Tja

Tja, dat is een tussenwerpsel dat aarzeling, berusting en/of onzekerheid uitroept, volgens Van Dale. Aarzeling en onzekerheid passen dan nog goed bij elkaar, maar berusting is toch echt iets anders. Ik betrap mezelf er geregeld op dat ik ergens een tja tussen werp. En inderdaad is dat vaak uit onzekerheid of aarzeling. Door tja te zeggen, laat ik blijken dat ik even niet goed weet hoe ik moet reageren: “tja, wat moet ik daar nou op zeggen”.

Berusting is anders. Berusting is gelaten accepteren dat het niet anders is dan het is. Aan een tja van berusting gaat een diepe zucht vooraf. “Zo, zit de vakantie er weer op?”, vroeg een collega mij onlangs. Mijn tja van berusting vulde toen een heel universum.

Eeuwige bouwputten

Lawaaiig werk op Utrecht CS

Lawaaiig werk op Utrecht CS

De afgelopen jaren reis ik regelmatig met de trein langs grote stations zoals Zwolle, Arnhem, Amersfoort, Utrecht en Den Bosch. Het valt me op dat er altijd wel ergens op een van deze stations een groot bouwproject gaande is. In mijn beleving is er dus een eeuwig durende bouwbedrijvigheid op mijn reisroutes. Het is nooit af. Arnhem heeft jaren in de stijgers gestaan voor de nieuwe, ruime, ondergrondse voetgangerstunnel, evenals Zwolle. Het uiteindelijke resultaat is prachtig en een verrijking van de reizigersbeleving, maar er gingen jaren van ongemak aan vooraf.

Omdat dit soort project vele jaren duren, worden de tijdelijke, ongemakkelijke hoge trappen over het spoor (zoals bij Zwolle) geleidelijk aan gewoon. Gisterochtend zag ik dat ze in Zwolle waren weggehaald. Ze waren al ruim een maand daarvoor afgebroken, maar ik was even een maandje op vakantie. Dus voor mij was de voetgangersbrug over de perrons ineens verdwenen. Een rare gewaarwording van gemis kwam over me heen. Ik was zo vertrouwd geraakt met de tijdelijke trappen, dat ik ze miste toen ze er ineens niet meer waren.

Later die ochtend moest ik overstappen op Utrecht CS. Overal om me heen liepen vele mannetjes met werkhelmen op. Er werd getimmerd, gezaagd en geboord. Grommende graaf- en schuifmachines met een behelmd mannetje erin deden hun grimmige werk. De foto hier boven nam ik vanaf perron 15. Het bijkomende lawaai van de door metaal snijdende cirkelzaag was dusdanig luid dat de stationsomroepen onverstaanbaar waren. Telefoneren kon je ook vergeten. Luisteren naar muziek bood ook geen soelaas. De herrie sneed door alles heen. Ongemak. Maar een ongemak waar ik vertrouwd mee begin te raken. Het vormt een (klein) deel van mijn leven. Ik reis voor eeuwig door bouwputten. Daar leg ik me maar gewoon bij neer.

Good to greater

Gisteren ondergingen mijn collega’s en ik een teaminterventie onder de titel “From good to greater”. Ons gedrag moest worden bijgesteld. Niet dat we verkeerd bezig waren, daar niet van. We gedragen ons al good. Maar het kan greater. En om greater te zijn, moeten we meer samenwerken en dus meer verbinden.

Daarom moesten we (als onderdeel) met ons 15-en op een vel plastic van 1 bij anderhalve meter gaan staan en ons inleven dat we op een reddingsvlot stonden, midden op een stuk zee vol hongerige haaien. Helaas was het vlot op zijn kop in het water gekomen en stonden wij dus op de onderkant van het ding. Alle spullen zoals medicijnen, water en dergelijke bevonden zich dus onder onze voeten. Aan ons de schone taak om het vlot om te keren zonder dat er iemand naar de haaien ging, en graag snel een beetje.

Daar stonden we dan ineens oncomfortabel dicht op elkaar (letterlijk een groepsknuffel) en moest er een strategie worden verzonnen om het vlot te keren zonder de haaien te voeren. Om een lang verhaal kort te maken kan ik melden dat we met z’n allen door de haaien zijn opgevreten. Positief was dat we daarvoor wel kalm bleven en snel tot een door ons allen gedragen plan kwamen en daarop acteerden. Het leiderschap werd geprezen door de cursusleiders. Dat het plan mislukte is bijzaak.

Dus als team hadden we iets dergelijks kunnen overleven als we greater waren geweest. Om greater te worden moeten we ons ook veiliger voelen om elkaar aan te spreken op dingen die beter kunnen. Dus we gingen oefenen in het geven van positieve feedback. Dat doe je bij voorkeur met een snufje zout. Ongezouten opmerkingen schrikken af en vergroten afstanden tot elkaar. Niet goed voor de verbinding dus. Ik heb nu dus altijd een zoutvaatje in mijn tas zitten.

Tot slot werd mij en mijn collega’s gevraagd om eens op te schrijven wat je aan je eigen gedrag zou willen veranderen (wat ga je anders doen, waar stop je mee) en wat jij voor je collega’s wil gaan betekenen. Een ik-plan om van good naar greater te komen.

Nu praat ik nogal veel en ben, als ik er al ben, altijd sterk aanwezig. Als ik praat luister ik niet, en als ik luister dan denk ik te hard. Dit heeft te maken met de afmetingen van mijn ego, een groot zelfvertrouwen en een te vol hoofd. Gek genoeg gaf niemand mij gisteren dat als feedback. Misschien durven ze niet, of denken ze dat ik toch niet luister. Op zichzelf vormt dat voor mij al feedback. Lijfelijk bereikbaar zijn voor mijn directe collega’s is voor mij een grote uitdaging, want zij zitten allemaal in Den Bosch en ik woon met mijn gezin in Dwingeloo. Mijn ik-plan is daarom als volgt:

Mijn Ik-plan:
Ik ga actiever luisteren. Vooraf even mediteren om het hoofd te legen.
Ik ga meer vertellen, maar minder praten.
Ik ga mijn aanwezigheid verkleinen terwijl ik mijn aanwezigheid maximaliseer (minder op de voorgrond, beter bereikbaar).
Ik ga me nog meer openstellen voor de meningen van mijn collega’s. Ze mogen zelfs het geven van feedback op een ander, oefenen bij mij.

Hoe bestaat ‘t!?

Heb jij dat ook wel eens dat je je plotseling overweldigd voelt door de wereld? Het overkomt me bovendien steeds vaker. Ineens krijg ik dan een overweldigend besef van de gigantische omvang en complexiteit van het universum. Hoe bestaat ‘t!? – denk ik dan ineens. Hoe bestaat ’t dat ik met enorme snelheid door het heelal suis (draaiend om een gigantische vuurbol die zelf ook door het heelal suist) op het o zo dunne korstje van een klodder gloeiende magma. Belachelijk!

Maar ook in mijn eigen kennisgebied loop ik tegen wonderen aan. Hoe bestaat ’t bijvoorbeeld dat ik via een klein plat kastje een gesprek met iemand kan voeren die zich aan de andere kant van het land (of zelfs aan de andere kant van deze planeet) bevindt terwijl ik mijzelf laat verplaatsen in een zich over lange stroken ijzer voortbewegend voertuig. Het is eigenlijk niet te bevatten als je er te lang over na denkt.

Zo’n plat kastje dat zo’n gesprek mogelijk maakt is trouwens zo ongelooflijk complex dat het onmogelijk is om zoiets helemaal zelf, vanaf scratch, te maken. Iemand heeft wel eens geprobeerd om zelf vanaf scratch een broodrooster te maken, maar kwam er achter dat zelfs een basismateriaal zoals plaatstaal heel erg moeilijk zelf, vanaf de grondstoffen te maken is. Hij ging naar een ijzermijn om zelf ijzererts te winnen. Uiteindelijk lukte het hem om een stuk plaatstaal te maken, maar het kostte hem maanden. Het lukte hem om een broodrooster te maken dat er zo uit zag:

home-made_toaster

Vergeleken met een broodrooster is een smartphone oneindig veel ingewikkelder. Er is geen enkele mens op de aarde die het gehele proces van het winnen van de grondstoffen tot en met het assembleren van de onderdelen zelfstandig, zonder hulp en kennis van anderen, zou kunnen uitvoeren. Onmogelijk. Waarschijnlijk geldt dat voor de meeste dingen uit ons dagelijkse leven. Kijk maar eens om je heen en vraag je dan af of er iets bij zit wat jij zelf, vanaf scratch, zou kunnen namaken. Wedden dat jij dan ook denkt: Hoe bestaat ‘t?!

Biladida

De bila is een 1 op 1 gesprek. De ene helft is leidinggevend (baas), de ander leidingnemend (medewerker). Terwijl ik dit schrijf, ben ik onderweg naar zo’n bila. Ik ben daarin de leidingnemer. Het is de bedoeling dat de bila gaat over de leidingnemende. Daarbij dient de baas vooral naar mij te luisteren. Elk ei dat ik kwijt moet, mag hier worden gelegd.

Buiten het feit dat ik mijn eieren nooit onder stoelen of banken leg, voelt een bila voor mij vaak niet zo. Het is soms een gesprek waarin ik de zonden moet opbiechten die ik op de werkvloer zoal bega. En soms is het een gesprek waarin de leidinggevende het woord neemt en houdt. Eigenlijk is dat het spectrum waarop de bila zich kan bevinden: van biecht aan de linker kant tot preek aan de rechter kant.

Bila is voluit eigenlijk “bilateraal”. In de medische wereld gebruiken ze “bilateraal” voor symetrische aandoeningen. Een bilaterale tenniselleboog. Iets bilateraals is een soort evenwichtig ongemak dan eigenlijk. Bilateraal betekent ook “gesprek onder 4 ogen”, waarbij de suggestie wordt gewekt dat je alleen met bilateraal functionerende ogen aan zo’n gesprek kunt deelnemen. Het zou misschien beter een gesprek onder 2 of meer oren kunnen heten, maar dat terzijde

Misschien hebben we om het gevoel van ongemak weg te nemen, “bilateraal” maar afgekort tot bila. Het klinkt al meteen minder formeel. En je kunt het ook fijn verkleinen: “Nee, 10 uur kan niet, want dan heb ik een bilaatje met de baas staan”.

Hoe cynisch het bovenstaande ook mag overkomen, ik vind de bila niet onbelangrijk. Het is een stukje onverdeelde tijd die je leidinggevende aan jou besteedt. Als de leidingnemende in de bila de leiding neemt, en de leidinggever zich vooral laat leiden, dan wordt het een evenwichtig gesprek. Zo’n gesprek ga ik zingend tegemoet: biladida, tutuuuutududu…

Gelijk krijgen

Het woordje “gelijk” kennen we in onze taal als een bijvoeglijk naamwoord (hetzelfde), een bijwoord (op hetzelfde moment) en als zelfstandig naamwoord (juistheid). Dit is dan dus een prima Nederlandse zin: “Over een gelijk gelijk gelijk gelijk krijgen”.

Als zelfstandig naamwoord is “gelijk” vaak iets dat je de ander niet gemakkelijk geeft. Zeker niet als die ander wel degelijk gelijk moet hebben. Eigenlijk maakt het niet uit of je die ander dan gelijk geeft of niet, want zij (of hij) had het immers de hele tijd al (ook als dat pas later duidelijk wordt). Dus iemand gelijk geven is taalkundig eigenlijk onlogisch. Gelijk krijgen dan dus ook. Tenzij je natuurlijk het bijwoord “gelijk” bedoelt, dan is het wel weer logisch. Ik krijg gelijk nieskriebels als ik peper op snuif. Ik geef hem gelijk lik op stuk.

Gelijk krijgen geeft soms een katergevoel. Soms zou je het liever niet krijgen. Maar tegelijk kan je ook heel verongelijkt zijn als je het niet blijkt te hebben. Het is niet eerlijk dat ik geen gelijk krijg! Op zulke momenten strijk ik dan maar weer over mijn hart. Tuurlijk mag jij ook gelijk hebben stumper. Kom maar, dan krijg jij van mij fijn een beetje gelijk. Moet je niet denken dat de ontvanger van een dergelijk gelijk dan gelijk tevreden is. Oooo nee.

Jargon, je moet ervan houden

Het is eigenlijk best een gruwelwoord: jargon. Helemaal als je het met een slappe R uitspreekt. Het klinkt als een kledingstuk dat je liever niet draagt. Moet ik echt mijn jargon aan? Die zit zo stijf en stug. Het concurreert duidelijk met harnas en korset.

Nu reis ik dikwijls met de trein naar kantoor. De 1e-klas coupé zit dan vol met reizende medewerkers van verschillende bedrijven en organisaties. Die kwebbelen in hun telefoons of – erger nog – met elkaar als ze samen reizen. En dan spreken ze openlijk en ongegeneerd in hun rare jargon. Het zit vol woorden die je privé waarschijnlijk nooit zou gebruiken, zoals uniformeren, effectueren en synergie. En vol met DLA’s (Drie-Letterige Afkortingen).

Ik merk eigenlijk dat het me stoort als ik het anderen hoor doen. Het leidt me een beetje af van het werk dat ik probeer te doen op mijn laptop. Maar ja,  ik doe het zelf natuurlijk ook als ik zit te bellen in de trein. Volkomen ongegeneerd ook.

Beroepshalve praat ik natuurlijk überhaupt Koeterwaals voor de meesten. Als infoloog bezig ik natuurlijk een erg abstract taaltje.  Daarom moet ik mijn uitdrukkingen ook regelmatig vertalen naar “Jip-en-Janneke-taal”. Simpele, duidelijke taal. Zodat mensen die weinig tijd hebben het in één keer snappen, en er dan gemakkelijk een besluit over kunnen nemen. Daarbij grijp ik graag terug op metaforen die iedereen kent.

Eigenlijk hou ik erg veel van Jip-en-Janneke-taal. Het is niet stijf of stug. Het is soepel en zit als gegoten. Eigenlijk getuigt duidelijke, simpele taal van pure taalkundige vakmanschap. Ambachtelijk bijna. Voor een simpel en duidelijk verhaal moet je even rustig gaan zitten. En daar wringt de schoen. Die tijd nemen we te weinig.

Is daarmee het kringetje rond? Is jargon tijdverspilling? Nee, niet onder jargongenoten natuurlijk. Dan is je jargon misschien toch wel weer een fijn kledingstuk waarvan je hebt leren houden. Je stijve harnas  gaat vanzelf lekker zitten, of je voelt de stijfheid niet meer omdat je zo druk met je zwaard staat te zwaaien. Jargon, je moet ervan houden.

Duiken in ’t diepe

Behoedzaam bestijg ik de steile, ijzeren trap. De verf op de treden bladdert af. De wind is kil en bezorgt me kippevel over mijn hele lijf. Maar mijn besluit staat vast. Resoluut klim ik verder.

Als ik boven ben kijk ik voor strak me uit en loop met kalme stappen naar voren. De duikplank kraakt en buigt een beetje mee. Ik loop helemaal tot het uiterste randje en laat mijn tenen erover heen grijpen.

Onder mij bevindt zich een zwarte, onmetelijke diepte. Het is onvermijdelijk dat ik erin duik, dus ik breng mijn armen naar voren en zak door mijn knieën. Lenig veer ik op en spring één keer omhoog en veer dan nog eens….en nog eens…en zet af.

Even zweef ik vrij als een vogel. Ik maak een prachtige curve tot ik verticaal ben. Dan strek ik me helemaal en breek loodrecht, zonder plons door het rimpelloze wateroppervlak. Ik schiet de diepte in.

Langzaam breekt het ijskoude water mijn vaart. Totdat ik tot stilstand kom. Om me heen is het gitzwart, maar ik zie nog wel mijn eigen spierwitte handen. Het voelt alsof de tijd hier stil staat, maar dat is niet waar. De tijd staat niet helemaal stil, maar is zo sterk vertraagd dat seconden wel minuten voelen.

Nee, uren. Ik raak gedesoriënteerd. Wat is boven en wat is onder? Alles lijkt zo onwerkelijk. Instinctief zoek ik naar licht. Heel ver weg ontwaar ik het en zwem er langzaam naar toe. Ik heb immers alle tijd.

Plotseling krijgt de tijd en de werkelijkheid weer vat op me. Met een ruk word ik uit mijn droomtoestand getrokken. Al mijn zintuigen gaan op scherp. Ik zie dat ik nog heel ver omhoog moet zwemmen, terwijl mijn zuurstof al bijna op is.

Met alle wilskracht die ik kan opbrengen dwing ik mezelf tot kalmte en onderdruk alle gevoel van angst, zo goed en kwaad als dat gaat. En ik ontstijg ook deze diepte. De laatste meters drijf ik als volleerd zwemmer naar boven.

Als mijn hoofd weer boven water komt haal ik diep adem en zwem naar de kant. Ik klim eruit en loop weer naar de duikplank. Hij lijkt wel hoger dan voorheen.

Olifantenstaartsoep

Als we het dan toch over metaforen hebben, dan mag deze niet ontbreken: de verorbering van een olifant. Een figuurlijke wel te verstaan (en voor alle zekerheid, want ik wil niet aangezien worden voor een olifantenstroper).

Als we bezig zijn een olifant op te eten, dan bedoelen we daar mee dat er iets op het menu staat dat heel erg groot is. Het is zo groot dat we ons afvragen hoe we het in hemelsnaam naar binnen moeten krijgen. We zien er letterlijk als een berg tegenop om aan de klus te beginnen.

In figuurlijke zin representeren olifanten grote, complexe en kostbare projecten. Zoals bijvoorbeeld een nagenoeg volledige herinrichting van het informatiesysteem-landschap van een grote organisatie met de randvoorwaarde dat de bedrijfsprocessen er geen enkele hinder van ondervinden.

De vraag die dan heel logisch wordt gesteld is: Hoe eet je een olifant? Dat is een zwaar filosofisch vraagstuk. Het standaard antwoord is: hapje voor hapje. Maar dat betekent toch niet veel meer dan: niet mopperen en stug dooreten? Volgens mij moet je toch eerst trek hebben. Enorme trek in een olifant.

Nu zou je natuurlijk de olifant eerst helemaal kunnen laten slachten en verwerken tot een halve vrachtwagen vol olifanten-biefstukken, olifanten-worsten, olifanten-karbonades, olifanten-gehakt, olifanten-medaillons en Joost mag weten wat nog meer, en deze opslaan in een enorme vriezer, maar dat is tegen de regels van deze metafoor. We moeten de volledige olifant achter elkaar opeten, en vaak ook nog in een zo kort mogelijke tijd.

Gelukkig mogen we de olifant wel met meerdere mensen tegelijk opeten. Dus je moet mensen vinden die trek hebben in olifant, een groot banket organiseren en dan met zijn allen in één keer die hele olifant verorberen. Klinkt ineens heel gemakkelijk en feestelijk, maar wat nu als de op te eten olifant nog gewoon rond loopt?

Sterker nog: de olifant moet zo lang mogelijk blijven leven terwijl we het opeten (de bedrijfsprocessen mogen er immers geen hinder van ondervinden). De strategie is dan om eerst de niet vitale delen van de olifant op te eten en het vitale deel te bewaren voor het laatst. Dat deel moeten we dan in zo kort mogelijke tijd op eten. Liefst in real-time natuurlijk zodat de olifant er niets van merkt.

Maar welk deel van de olifant is precies vitaal? Meer of minder dan 80%. Vast veel meer. Maar de staart is vast niet vitaal, dus het voorgerecht kan alvast bestaan uit een krachtige olifantenstaartsoep. Heerlijk!