dus ik ga netjes, vlot aan de kant en vloek en scheld dan maar eens flink.

Momenteel kunnen alleen video-surveillancewagens van de politie dit soort huftertjes af en toe eens pakken. Als ze ze in het TV-programma “Blik op de weg” pakken zit ik breeduit vals te lachen: “hehehehehehe!!”. Er is momenteel nog geen automatische detectie van bumperkleven mogelijk door middel van video-bewaking. Dus de pakkans is veel te laag. Ze zouden eigenlijk een flink aantal burger-auto’s aan de achterkant van een camera moeten voorzien dat automatisch een kiekje schiet als er duidelijk sprake is van bumperkleven. De boete (145 tot 400 euro) komt dan automatisch in de brievenbus van de boosdoener terecht. Je begrijpt het al, ik zou me vrijwillig aanmelden voor zo’n camera. Zo’n valse hufter ben ik dan weer.

De veelplegers malen echter niet om die geldboetes. Die declareren ze gewoon. Om dit probleem echt grondig aan te pakken is een radicale benadering nodig. Het gaat om de volgende briljante uitvinding (zeg ik in alle bescheidenheid): de scrotumklem. Dit werkt als volgt. Het is een klein apparaatje dat in de mannenslip past en om de scrotum moet worden bevestigd. De auto dient te worden uitgerust met een eenvoudige radar aan de voorzijde voor het bepalen van de afstand tot achterbumbers van andere auto’s. Deze radar staat in verbinding met een klein kastje dat het brein van mijn uitvinding bevat. Het kastje berekent vliegensvlug of en hoe stevig de scrotumklem dient te worden aangespannen. Het gebruikt voor de berekening van de uit te oefenen pijniging de huidige snelheid van de auto, de afstand tot de voorliggende auto en de hoeveelheid tijd waarin de afstand tot de voorligger korter is dan het zou moeten zijn. Als je netjes rijdt, voel je niks van de scrotumklem. Eenvoudig, toch? De patentaanvraag loopt al.

Dit apparaat en de bijbehorende uitrusting van de auto dienen verplicht te worden voor alle Nederlandse, mannelijke autobestuurders (later heel Europa). De auto zal niet gestart kunnen worden als de scrotumklem niet goed is aangebracht. Daarom moet het apparaat ook in staat zijn om te herkennen of het om de balzak van de bestuurder zit. Dat kan middels een kleine microchip welke in de balzak wordt gespoten via een naald (voel je niks van). Vergelijkbaar met de wijze waarop de OV-chipkaart communiceert met de in- en uitcheckpaaltjes communiceert de scrotumklem met deze persoonlijke scrotumchip. Sterker nog, de technologie is volledig compatibel waardoor je scrotum dan tevens OV-chipkaart wordt. Even met je kruis langs het paaltje om in te checken…

Zo wordt extreem bumperkleven alleen nog iets voor extreme masochisten. Vrouwelijke bumperklevers zie je zelden, dus vandaar dat deze uitvinding zich geheel richt op het mannelijke geslacht. Wat je wel zou kunnen verwachten is dat bestuurders het omgekeerde gedrag zullen gaan vertonen: op de snelweg heel kort inhalen en tergend langzaam de afstand tot de ingehaalde zwarte zakenauto vergroten. Dit lijkt mij een kunstje dat bij uitstek door vrouwen zal worden geflikt. Maar daar vind ik dan ook wel weer een fijn apparaatje voor uit.

Powered by ScribeFire.

Tietcrisis

Laatst in Netwerk werd een documentaire getoond over borstvergroting en andere plastische ingrepen bij tienermeisjes. Er werd een Frans meisje van 16 gevolgd die met haar moeder naar de chirurg ging om haar nieuwe cupmaat uit te kiezen. De chirurg voerde een soort van toneelstukje op om er zeker van te zijn dat de operatie echt nodig was. Gehuichel van de bovenste plank natuurlijk. Tietcrisis bij pubers is big business! Deze zogeheten artsen hebben geen enkele scrupules en gaan volledig voorbij aan hun beroepsethiek.

Toen het Franse meisje werd gevraagd waarom ze zo graag een borstvergroting wilde, zei ze dat ze op het strand niet langs de mensen durfde te lopen. Typische tienerproblematiek natuurlijk. Ze vergelijken zich met hun leeftijdsgenoten en schamen zich voor afwijkingen van de norm. De moeder van het meisje stond nota bene volledig achter het besluit van haar minderjarige dochter. Ze onderschreef de emotionele stress die het meisje voelde. Ik zou mijn dochter eerst naar een eerstelijns psycholoog sturen. Pubers hebben namelijk nog niet de rationele capaciteit om over de gevolgen van een dergelijke ingreep na te denken.

In Frankrijk is borstvergroting voor tieners dus al normaal aan het worden. De documentaire liet verder zien dat er in Spanje openlijk en levensgroot reclame wordt gemaakt op rondrijdende bussen voor de klinieken waar je je tienerlijf kunt laten pimpen. En het meest verontrustende vind ik nog wel dat je in Spanje deze operaties op krediet kunt laten doen. Tieten op krediet. Ik vind dit heel zorgwekkend. Ik walg ervan dat de kwetsbaarheid van pubers zo openlijk wordt uitgebuit.

Powered by ScribeFire.

Het gadgethaantje

Het gadgethaantje is een vogeltje dat vooral goed gedijt in welvarende gebieden. Het meest in het oog springende aan het gadgethaantje zijn zijn glanzende pootjes. Verder kenmerkt dit vogeltje zich door de vertikale witte strepen over zijn verder saaie, antracietkleurige verenkleed. Bij de meeste vogelsoorten zijn het de mannetjes die opvallend gekleurde veren hebben, maar zo niet de gadgethaan. Het is eigenlijk een saaie piet.

Om indruk te maken op de wijfjes – de zogeheten gadgetgansjes – dost het gadgethaantje zich uit met de duurste gadgets die het zich kan veroorloven (desnoods steekt het zich tijdelijk in de schulden). Eerder gebruikte gadgets worden niet opnieuw gebruikt. Het gadgethaantje wil alleen state of the art gadgets. De biologen zijn het er nog niet helemaal over eens of het gadgethaantje daarmee alleen indruk wil maken op een wijfje. Het lijkt er namelijk meer op dat ze met hun gadgets vooral de oogjes van andere haantjes willen uitsteken. Vooral bij jonge gadgethaantjes is dat gedrag opvallend sterk. De roep van de gadgethaan bestaat uit een uiteenlopende reeks poenerige klanken. Een veel gehoord geluid is een honend “loooooser!!!”.

Domme jonge gansjes willen nog wel eens paren met jonge gadgethaantjes, wat in vrijwel alle gevallen leidt tot een nest vol kleine verwaande gansjes en zelden nieuwe haantjes. De meeste gadgethaantjes vinden dan ook pas een geschikt wijfje als ze wat ouder zijn. Vermoedelijk is het precies andersom: het wijfje acht een haantje pas geschikt wanneer het wat ouder is. Hij moet hebben bewezen dat zijn kapitaalkracht niet alleen groot is, maar ook groot blijft. De wat rijpere gadgethaantjes zijn ook trouwer en blijven doorgaans bij het eerste gansje waarmee ze paren. Waar die trouwheid vandaan komt weet men niet precies. Het is waarschijnlijk te verklaren door het simpele feit dat gadgethaantjes hun koopgedrag niet eindeloos financieel kunnen volhouden. Zodra hij een geschikt vrouwtje heeft gevonden verdoffen zijn poten en koopt hij steeds minder vaak gadgets (met een piek rond middelbare leeftijd, dat wel). Zijn geld stroomt voornamelijk naar het interieur van het nest, de garderobe van zijn gansje en naar de eerste gadgets van zijn zonen.

Powered by ScribeFire.

Ongehoorde straatmuziek

De straatmuzikant gaat bij de ingang van het station zitten. Hij legt een hoed op de grond en gaat op een klein krukje zitten. Dan pakt hij zijn gitaar. Nadat hij die wat heeft gestemd begint hij erop te spelen. Zijn lippen bewegen mee. Ik heb geen idee wat hij zingt, want ik versta hem niet. Mijn oren zitten verstopt met de witte oorplugjes van mijn iPod.

Ik ben niet de enige die zich auditief isoleert van de wereld. Uit vele oren, van jonge tot oude, hangen snoeren en menige kop zit vastgeklemd in een beugel met allesdempende schelpen op de oren. En dan heb ik het nog niet over die stropdasjes die luidruchtig voor zich lopen uit te babbelen in hun GSM-oortje. De straatmuzikant zit er voor spek en bonen.

Arme straatmuzikant. Hij zit er toch weer iedere dag. Ziet hij eigenlijk wel dat niemand naar hem luistert? Het is niet eens een kwestie van aktief genegeerd worden. Dat doe je als je iemand heel bewust niet horen wíl. De mensen zijn allemaal doof voor zijn muziek. De straatmuzikant kan het zich dus niet eens persoonlijk aantrekken. Hij krijgt namelijk noch kritiek noch waardering. Totale spek en bonen.

Ongehoord zinloze creativiteit. Mijn advies aan de straatmuzikant: mik op ons gezichtsvermogen en wordt mime speler of ga jongleren met kettingzagen ofzo.

Powered by ScribeFire.

Luttelgeest Bant Bom

Heel Nederland had de kernbom al lang geleden geband. Heel Nederland? Nee, een klein dorp in de Noordoostpolder dat onlangs als laatste gemeente in Nederland werd aangesloten op het internet had de bom nog niet geband: Luttelgeest. Ze wisten niet eens dat “de bom” bestond, laat staan kernreactie. De gietijzeren kanonnen rond het dorp zijn piekfijn onderhouden, de ophaalbrug wordt iedere eerste maandag van de maand getest en de voorraad olie om kokend heet over de vijand (Friese Zeerovers bijvoorbeeld) te gieten die over de slotmuur van het Mottekasteel klimt is op peil.

Kortgeleden werd Luttelgeest dus ineens de 21e eeuw ingeslingerd. Nu heeft heel Luttelgeest – dat nog twijfelde over de platheid van de wereld – ook toegang tot Wikipedia. Alle twijfel in één klap platgeslagen: de wereld ís bol, de maan ruikt inderdaad naar buskruit, piraten hebben ook stemrecht en Boeddhisme en antimaterie hebben tóch niets met elkaar te maken. En onmiddelijk na het lezen over kernwapens bande Luttelgeest unaniem eveneens de bom.

Als je de Noordoostpolder via de A6 doorkruist, kom je een groot bord tegen langs de snelweg met daarop een onafgemaakte zin: “Luttelgeest Bant …”. Het zette me aan het denken. Wat of wie zouden ze daar toch bannen? Ik liet mijn fantasie even de vrije loop.

De dikke rode knor is stuk

Wij hebben – net als die stripfamilie “Jan, Jans en de kinderen” –  zo’n dikke rooie huiskater. Ook op hem is model “theemuts” van toepassing. Een lief, sullig beest dat zich gezapig laat meeslepen door de kinderen. En omdat we zo dol op hem zijn draagt hij naast zijn stoere katernaam “Ivar” ook de koosnaam “Dikke rode knor”. Het zal je gezegd worden! Zonder schaamte zeggen wij dit dagelijks minstens 100 keer tegen Ivar. Het dekt gewoon de lading.

Maar op het moment dat ik dit schrijf is de dikke rode knor dus stuk. Onze buurvrouw kwam het ons eergisteren vertellen: “jullie rode kat ligt bij ons onder de struiken. Het is niet goed met hem geloof ik”. Met een wit gezicht liep ik meteen met haar mee. Wij wonen in een rechthoek van brave twee-onder-één-kap-huizen. De brave tuintjes liggen aan de binnenkant van de rechthoek. Ideaal gebied voor katten dus. In de tuin van de buurvrouw aangekomen zie ik mijn kater meteen liggen. Hij mauwt klaaglijk en zijn pupillen zijn helemaal groot. Als ik dichterbij kom gaan zijn oren angstig naar achteren en kreupelt moeizaam naar achteren. Hij ontziet duidelijk zijn rechter-achterpoot.

De buurvrouw port hem voorzichtig met een schepnet naar me toe. Dat werkt en ik krijg hem in zijn nekvel te pakken. Ivar grauwt en gromt gevaarlijk naar me, maar ik trek hem toch voorzichtig naar me toe. Hij kronkelt wild om los te komen. Hij heeft duidelijk veel pijn. “Rustig maar jochie. Het is goed vent”, hoor ik mezelf zeggen. Het werkt blijkbaar, want ik kan hem nu onder zijn dikke buik pakken en optillen. Even later is hij veilig bij ons thuis. De kinderen huilen als ze hem zien strompelen. Zo zielig.

Natuurlijk bel ik gelijk de dierenarts. “Kies 1 voor spoedgevallen”, zegt de automatische telefoonstem. Dat doe ik natuurlijk. Ivar moet meteen komen. Geroutineerd (helaas hebben we de nodige ervaring met zieke katten) stoppen we de gewonde knor in de kattenkoffer. Mijn vrouw brengt hem weg en laat het troosten (en naar bed brengen) van de kinderen aan mij over.

De kattenkoffer komt leeg terug. Onze rode knor werd gelijk opgenomen. Ik had het ook niet anders verwacht. Uit de röntgenfoto’s bleek dat de poot inderdaad gebroken is. Een lelijke, meervoudige breuk. Het onderbeen is gedeeltelijk verbrijzeld op 2 plaatsen. Dit is vrijwel zeker door een aanrijding veroorzaakt. De dader is natuurlijk gewoon doorgereden. De buurvrouw had ook niks gezien en Ivar kan het ons ook niet vertellen. We zullen nooit weten wat er precies is gebeurd.

Gisteren is Ivar geopereerd. Hij kreeg een dikke stalen pen in zijn poot. Gisteravond mocht ik Ivar al weer ophalen. De blijdschap van het weerzien was duidelijk wederzijds. Nu ligt hij fijn thuis in een speciaal kattenhotel dat we hebben gemaakt voor hem. Een ruime kooi met mandje en kattebak. Hij moet namelijk 5 weken rust houden. Gelukkig is het een gezapige, luie huiskater. Hij vindt het allemaal wel best tot nu toe. Af en toe gaat hij even verliggen of moet hij op de kattebak. Dan gooit hij zijn lijf letterlijk door de kooi, want zijn ene poot doet niet mee. Dat ziet er wel zielig uit hoor.

Vanochtend wilde hij al weer eten en drinken. Dat is heel mooi. En als je hem aait, dan slaat die lekkere dikke knormotor gelijk aan. Die doet het gelukkig nog. We zijn allemaal erg opgelucht.

Powered by ScribeFire.