Gerda’s heldendaden

De verkoper wreef genoegzaam in zijn handen toen hij de blonde dame in mantelpak de showroom zag binnen lopen. Ze liep recht af op een glanzend opgepoetste occasion. Een metallic grijze Renault Megane Cabrio die een maand geleden nog helemaal om een boom gevouwen had gelegen. De wagen was eigenlijk total loss verklaard, maar toch stond hij hier in de showroom te glimmen als een verse hondenkeutel in de maneschijn.

De mannen in de workshop hadden de wagen weer rechtgetrokken, uitgedeukt en opgekalefaterd met allerlei onderdelen van de sloop. Eigenlijk was het onderstel van de wagen helemaal ontzet geweest waardoor het behoorlijk verzwakt is, maar dat zie je niet aan de buitenkant. Ja, alleen een echte Renault Expert zou het heel misschien kunnen zien als hij op een afstandje recht voor de auto hurkt en met één oog dichtgeknepen langs de auto kijkt. Dan zou hij heel misschien opmerken dat de achterwielen niet helemaal recht achter de voorwielen staan. Het gaat om millimeters, dus dat ziet echt niemand.

De blonde zakendame loopt verlekkerd om de cabrio heen. “Mooi hè”, zegt de verkoper,  “net binnengekomen, echt een plaatje”. De blonde dame kijkt op en neemt een iets meer onverschillige houding aan. “Doet het elektrische dak het?”, vraagt ze dan. De verkoper zwaait de bestuurdersportier open en zet de wagen op contact. De achterkant van de auto vouwt zich even later zoemend open en het dak ontvouwt zich.

Niemand merkt de kleine spichtige gestalte op die op dat moment langs de auto loopt. Ze draagt nog wel een knalgele regenjas met daaronder felrode regenlaarzen. Maar daar is ze wel aan gewend. Niemand merkt Gerda op. Ze is erg onopmerkelijk. Eigenlijk is alles opmerkelijker dan Gerda. In haar aanwezigheid vinden mensen ineens spelden in hooibergen omdat ze plotseling in het oog opspringen.

Voor Gerda is dit natuurlijk nogal frustrerend. Op vierjarige leeftijd vergat zelfs haar eigen moeder dat ze bestond. Ze was hiervoor in therapie gegaan bij een psycholoog, maar ook die beste man vergeet steeds dat ze zijn patiënt is. Maar ze had nog geen dag spijt gehad van haar besluit om naar de psycholoog te gaan, want daar had ze de eerste persoon ontmoet die haar wel opmerkte. Een ongelooflijk vreemde kerel met woeste haren en borstelige wenkbrouwen. Hij had haar heel indringend aangekeken met zijn fonkelende ogen. Otto, zo heette hij.

Maanden na hun eerste ontmoeting stond Otto ineens naast haar. Ze maakte, ver na sluitingstijd, een nachtelijk wandelingetje door het Rijksmuseum. Als je aan hyperonopvallendheid lijdt, dan is gratis toegang tot musea één van de geneugten. Toen ze voor de Nachtwacht stond, stapte er ineens een enorme gozer met een woest kapsel uit de schaduw. “Schrik niet”, zei hij, “ik ben het, Otto”. Ze schrok zich rot en in een reflex hield ze haar adem in en maakte zich zo onopvallend mogelijk. “Doe geen moeite, ik zie je heus wel”, zei Otto rustig.

Ze hadden lang gepraat daar bij de Nachtwacht. Otto had haar geadviseerd om te proberen haar uiterst zeldzame eigenschap om te buigen in iets positiefs, iets waar ze voldoening van zou krijgen. Iets waarmee ze anderen helpt de dingen te zien die voor hen gemaskeerd worden. En daarom loopt ze in de showroom van deze oplichter. Ze had gezien hoe de Cabrio eruit had gezien. Hoewel ze bewondering had voor het resultaat van het werk aan deze auto, wilde ze voorkomen dat de blonde vrouw de auto zou kopen.

De blondine liep om de auto heen. Haar hoofd een beetje schuin. Voor de auto zet ze langzaam enkele passen naar achteren. Gerda zwiert draaiend met haar regenjas langs de auto. Plotseling fronst de blondine haar wenkbrouwen, “Is deze wagen echt ongevalvrij?”, vraagt ze dan. “Ja hoor mevrouwtje, 100%”, zegt de verkoper zelfverzekerd, maar er parelt een dikke druppel zweet onder zijn toupetje vandaan die hij snel wegdept met een zakdoek.

De blonde vrouw hurkt dan naar beneden en kijkt met één oog langs de linkerzijde van de auto. “Ik zou anders zweren dat die achterwielen ietwat naar links staan ten opzicht van de voorwielen hoor”, zegt ze dan verontwaardigd. “Maar mevrouwtje…”, probeert de autoverkoper, maar de blondine kapt hem bits af: “Niks mevrouwtje! Verkoop dit wrak maar aan een ander!”. Gerda rent langs de verbijsterde verkoper en plukt zijn toupetje van zijn kop. Ze gooit het giechelend omhoog en huppelt voldaan de winkel uit, achter de nuffig stappende blondine aan.

De techniek staat voor niets!

Er liggen sinds enkele weken een tiental glimmende zonnepanelen te pronken op mijn dak. Tezamen kunnen ze, als het zonnetje er in volle glorie op neer straalt, 2500 Watt produceren. Da’s zat prik voor bijvoorbeeld de wasdroger. Dus de droogmolen kan wel weg. Scheelt een hoop gepriegel met wasknijpertjes.

De zonnestroom komt uit in een apparaat dat ervoor zorgt dat mijn wasdroger er iets mee kan. Die verwacht namelijk 220 volt wisselspanning op een frequentie van 50 Hertz. Het apparaat moet de gelijkstroom van de zonnepanelen omtoveren in standaard stopcontactstroom, maar dan wel hele groene.

Zo’n apparaat noemen ze, heel logisch, een omvormer. Bij ons hangt die in de bijkeuken. En als het zonnetje lekker vel op ons dak schijnt, dan giert de omvormer van de pret. Je hoort dan een schrille pieptoon die doet denken aan dat geluid dat oude beeldbuistelevisies wel eens maakten, maar dan 10 keer zo luid. Iedere keer als we het horen, zeggen we: “Hoor dat zonnetje nou toch eens lekker schijnen!”. De techniek staat voor niets. 

In de meterkast staat nog een stukje techniek die voor niets staat. Een zogenaamde “slimme meter“. Die kan niet alleen het aantal verbruikte kilowattuurtjes tellen, maar ook het aantal opgewekte kilowattuurtjes. Voor de eerste soort moet ik betalen en voor de tweede krijg ik geld terug. Met een slim pijltje op de display laat het me weten in welke richting de stroom op het moment loopt. Dus als ik dat pijltje richting voordeur zie wijzen, dan stroomt mijn stroom naar buiten en kan ik even lekker slapen, want dan stroomt (nou ja, “druppelt” is een betere term) het geld dus letterlijk binnen. Die zonnepanelen betalen zich zo dus langzaam helemaal terug. Die techniek staat straks letterlijk voor niets.

Nog iets heel slims is dat mijn slimme meter zelf de meterstanden doorgeeft. Dat hoef ik dus nooooooit meer zelf te doen. De meter is feitelijk op afstand uitleesbaar door de netbeheerder. Men maakt zich wat dat betreft zorgen over privacy enzo, maar ik niet. Ik zet mijn halve privé-leven op facebook en dit blog. Bovendien puilt mijn portemonnee uit van de bonus- en klantenkaarten.

Wat wel een beetje eng is, is het feit dat de netbeheerder de slimme meter ook op afstand kan afschakelen (bij wanbetalers bijvoorbeeld). Al die slimme meters hangen aan een computersysteem bij de netbeheerders. Ik ga er maar van uit dat die heel goed beveiligd zijn, want ik zit er niet op te wachten dat een Iraneese hacker bij mij het licht kan uit doen. Ooit fantaseerde ik al eens de “Robbery Planr”, een soort app waarmee inbrekers met een klik van de muis een wijk in het donker kunnen zetten. Pure fictie natuurlijk, maar de techniek maakt het in principe mogelijk. Die staat dus weer eens voor niets! 

Schapenbloemen

We zijn op weg terug naar huis na een te kort weekje camperen in het bos en rijden langs een weide die geel ziet van de paardenbloemen. Het is een schitterend gezicht. Ik wijs ernaar en zeg tegen ons kleuterjochie: “Kijk eens, heeeeel veel paardenbloemen in de wei! Zometeen komen de paardjes om ze op te eten”. Het ventje, dat naast me zit, kijkt maar buiten en speurt naar paardjes. “Waar zijn de paardjes nu dan, papa?”, vraagt hij dan. Ik antwoord: “Ik weet het niet. Misschien zijn ze ook wel op vakantie”.

Daar neemt mijn ventje blijkbaar genoegen mee, want hij geeft geen commentaar. Maar even later rijden we langs de ijsbaan. Nu is het gewoon een groen, weitje met alleen maar gras. Er loopt een handvol schapen op. “Kijk papa!”, roept ‘ie dan ineens, “de schaapjes hebben de schapenbloemen allemaal al opgegeten!”. Die ijzeren logica heeft ‘ie natuurlijk van zijn vader, dat is duidelijk.

De kneep van het fwoepen

Op een dag, tijdens een heel saaie geschiedenisles van meneer van Puffelen  – zo heette hij niet echt, maar iedereen noemde hem zo omdat de man geen namen kon onthouden en dus “hee, van Puffelen!” riep tegen iedereen die niet zat op te letten –  zat de jonge Otto wat naar buiten te staren door het open raam. Hij zat helemaal achterin de klas, en leunde met zijn stoel op de achterpoten tegen de achtermuur van het klaslokaal. In zijn hand draaide hij behendig een HB-potlood tussen zijn grove, maar lenige vingers. Otto staarde naar een punt ver weg, weg van dit lokaal en dagdroomde dat hij in zijn boomhut zat.

Plotseling moest Otto niezen. Hij probeerde het tegen te houden, maar zijn neus kriebelde zo erg dat hij er tranen van in zijn ogen kreeg. Hij kon de nies niet langer ophouden en liet hem gaan. WHAAAAATSJOEOEOE! Zijn stoel kletterde ervan onderuit. Verschrikt draaide de hele klas zich om naar het harde geluid. Er doorheen klonk zacht “fwwwwoep!“, maar dat hoorde niemand. Otto’s stoel lag op de grond. Het potlood dat Otto in zijn handen had, rolde nog na over de vloer. De hele klas bulderde van het lachen, tot ze beseften dat Otto er niet meer was.

Omdat Otto bij het open raam zat, rende meneer van Puffelen geschrokken naar het raam en keek naar beneden, naar het plein. Het klaslokaal bevond zich op de derde verdieping. Het was ongelooflijk, maar Otto was nergens te bekennen. Otto’s klasgenoten begonnen opgewonden met elkaar te praten. Iemand riep: “Hij is vast omhoog geklommen, het dak op!”. Daar had van Puffelen niet aan gedacht.

Meteen rende hij het klaslokaal uit en liet het in rep en roer achter. Hij holde de trappen af, naar de kamer van de conciërge. Die was gelukkig op zijn plek. “Snel, hoe kom ik op het dak?”, hijgde van Puffelen. “Met de brandtrap, achter de kantine, maar wat?…”, maar van Puffelen was al weg.

Even later kwam hij puffend, met een rood hoofd boven de rand van het dak van de school uit, en klauterde het dak op. Hij speurde het hele dak af. Het was een groot, plat dak zonder enige plek voor iemand om zich achter te verstoppen. Waar zat die verdraaide vlegel? Van Puffelen begon bezorgd en boos tegelijk te worden. Het leek wel of dat pestjoch in het niets was opgelost.

Gek genoeg was dat ook min of meer precies wat er was gebeurd. Otto begreep er zelf ook niets van. Het ene moment zat hij te dagdromen in een muf klaslokaal, tijdens een suffe geschiedenisles, en het andere moment zat hij in zijn boomhut. Hij wreef over zijn kriebelige neus. Ja, dat is waar ook, hij moest niezen. De nies was niet tegen te houden, want hij had het gevoel gehad dat hij op ontploffen stond. En op het moment dat hij niesde, was hij nog half met zijn hoofd bij zijn boomhut. Lijfelijk was hij ergens waar hij niet wilde zijn, terwijl hij geestelijk ergens was waar hij juist wel wilde zijn. De nies had Otto’s geest en lijf weer verenigd, maar op de plek van de geest.

Otto grijnsde zijn kwajongensgrijns en zei hardop: “Cool!”. Hij zou willen dat hij het gezicht van van Puffelen had kunnen zien, en probeerde zich het beteuterde gezicht van de man voor te stellen. Zijn neus en gehemelte begonnen al weer te kriebelden. Bah, die verrekte pollen ook. Hier in de boom stikte het daar natuurlijk van. Otto’s gezicht vertrok in die typische niesgrimas. Ogen dicht, mond open….HAAAA……WHAAAAAA…..fwwwwwoep! Otto verscheen ineens weer naast zijn omgevallen stoel, achterin het klaslokaal van meneer van Puffelen….TSSSSJAAAA!!!…

Toen Otto zijn ogen weer open deed keek hij recht in het lijkwitte gezicht van meneer van Puffelen. “Ehhh..”, stamelde Otto. “Nhng…”, wist van Puffelen uit te brengen.  “Heeft u misschien een zakdoekje voor me meneer, ik heb geloof ik een beetje last van hooikoorts”, zei Otto waterig, en om haalde eens flink zijn neus op. Verdwaasd trok meneer van Puffelen een grote geruite zakdoek uit zijn broekzak en gaf het aan Otto: “hier jongen, neem deze maar, hij is nog schoon”. En vervolgde toen maar gewoon zijn saaie les, alsof er niets was gebeurd. Wat kon de arme man ook anders?

En dat was dus hoe Otto de Magiër erachter kwam hoe hij zich van de ene naar de andere plek kon “fwoepen”. Je moet met je geest eerst afdromen naar die andere plek en dan je lijf er “gewoon” naartoe trekken door het af te leiden door zoiets als een plotselinge nies. In het begin gebruikte Otto nog een veertje om onder zijn neus te kriebelen zodat hij moest niezen, en omgekeerd moest hij voortaan goed oppassen bij niesbuien. Maar al snel kreeg hij de kneep van het fwoepen onder de knie, zodat hij met een knip van zijn vingers kon oplossen in het niets. Buitengewoon handig natuurlijk voor iemand zoals Otto.

Wijsheden tussen aanhalingstekens

Vorige week zat ik te eten in Der Pschorr in München. Een heel oud restaurant met die typische Beierse sfeer. Je weet wel, bediening in Lederhosen of Dirndels (afhankelijk van het geslacht) en iedereen eet Schweinehaxen met Semmelknödeln met grote glazen bier van de huisbrouwer (Hacker Pschorr). Op de tafel lag een soort krantje, en daarin kwam ik een rijtje met Beierse “wijsheden” tegen. Van die wijsheden die geen wijsheden zijn, maar met voldoende bier in de buik, wel grappig. Onderbroekenlol eigenlijk. Ik vond ze heel grappig, dus ik had blijkbaar voldoende bier in het bloed.

Nu heb ik dat krantje natuurlijk vergeten mee te nemen, maar ik weet deze nog (vrij letterlijk vertaald uit het Duits). Drink eerst even een biertje of 2, 3 voor je ze leest, dan zijn ze leuker:

Als de boer ploegt in mei, dan is april voorbij

Als het regent van voren, krijgt de stier natte horens

Kraait de haan in de mist, blijft het weer zoals het is,
maar kraait ‘ie op een hoen, heeft dat met het weer niets van doen 

Je ziet het patroon. Het moet nergens op slaan, maar wel rijmen. Dat moet ik ook kunnen:

Loopt een kip tegen het hok, dan hoor je “tok” (okee, gebaseerd op een al even flauw, bekend mopje…)

Blaft de hond bij het hek, dan komt er geluid uit zijn bek

Geloof me, met genoeg bier op, worden ook deze grappig. Maar als jij denkt dat je het beter kunt, kom dan maar op!

Zondags verslag

Zondag 14 april 2013

 

Pas om 8 uur wakker. Rond kwart voor negen hijs ik me uit bed om te douchen. Luiheid. Een half uurtje later zit ik met de kinderen te ontbijten. Ootjes (van die crispy ringetjes waar de kinderen erg dol op zijn) en bruine boterhammen met zoet. Ik maak een halve kan koffie en drink een eerste sloot bij de ontbijtkoek waar een dikke laag roomboter op gaat.

 

Al tijdens het ontbijt komt de doos met knutselpapier op tafel. De jongens vouwen vliegtuigjes die er prachtig uitzien, maar slecht vliegen. Ik zie “mijn stuntvliegtuig” heel slordig gevouwen worden en doe hem nog maar eens voor. Ik zeg: “Neem er de tijd voor, wees zorgvuldig, hoekjes op elkaar, maak scherpe vouwen. Doe het met aandacht”, maar mijn zoon is al weer weggevlogen.

 

Na het ontbijt bekommer ik me om de mount everest van te vouwen wasgoed. Dochterlief komt gezellig meevouwen. Ik leer haar hoe ze netjes vouwt en hoor mezelf al weer zeggen: “vouwen moet je met aandacht doen, dan wordt het netjes”.

 

De tweede sloot koffie slurp ik leeg terwijl ik lui op de bank zit met mijn gadget op schoot. Ik lees er maar een boek op. Raymond Feist. Niemandallige fantasie, heerlijk ontspannend. Dan belt moeders. Ze zag dat ik haar gisteravond had proberen te bereiken. Ik wilde alleen maar weten hoe het met haar ging. We praten over vervelende toestanden, maar er is hoop.

 

Ik heb helemaal geen plannen vandaag. Ja, alleen vage. Er moet nog geklust worden op zolder en daar besteed ik dan ook het grootste deel van de dag aan. Iets met latex. Ik wil het woord “wit” voorlopig even niet meer horen.

 

Als de dag goed en wel om is, kom ik ook eens naar buiten. De hele buurt is lekker aan het genieten van het warme weer dat er eindelijk is. Ik kom de kinderen halen omdat het bijna etenstijd is. Binnen warm ik de kippensoep van X weken geleden op en doe de bakbroodjes (met kaas en ui) in de oven. En er zijn kaasstengeltjes om in de soep te dippen! Ik geniet van dit eenvoudige maal.

 

Als het hele gezin al weer in het nest gekropen is (behalve ik) kijk ik naar de gemiste uitzending van College Tour met Nigella Lawson. Wat een heerlijk mens. Ze zegt op gegeven moment: “When I have to plan, I get very jumpy and do the first thing that comes to mind”, en ik denk: “zie je wel, je kunt best succesvol worden als je een hekel hebt aan plannen”. Maar even later besef ik me hoe dom die gedachte was. Ik verwarde geluk met succes. Aan het eind geeft Nigella de studenten het volgende advies: “always be honest with yourself and don’t be too frightened of fear”. Ik neem dat op mijn middelbare leeftijd ook maar ter harte.

 

Welterusten. O, en kan iemand me het recept van Nigella’s “olive oil chocolate cake” sturen. Die moet ik eens maken voor mijn schoonmoeder.

 

Ontmoet

we zouden ‘ns minder moeten zeuren,
minder zeiken en zaniken
we zouden beter moeten weten,
beter vertrouwen op ons verstand
we zouden ‘ns meer moeten geloven,
meer geloven in elkaar
we zouden ‘ns vaker moeten lachen
vaker onbedaard schateren
we zouden ‘ns vaker moeten leven
niet morgen, maar vaker leven in het nu
we zouden ‘ns meer moeten laten
meer laten los gaan, laat maar gaan
ja, we zouden ‘ns minder moeten móeten
ontsnap aan de waan van de dag, ontspan en ontmoet!

Der Klempner

(bron foto: wikipedia)

Giet een loodgieter eigenlijk nog lood vandaag de dag? Vroeger gebruikte de loodgieter lood om leidingen waterdicht te maken. Tegenwoordig doen ze dat niet meer volgens mij. Rioolpijpen zijn tegenwoordig van kunststof en de koperen waterleidingen knel je eenvoudig aan elkaar. Loodgieten heeft niks meer met lood te maken, net zomin als het Engelse plumbing nog met plumb te maken heeft.

De Duitse vertaling voor loodgieter is Klempner. Oh, spreek het maar eens uit in je beste Derrick-imitatie: KlemPneRRR (articuleer die hoofdletters!). Duitser dan dat kom je niet tegen. Ik vind het een schitterend woord. Het is waarschijnlijk een verbastering van de oudere woorden Klemperer en Klamperer.

Een Klemperer was een plaatbewerker, een plaatslager. Het is het geluid van een hamer op een metaalplaat: klemp klemp klemp!  En een Klamperer was iemand die niets anders deed dan klammern: verbinden. Nieten in het Duits is trouwens ook klammern. Klammern klink degelijk, definitief. Iets dat festgeklammert is gaat nooit meer los.

Duitsers en hun Grundigkeit. Bij ons kwam de altijd goed geluimde loodgieter met zijn kannetje gesmolten lood om je leidingen waterdicht te smeden. Dat ging van een kloddertje lood hier, een kloddertje lood daar (bij wijze van hè). In Duitsland kreeg je een nors kijkende beul die je leidingen aan elkaar beukte met zijn Klemphammer. En dat ging van klemp klemp klemp! Van schrik zwoeren die pijpen voor eeuwig waterdicht te blijven.