ergernissen

Mijn Spartaanse Vlieg

Het beest zoemt zenuwachtig door de kamer. De rode knor ligt naast me op de bank. Zijn oren bewegen. Hij richt ze op het gezoem. Ik kriebel hem geruststellend over zijn buik. “Zou je die vieze vlieg niet eens gaan vangen?”, vraag ik hem. Maar hij rolt zich op zijn rug.

Intussen word ik kriegel van dat gezoemzoem om mijn kop. Het vliegt een kriebelige vlucht. Nerveuze bewegingen. Willekeurig door mijn gezichtsveld. Alsof het in wilde paniek naar iets op zoek is. Ik word er gek van, dus ik sla er woest naar. Het lukt me om de vieze vette vlieg een flinke mep te geven als het voor me langs buzzt. Met een geruststellende tik slaat het beest tegen de muur, en dan op de grond. Einde buzz. Mooi

Nu kan ik weer mijn aandacht bij de film houden. Er vliegen afgehakte ledematen en hoofden in slow motion over de buis. Die vlieg leidde me van al dat geweld af. Maar nu is hij verdelgd. De rode knor krijgt het zo meteen als snoepje. Ineens zie ik iets over de parketvloer trippelen. In een kronkelig patroon van duizeligheid. Het is die stomme strontvlieg weer. Het stijgt op en vliegt pissiger dan ooit rond de kamer. Maar het wordt roekeloos en sjeest de halogeenlamp in. Daar wordt ‘ie geroosterd als een pinda. Nog een laatste zwakke bzz en dan is het afgelopen met hem.

Leonidas werpt zijn helm af. Gooit zijn zware schild op de grond. Hij veinst zich te onderwerpen aan de overmachtige Xerxes, maar dan…buzzzebuzzzebuzzzebuzzzzzz. De onsterfelijke strontvlieg is herrezen uit zijn hoopje as. Terwijl ik als een wildeman door de kamer spring met een opgerolde krant zie ik nog net hoe Leonidas verdelgd wordt door een hemelverduisterende regen van pijlen. Mijn Spartaanse vlieg trotseert mijn toorn. Ik weet niet hoe ‘ie het doet, maar ik zweer je dat het gezoem een smalend toontje kreeg. Ik geef het op en ga maar slapen.

Snot, verbazing en ergernis

Met mijn kleine ventje aan de hand stapte ik in peutertempo naar de ingang van de dorpsdrogist. Een vriendelijke oude grijsaard stond voor de ingang op zijn stok te leunen. De oude man hoestte een piepende en reutelende oudemannenhoest. Vriendelijk glimlachend liet hij mij en mijn peuter, die mij er even op wees dat hij hier altijd een snoepje krijgt, voor. 

Binnen bestelde ik bij de kassa een doosje kinderparacetamolletjes en een flesje kinderneusspray. Dat is hard nodig, want er lopen ettelijke kleine en grote snotneuzen rond bij ons thuis. Pa en ma vliegen de hele dag af en aan met lotiontissues om de geelgroene snottebellen weg te poetsen. Toen ik had afgerekend stelde de drogiste de geijkte domme vraag aan mijn snotterpeuter: lus jij ook een snoepje? Nou en of natuurlijk.

Intussen was het oude heerschap ook binnen komen hobbelen en was nu aan de beurt. “Goedemorgen meneer, kan ik u helpen?”, riep de drogiste luid. Tot mijn dubbele verbazing vroeg de op zijn minst 80-plusser of ze even een pasfoto wilde maken voor de verlenging van zijn rijbewijs. Ten eerste wist ik niet dat de drogist tegenwoordig ook fotograaf was. Waarschijnlijk was dat altijd al zo en wist ik het niet. Wel handig, want ik reed voor pasfoto’s altijd een dorpje verderop. Maar ten tweede verbaasde ik me er hogelijk over dat deze man nog kan autorijden. 

Mobiele bejaarden. Je ziet ze regelmatig rijden. Bedaard kachelend over de binnenwegen. De snelwegen mijden ze gelukkig zoveel mogelijk. Ze nemen hun tijd bij de kruispunten. Ongeduldige drammertjes (zoals ik) laten ze rustig in hun eigen sopjes gaar smoren. Allemaal zinloos gehaast. Ooit waren ze zelf ook jong en onbezonnen. Het gaat vanzelf wel over in berusting. Zij kunnen het weten. Maar ík wil het nog niet weten. Aan de kant opa, want ik wil er met mijn onbezonnen woestenij tóch erg graag voorbij. Ouwe lullen achter het stuur. Levensgevaarlijk. Toch?

Koot en Bie, nu zelf al aardig bejaard, dachten er vroeger in ieder geval net zo over. 

Post content

De blogger klapte zijn laptop open waardoor het ding met een schor piepje ontwaakte uit zijn sluimertoestand. Even later toonde het de blogger zijn meest gebruikte programma: een webbrowser dat hij had uitgedost met allerlei snufjes, waaronder een blogverwerker dat nog open stond. Het toonde een nog maagdelijke blogpost. Lege titel en ook het vlak onder “post content” was nog leeg.  

Lange tijd staarde hij eerst naar het nog lege, witte vlak. Zijn vingers beroerden zachtjes het toetsbord, alsof hij het voor het eerst in zijn leven aanraakte. De toetsen beantwoordden zijn streling met een zacht maar bemoedigend geratel. Hij drukte voorzichtig de shift-toets in, alsof hij bang was dat hij aan de andere kant van het web een orkaan zou veroorzaken. Weer staarde hij naar het nog immer blanke vlak. “Post content”, dacht de blogger verdwaasd.

Het lege vlak leek groter te worden deste langer hij ernaar staarde. Daarom klapte hij zijn laptop geirriteerd, met een klap dicht. Zuchtend gooide de blogger zijn laptop in de hoek van de bank en stond op om een kop koffie te tappen. Hij trok de pot met koffiepads open en keek er in. Er zat nog precies 1 pad in. De blogger stak zijn neus even in het blik en haalde het er vol afgrijzen weer uit. De pad rook naar een vochtige, bruine, papieren zak. Desondanks legde hij het toch in de senseo en liep even later met een kop heet slootwater terug naar de bank.

De blogger nam een slokje slootwater en probeerde smakkend de smaak van koffie te zoeken in zijn mond, maar hij had net zo goed een slok afwaswater kunnen nemen. Hij pakte zijn laptop maar weer en klapte het weer open. “Post content”, dacht de blogger weer, “post content…”. Die twee woorden bleven hem maar bezig houden. Hij typte het daarom maar eens in het titelvak. In het grote vak eronder schreef hij om te beginnen maar eens:

Wees een vent en schrijf dan in godsnaam maar iets over post content!!!! 

Vaak moest hij namelijk gewoon beginnen met schrijven. Het maakt niet uit wat. Gewoon beginnen en zien wat er uit zijn vingers zou komen. Wat er nu stond was natuurlijk wanstaltig, maar hij liet het toch staan. Om zichzelf uit te dagen. Hij zette de dialoog met zichzelf maar eens op scherp: “Wat een waardeloze eerste zin! En dan die belachelijke uitroeptekens! Kun je echt niet beter vandaag!?”. Als antwoord kreeg hij alleen wat gestamel en een geërgerde zucht. 

Nijdig zette de blogger, om zichzelf te ergeren, er nog 80 uitroeptekens bij en wenste toen dat hij de tekst ouderwets en woest uit de laptop kon trekken om het te kunnen verfrommelen en in een hoek te smijten. In plaats daarvan tilde hij zijn arm op en liet zijn vinger zwaar op de backspace landen. Letter voor letter vermoordde hij dit afstotelijke kind. Een belangrijke vaardigheid voor een schrijver: je aan je eigen hoofd ontsproten creaties kunnen ombrengen. Tevreden keek hij naar het resultaat: een leeg vlak. “Wis content”, dacht hij nu triomfantelijk. 

“Post content”, stond er nog steeds in de titel. “Ach!”, dacht de blogger ineens, en sloeg zich zo hard tegen zijn hoofd dat het gonsde. “Wat een bak!”, riep hij toen uit, “maar dáár zit wel een geinig stukje in!”. En toen schreef hij het hele voorval in één ruk van zich af, om er maar vanaf te zijn. Toen hij klaar was las de blogger zijn woorden nog eens door. Niet bepaald de sterren van de hemel geschreven, maar dit kind wilde hij wel een kansje geven, dus hij postte het zonder aarzeling naar zijn blog. “Post content!”, sprak de blogger tevreden en sloeg zich lachend op zijn knie.

Rot op met je huisaanhuisvuil!

Op onze brievenbus prijkt de welbekende ja-nee-sticker. Dat is JA voor huis-aan-huisbladen en NEE voor ongeadresseerde reklame. Al wekenlang dumpt er iemand, ondanks de overduidelijke, niet mis te verstane hint op de brievenbus, tóch ongeadresseerde troep in onze brievenbus. Al weken was ik van plan om de brievenbus helemaal vol te stikkeren met ja-nees, zodat het duidelijk is voor die halvegare idioot die zonodig zijn huisaanhuisvuil in onze brievenbus moet storten.

En heel toevallig betrapte ik vandaag onze huisaanhuisvuildumper op heterdaad. Hij kwam de oprit opgefietst toen ik net uit de auto stapte. Hij groette me vriendelijk en overhandigde mij een dikke stapel reklame. Ik zag nergens een adres op het pakket, noch mijn naam. Het betrof dus heel duidelijk ongeadresseerd reklamedrukwerk. Daarom gaf ik het hem meteen weer terug. “Neem die troep alsjeblieft weer mee”, zei ik bot. De TNT-er keek me onnozel aan en durfde te vragen waarom ik dat wilde. Ik pakte hem bij zijn oranje TNT-kraag en rammelde hem eens wat heen en weer. Ik kon het zaagsel in zijn kop horen ritselen.

Okee, dat rammelen deed ik in mijn gedachten. Hoezeer mijn handen ook jeukten, ik stelde mij beschaafd op en vroeg hem of hij wist wat die ja-nee-sticker op mijn brievenbus betekende. “Ja, die nee is voor reklame, maar dít is dus geen reklame, dít zijn huisaanhuisbladen hoor meneer”, zei de huisaanhuisvuilbezorger en bij iedere “dít” wees hij pedant op het stapeltje reklame dat hij nog in zijn hand hield. Ik dacht dat ik het in Keulen hoorde donderden. “Kom nou toch op man!”, riep ik uit, “een huis-aan-huisblad is zo’n gratis lokaal krantje!”. Dat ze daar stiekem ook allerlei reklame bij steken vind ik al heel bedenkelijk, maar recht in mijn gezicht durven beweren dat reklame onder de categorie huis-aan-huisbladen valt vind ik ronduit bespottelijk.

“Meneer, het is het toch zo”, hield de TNT-er vol. “Dus als ik geen rotzooi meer in mijn brievenbus wil, moet ik er een nee-nee-sticker op plakken?”, vroeg ik verontwaardigd. “Ritselritselritsel”, de TNT-er knikte enthousiast met zijn zaagselhoofd. “Maar dan krijg ik dus ook geen huis-aan-huisbladen meer, terwijl ik die juist wél wil krijgen”, zeg ik verbouwereerd. “Ritselritselritselritsel!”, schudt de TNT-er, “precies, als u er een nee-nee-sticker op plakt krijgt u helemaal niks meer!”. Hij duwt me de stapel reklame weer in mijn handen en zegt: “alstublieft meneer!”.

Ik kijk hem aan om te zien of er achter die ontzettend onnozele blik echt niemand thuis is. Mijn ogen schieten blijkbaar vuur want de TNT-er deinst achteruit, springt op zijn fiets en gaat er vandoor. Ik wil de brievenbus uit de grond rukken en achter die TNT-sukkel aanrennen om hem ermee om zijn oren slaan, maar in plaats daarvan draaide ik me om en mompel: “wat een onzin, rot toch op”.

Binnen kwakte ik de stapel rotzooi meteen bij het oud papier.  Ik troost me maar  met de gedachte dat dit huisaanhuisvuil tenminste nog geld op gaat brengen voor de school van mijn kinderen. TNT is, zonder dat ze zich ervan bewust zijn, een hele belangrijke sponsor van de school.