Waarover ook al weer?

Op een rustige snelweg, gehypnotiseerd door de flitsende witte strepen en het gonsen van de banden van je auto, komen vaak creatieve ideeën naar boven. Ik droom dan tijdens het rijden een beetje bij. Niet weg natuurlijk, maar bij, bij volledige alertheid. Ik kan het ook niet tegenhouden. Autorijden op een rustige snelweg is heel monotoon, dus dan beginnen allerlei gedachten naar boven te drijven. Aan de oppervlakte kabbelen ze prettig door mijn hoofd. Ineens drijven twee gedachten die elkaar nog nooit hadden gezien naast elkaar en vermengen zich. Er ontstaat een nieuw golfpatroon en dan ineens heb je dus zo’n aha-moment.

Dit moet ik onthouden, denk ik bij mezelf. Daar zit wel een leuke verwoede noot in, denk ik dan ook. Op zo’n moment moet ik eigenlijk de eerste de beste P in rijden en het idee ter plekke neerpennen, maar dat doe ik natuurlijk nooit. Altijd weer stel ik een veel te groot vertrouwen in mijn geheugen. Bijna altijd stel ik mezelf dan later enorm teleur. Het idee is dan al weer hopeloos opgelost in de maalstroom van alle dagelijkse beslommeringen. Hoe suf ik me ook peins, ik kan me alleen nog herinneren dat ik een briljant idee had voor een verhaal. Maar waarover ook al weer?

Zonder eten naar bed

Op de radio hoorde ik vanochtend een spotje over kindermishandeling. Hierin hoor je twee kinderen met elkaar praten en eentje verzucht: “ik moest gisteren alweer zonder eten naar bed”. De strekking van het spotje is dat we signalen die duiden op kindermishandeling, moeten melden. Absoluut belangrijk. Wat mij betreft is dat burgerplicht nummer 1. Alleen vind ik het voorbeeldsignaal van dit spotje wel erg ongelukkig gekozen. Deze vind ik namelijk helemaal niet zo duidelijk. Dan moet je ook andere indicatoren meenemen, zoals: , hoor ik dit kind dit vaker zeggen?, is het kind erg mager?, ziet het kind er ongezond uit?

Wij gebruiken de strafmaatregel “naar bed sturen” ook wel eens voor onze kinderen. Die straf wordt typisch uitgedeeld tijdens het avondmaal. Het betroffen kindje is sowieso al moe van een lange schooldag en nogal vervelend. De oortjes zitten dan ook nog eens vol stopverf, dus de luisterfunctie is ook behoorlijk gestoord. En omdat ze familie van mij zijn, liggen ze op dat soort momenten graag zo dwars als een dwarse keutel. In zulke situaties dreigen we nog wel eens met de naar-bed-straf als regeltjes die duidelijk met hen zijn afgesproken, met stampende voetjes worden getreden. Netjes op je beurt wachten en netjes vragen vinden wij aan tafel bijvoorbeeld erg belangrijk. “Als ik iemand nog één keer ‘ik wil’ hoor gillen, kan die naar z’n bed gaan”, zegt papa of mama op gegeven moment dan. We zeggen dan duidelijk wat we zullen doen, en moeten dan ook echt doen wat we zeggen.

Als ze pech hebben liggen ze dan dus zonder dat ze hun bordje leeg hebben gegeten in hun bed. Het komt gelukkig weinig voor en meestal moeten ze het alleen zonder toetje stellen. Naarmate de schoolvakanties dichterbij komen, of naarmate de aankomst van Sinterklaas dichterbij komt, worden de kinderen wel wat minder handelbaar. Dat is heel normaal en dan is vaste routine en duidelijkheid extra belangrijk. Juist dan zijn we als ouders scherper op de dingen die we met hen afspreken. Dan kan het dus wat vaker voorkomen dat we een recalcitrant kindje naar bed bonjouren.

Om even op dat radiospotje terug te komen: ik ben het helemaal eens met de essentie. Ik ben ook blij dat er zoveel aandacht wordt besteed aan kindermishandeling. Alleen het voorbeeldsignaal “alweer zonder eten naar bed” vind ik een beetje vreemd gekozen. Ik hoop dat potentiële melders hun nuchtere verstand blijven gebruiken en pas melding doen als ze zeker denken te weten dat het om structurele ontzegging van basisbehoeften gaat. Eten is zo’n basisbehoefte. En dan drijft toch ook nog de volgende verveldende vraag bij me naar boven: Is er dan ook sprake van kindermishandeling bij kinderen die obesitas hebben vanwege het voorzien in overmatig veel ongezonde voeding en het onvoldoende stimuleren van lichaamsbeweging door hun ouders? 

Nieuwe blogmachine gezocht

Mijn favoriete blogmachine is stuk. Dat is erg vervelend, want ik was er zo aan gehecht. De geestelijk vader van mijn blogmachine had besloten dat het tijd was voor vervanging. Mijn ouwe trouwe blogmachien voldeed voor mij nog prima, maar ineens stond er een nieuwe versie op mijn bureau. Automatisch opgewaardeerd, en ik moet er blij mee zijn, want deze is veel veiliger.

Er hing een kaartje aan het nieuwe blogding waarop te lezen stond dat het me waarschijnlijk wel was opgevallen dat mijn blogmachine er ineens heel anders uit zag. Om te begrijpen waarom dat zo is, moest ik maar even op de blog van de maker kijken. Dat deed ik dan maar. Aldaar moest ik maar geloven dat de opwaardering voor mijn eigen bestwil is en dat ik vooral niet in paniek moest raken.

Mijn oude blogmachine wist precies waar al mijn blogs staan op het web en kende mijn wachtwoorden van buiten. Het nieuwe geval probeerde mijn blogs wel op te halen, maar werd natuurlijk alle toegang geweigerd. En terecht. Aan dit nieuwe onding wil ik mijn blogs ook helemaal niet toevertrouwen. Het ergste is nog wel dat het nieuwe ding al mijn krabbels in één lijst heeft gezet. Ik zie niet meer welke ik al heb gepubliceerd en welke nog werken in uitvoering zijn. Slecht, heel slecht.

Je begrijpt dat ik het liefst mijn oude machientje weer terug zou krijgen, maar dat lukt dus niet, wat ik ook probeer, en ik ben toch bepaald geen digibeet. Op de blog van de maker staat wel dat ik weer kan “neerwaarderen”, maar die oude versie is ineens niet meer “compatible” met mijn bureau. Hoe is dat nu mogelijk? Ik keek nog eens goed naar mijn bureau. Het zou toch niet waar zijn? Jawel dus, ook mijn bureau bleek automatisch opgewaardeerd. Dat blijkt mijn eigen schuld te zijn, want ik had een vinkje in een hokje gezet.

Ik gebruik voor mijn blogs een bureau van het merk firefox. Daarvoor bestaat een blogmachine van het merk scribefire. Een hele mooie combinatie vond ik het. Natuurlijk heb ik geprobeerd om mijn oude bureau weer terug te krijgen. Dat lukte wel, maar mijn oude scribefire weigerde alle medewerking om zich weer op mijn bureau te laten installeren.

Kortom: ik baal. Ik voel me onthand en in de steek gelaten. Ik had graag instemming gehad in de vervanging. Ik had graag een werkende mogelijkheid tot neerwaardering gehad. Ik heb het nieuwe onding met een grote boog weer terug het web opgeslingerd met een boze melding naar de maker. Hij is een trouwe gebruiker en fan kwijt. En ik stond serieus op het punt om eens een donatie over te maken. Nou, die kan hij steken waar het licht niet schijnt.

Dit hartverscheurende verhaal rammel ik op een BlogDesk. Een nieuwe blogmachine waar ik me nu maar even mee red. Het is beter dan niks, maar ik zie nu al dat ik deze niet hou, want het kan mijn blogspot-blog niet aan. Alle tips zijn welkom vrienden.

En tóch zal er snert zijn!

De buitenthermometer beweert vandaag dat het buiten 14 graden is. Wat een slap gedoe. Het zou nu moeten stormen en regenen. Mijn dikke jas en sjaal hangen te popelen in de kast en mijn dunne jas steekt, bij het toevallig passeren van mijn dikke jas, zijn tong uit. Dit zachte weer is snertweer van lik-mijn-vestje. Zo smaakt de boerenkoolstampot nergens naar, laat staan dat we zin hebben in snert.

Het ziet ernaar uit dat mijn kinderen op 11 november in T-shirt langs de deuren kunnen met hun lampionnen. Windstil en zwoel zal het zijn. Vorig jaar stormde het op Sint Maarten. De lampionnen waaiden voor de kinderen uit en hun kleine stemmetjes kwamen nauwelijks boven het gegier en gebrul van de storm uit. Dát is pas snertweer. Dáár worden ze pas hard van. O, wat smaakte dat karige beetje snoep dat ze bijelkaar hadden gezongen ze toen goed.

Op 12 november meert die Spaanse stoomboot ook weer aan in Nederland. Vroeger begonnen de winters al halverwege de herfst en had Sinterklaas een ijsbreker nodig om de Noordzee door te komen. Sint, laat uw dikke tabbert deze keer maar gerust in de koffer en laat uw Pieten maar strooien met ijslollies. En die maan zullen we heus niet door de bomen zien schijnen, want daar hangen nog veel te veel groene bladeren aan. Misschien kunt u beter na de kerst komen, want dan heeft het weer veel meer karakter, hoop ik.

En tóch staat er snert op het menu, met woeste ingrediënten. Eigenhandig gespleten erwten, keiharde winterpeen, een hele kast varkensribben en boer’n rookworst . Dat moet. Het hoort bij de tijd van het jaar. Het ís potverdorie herfst, dus zal er stoer voedsel op tafel komen. Deze miezerige herfst krijgt mij er niet onder. Hah!

Powered by ScribeFire.

Ze pikken alles in

Toen ik bij de voetbaltraining van mijn zoontje langs het veld liep ving ik een stukje van een gesprek op tussen een man en een vrouw. De man sprak luid en wilde blijkbaar dat iedereen die langs de kantlijn stond te kijken naar de kinderen, kon horen hoe hij over de dingen dacht. De vrouw luisterde maar half en zei af en toe beleefd: “ja, jaaa ja”, terwijl de man de volgende onnozelheden over haar uitstortte:

“Wij pompen miljarden in een zwart gat. Waarom laten ze dat land niet gewoon failliet gaan? Ik begrijp dat niet. Ik begrijp dat gewoon echt niet. En wat kost dat hele gedoe met die Mauro ons wel niet. Al die dure politici zijn er al dagen over aan het ouwehoeren. Weet je wat de beste baan is die je kunt bedenken? Politicus in de oppositie! Enige dat je nodig hebt is een vlotte babbel. Geen verantwoordelijkheden en handje op houden voor een dik salaris. En allemaal zijn ze bezig met die Mauro. Wat een geldverkwisting. Die gast moeten ze d’r gewoon uitzetten. Net als als die Polen. Die pikken alles in. Alles!”

We leven in een land waarin je gelukkig vrij je mening mag uiten. De bewuste man stond volledig in zijn recht, maar sloeg mij met volslagen stomheid.

Powered by ScribeFire.

Engelen der verloren voorwerpen

Je weet zeker dat je het ergens op zolder hebt zien liggen. Het zit beslist in één van de verhuisdozen. Toen je laatst zocht naar dat andere dingetje, kwam je het nog tegen. Maar waar precies? Meticuleus maak je alle dozen open en kamt ze zorgvuldig uit. Het ding dat je zoekt kom je natuurlijk niet tegen. Wél dat ene dingetje dat je laatst niet kon vinden, ook al weet je zeker dat je de doos waar je het nu in tegen komt zorgvuldig en systematisch hebt doorzocht.

Je weet ook dat je het uiteindelijk vindt, na veel te lang zoeken. Het ligt op het allerlaatste plekje waar je kijkt. In het volle zicht! Het helpt niet om dan in de omgekeerde volgorde te gaan zoeken, want de regel gaat altijd op. Altijd! Om gek van te worden. Hier zit de God der gezochte voorwerpen achter. Hij beschermt de dingen die niet gevonden willen worden, of zorgt er dan tenminste voor dat ze zo lang mogelijk onvindbaar blijven. Een heilige plaaggeest is het.

Nu kunnen wij zoekende stervelingen een beroep doen op de Engelen der verloren voorwerpen. Blijkbaar kunnen zij Hem in al Zijn allomtegenwoordigheid verzoeken de locatie van het verloren artikel te duiden als je het heel nederig verzoekt. Op miraculeuze wijze komt die locatie dan tot je, in een droom bijvoorbeeld. Ik parkeer die optie even bij de pogingen der wanhoop.

Het mooie is dat je je helemaal niet tot opperwezens hoeft te wenden. Als er namelijk iets is waar een gezocht voorwerp niet tegen kan is dat er niet naar wordt gezocht. Ga gewoon heel actief niet zoeken naar het verloren voorwerp. Wat uitstekend werkt is zoeken naar iets anders. Of ga gewoon lekker slapen. De kans is groot dat je ’s nachts ineens wakker wordt en denkt: “stom, het ligt gewoon in de garage, op die doos met al die kinderlaarsjes”. Niks wonderlijks aan.

Powered by ScribeFire.

Apple iLantern gereed voor 11-11

De laatste keer dat ik Sint Maarten liep kan ik me nog goed herinneren. Eigenlijk was ik de maximale leeftijd (hoe hoog is die eigenlijk?) al voorbij om mee te mogen doen. Met wat vriendjes liep ik langs de huizen. Lampionnen hadden we niet. Met een felle zaklantaarn schenen wij dikke lol te trappen. Ons doel was om zoveel mogelijk snoep te scoren. Dus snel “sinmaten sinmaten de koeienhebbestaten meisjes hebbe rokjes aan dakompsimatinus aan” zingen in gorillamodus (voetbalsupporterstem), snoep graaien en doorrennen naar de volgende deur. Schandalige etterbakkies.

Voor de onbeschaamde vlegeltjes van tegenwoordig is er op 11-11-2011 een alternatief voor de zaklantaarn en je hoeft ook niet zelf te zingen: de iLantern. Het is de meest associale app in de AppStore. Ongelooflijk dat Apple deze app goedkeurde. Voor 99 cent tover je je iPhone of je iPad om in een pulserende lampion die je helemaal naar je eigen smaak kunt stylen. De iLantern komt met een ruime selectie aan Sint Maarten liedjes ingezongen door artiesten zoals ACDC, De Jeugd van Tegenwoordig en Rammstein. Zo kun je Sint Maarten lopen in jouw stijl. Echt vet.

Voor de rijkere etterbakken nog de volgende tip: tape 3 iPads (leen gewoon even de iPad van je zus en je pa) aan elkaar in een driehoekopstelling, met de achterzijden naar elkaar toe. Installeer de iLantern App op alle drie de iPads. Met de speciale synchronisatie-functie kun je de 3 iPads dezelfde Sint Maarten tune synchroon laten afspelen, en pulseren de lampionnen ook in sync met elkaar. Hoe vet is dat?

Nu moet ik als een haas die app in elkaar hacken en vet stinkend rijk worden op kosten van de schoffies van Nederland. Ja ja, jat mijn idee maar, want ik kan helemaal geen apps hacken, laat staan dat ik Rammstein, ACDC en de Jeugd van Tegenwoordig heb weten te strikken. Dit idee had ik een half jaar eerder moeten hebben.

Powered by ScribeFire.

Boek-ingrediënten: 1 Wereld, 1 Plot, Een handvol Personages, 88 kilometer verhaal en 30 kilo Dialoog

Groot bewondering heb ik voor schrijvers zoals Henning Mankell. Meteen vanaf de eerste zin hang je aan zijn woorden. Stoppen met lezen is onmogelijk, want je móet weten hoe het verder gaat. Vertwijfeld draai je het boek in je handen als je echt de allerlaatste bladzijde hebt verslonden. Hoe kan het boek nou al weer uit zijn? Het smaakt naar veel meer. Razend knap als je je lezer dusdanig weet te pakken.

Mankell schrijft over een wereld waarin hij zelf leeft. Hij hoeft “alleen” een pakkend plot, een contrastrijk pallet van schitterende personages en een verhaal te maken. Dat is op zichzelf al ontzettend moeilijk. Hij creëert geen nieuwe wereld, maar schildert zijn verhalen in de bestaande wereld. Daarvoor legt hij veel meer het accent op de sfeer en geur van de omgevingen. In Mankell’s boeken proef je bijna die omgevingen. Als Kurt Wallander langs het strand loopt, krijg je droge lippen en een zilte smaak in je mond.

In een totaal ander genre, science fiction, schrijft Peter Hamilton. Zijn boeken zijn zelden dunner dan 1000 bladzijden. Neem nou de Commonwealth Saga bijvoorbeeld. In ieder boek van deze saga lopen tientallen verhalen door elkaar in een bizarre, futuristische wereld van vele werelden verspreid over het universum. De verhalen lijken in het begin volledig los van elkaar te staan, maar ze verstrengelen zich meer en meer.

De Commonwealth is een soort intergalactische vereniging van werelden met een gemeenschappelijke regering. De Commonwealth werelden zijn verbonden door kunstmatige “worm holes” en dus kun je gewoon met de trein van de ene naar de andere wereld reizen. Het hele interplanetaire transportnetwerk is in handen van het machtigste bedrijf in het universum. Een waanzinnige, duizelingwekkend complexe wereld, waar Hamilton je volledig in zuigt. En dan ineens is het boek uit, heel gemeen met een volledig open einde. Meer verhaal paste er gewoon niet in het boek, dus ging Hamilton maar verder in een volgende pil. Gelijk doorlezen in die vervolgpil kan ik nooit. Eerst even een jaartje pauze om alles te laten bezinken.

De theorie van het schrijven van dit soort boeken lijkt heel simpel. Je hebt vijf ingrediënten nodig: een wereld, een plot, personages, een verhaal en dialogen. Die wereld moet je schilderen. Het vormt het podium voor je personages. Die personages moeten natuurlijk wel iets beleven dat de lezer boeit. Dat is het centrale plot. Dat kan zoiets zijn als: een megalomane boef heeft hele snode plannen om de hele wereld in zijn macht te krijgen en dreigt daarin te slagen, maar een held die als bescheiden en onzeker personage begint, redt tegen alle verwachting in de wereld. Tussendoor wordt die held verliefd voor de nodige kwetsbaarheid. Een veel gebruikte formule die pas interessant wordt door de personages, de dialogen en het verhaal.

In mijn jeugd begon ik diverse keren vol goeie moed aan een boek. Ik kladde hele schriften vol met de meest waardeloze verhalen, vond ik zelf. Niks heb ik daarvan bewaard. Erg jammer eigenlijk. De wens om ooit een boek te schrijven is er nog steeds. Een jaar of wat geleden begon ik enthousiast aan een kinderboek. Na vier hoofdstukken was ik het al zat. Discipline is cruciaal natuurlijk, maar ook het hebben van een goed idee. Mijn kinderboek heeft nog geen duidelijk plot. Zonder plot heb je niets aan een held, want die had ik wel. Maar ik kan maar niets leuks verzinnen om die held voor in te zetten. Ik heb dus een troefkaart zonder spel.

Sinds kort heb ik een nieuw idee voor een boek. Het zoveelste idee eigenlijk. Ik ben eerst maar eens begonnen met het schrijven van de tekst die je op de achterkant van de kaft zou kunnen zetten. Het is een fantastisch plot in de lijn van die veelgebruikte formule die ik hierboven al beschreef: een briljante boef die naar werelddominantie hunkert en een held van het type antiheld om dat te voorkomen. Nu alleen nog personages verzinnen en een wereldje voor ze om in te leven en te acteren. Doe ik zo even. Eitje. Over 10 jaar is het klaar.

Powered by ScribeFire.

Je sterft maar één keer. Toch?

Je leeft maar één keer, zeggen ze. Dus dan moet je er het beste van maken. Wat een dooddoener. Dan ben je steeds aan het vergelijken. Doe ik het wel beter dan hem (of haar)? Ik had “hem” voor het laatst gesproken toen ik nog volop puberde. Hij kon altijd alles beter dan ik, vond ik. Laatst zocht ik hem eens op op LinkedIn om te kijken hoever hij het had geschopt. Dat had ik niet moeten doen dus. Toch hoef ik geen herkansing.

Het leven is kort, zeggen ze. Dan kun je maar beter zo eerlijk mogelijk leven. Dan duurt het langer. Eerlijk gezegd geloof ik daar geen snars van. Geloven is sowieso niet mijn sterkste vaardigheid, moet ik je bekennen. Alles moet in de twijfel getrokken, en zelfs dat weet ik niet zeker. Alles is immers nogal veelomvattend, maar ook weer heel betrekkelijk. Ik kan toch onmogelijk álles in twijfel trekken. Daar is het leven gewoon te kort voor.

Over één ding twijfel ik nauwelijks: sterven doe ik maar één keer. Toch? Wacht even, ik leef natuurlijk wel voort in mijn kinderen. Zolang zij zich blijven voortplanten, leef ik onderhuids door. Mijn manier van denken gaat voor een deel over op mijn nageslacht. Wie denkt die bestaat, dat weet iedereen. Dus ook mijn manier van bestaan is dan erfelijk. Geleidelijk besta ik steeds minder naarmate mijn stukje genetisch materiaal steeds verder wordt gestekt. In die theorie sterf je dus precies zo vaak als je nakomelingen hebt plus 1. Nog een hele wilde denkstap verder is dan beweren dat de kerk het liefst zou zien dat je zo vaak mogelijk sterft. God, wat vergezocht. Weer een half uur van mijn leven verspild met dit geneuzel.

Powered by ScribeFire.

Breek de sleur en doe alsof je neus breekt

De meeste momenten van je leven gaan aan je voorbij en laten geen blijvende indruk achter. Er kunnen dagen voorbij gaan zonder dat er iets gebeurt dat je voor de rest van je leven zult onthouden. Toch zal ook niemand al die memorabele momenten zo kunnen oplepelen. Het is meer zo dat ze soms ineens naar boven komen dobberen. Ze zitten nooit heel diep, een paar meter onder de oppervlakte van de drukke vaarroute van je bewuste denken.

Vooral je neus is er erg goed in om bij het ruiken van een bepaald luchtje ineens zo’n boei naar boven te laten schieten. Dan zit je zomaar ineens te mijmeren over toen. Als ik die muffe geur van een kelder vermengd met de geur van mengsmeerbenzine ruik bijvoorbeeld, dan dobbert ineens de oude brommer van mijn opa naar boven. Daarmee tufte hij met oma achterop door heel Noord-Nederland. Die brommer stond in de kelder van de flat waar hij samen met mijn oma woonde, aan de Antaresstraat in Groningen. Onder het kelderraam stond een werkbank met een oude radio erop. Daar kon mijn opa alles repareren. De oude brommer werd daar met pure liefde in tiptop-conditie gehouden. Ik kwam graag in die kelder. Het rook daar naar mijn beste vriend. Mijn opa. Ik heb zoveel van hem geleerd.

Laatst liet mijn neus een hele verrassende herinnering naar boven schieten, maar niet door het ruiken van iets. Ik kon helemaal niks ruiken, want ik was snip- en snipverkouden. Nee, het kwam door een krakend geluid dat ik hoorde toen ik na het snuiten van mijn neus mijn neus schoon wreef met de zakdoek. Ik had mijn leeggesnoten en gigantisch kriebelige neus nog in de zakdoek, dichtgeknepen tussen mijn handen. Om mijn neus te ontkriebelen wrikte ik het eens een beetje heen en weer tussen mijn handen. Mijn neus kraakte zo hard dat ik meteen in de spiegel ging kijken of ik het per ongeluk had gebroken. Het deed tussen mijn oren alvast pijn, maar dat bleek valse pijn. Mijn neus was wel rood maar stond nog keurig recht. Het was gewoon mijn snot dat in mijn neusholtes sopte, kwam ik voorzichtig experimenterend achter.

En toen ik mezelf zo in de spiegel zag moest ik ineens lachen. Ik zag ineens dat gesmoorde gezicht van een oude studievriend voor me. In een vreselijk saai college over discrete wiskunde, waarin de oude professor zijn monotone les afdreunde terwijl hij zonder te kijken het hele bord vol tikte met zijn krijtje, werd ik steeds gezapiger en dus meliger. De tijd kroop tergend langzaam voorbij. De professor dreunde maar door en dreunde maar door. Het leek wel of ik hier al de hele dag zat en dat die dag nooit voorbij wilde gaan. Tijd voor wat ongein om die breindodende eentonigheid, die verdovende sleur, te breken.

Dus ik stopte een pepermuntje in mijn mond en draaide me om naar die studiemaat die in de bank achter me zat. Hij keek me meewarig aan. Ook hij zat af te zien. Toen beet ik het pepermuntje door en draaide tegelijkertijd aan mijn neus. Nooit meer vergeet ik die kop van hem toen. De tranen schoten uit zijn ogen. Het lukte hem nauwelijks om zijn lachen te smoren. Steeds als ik weer achterom keek, begon hij weer te schuddebuiken. Schitterend. Na het college kon hij zich eindelijk laten gaan. Ik weet niet meer precies wat ‘ie toen zei, maar het was zoiets als “Lul! Wil je dat nooit meer doen!”, maar hij lachte er wel bij. En dat truukje met dat pepermuntje, dat heb ik dus van m’n opa geleerd.

Powered by ScribeFire.