Koning Winter, ontwaak en regeer!

De ganzen trekken al weer naar het warme Zuiden. Al lijkt dat “al weer” dit jaar een beetje later dan normaal te vallen. De seizoenen zijn de kluts kwijt. Koning Winter ligt nog in zijn slaperige oogjes te wrijven terwijl Harrie Herfst nu eindelijk eens goed op stoom is gekomen. Harrie heeft nog veel te veel pret met zijn onstuimige stormen. Hij is nog lang niet uitgegierd. Laat die kille koning nog maar even lekker liggen, denkt Harrie. 

Op de achtergrond rekt Lotte Lente zich al wat uit. Af en toe valt haar mooie voetje uit haar bed en raakt de grond. Onmiddelijke schieten er overal scheuten uit de grond en hervatten madeliefjes hun bloei. Stiekem neuriet ze soezende slaapdeuntjes om Koning Winter lekker te laten doorslapen. Lotte popelt om uit haar roze hemelbed te mogen komen. Laat die kille Koning maar lekker in zijn nest liggen, denkt Lotte.

Maar Lotte moet het niet te warm maken, want anders wordt Sjoerd Zomer te vroeg wakker. Lotte en Harrie spannen daarom samen. Samen zijn ze een lekker stel. Als het weer te mooi dreigt te worden, mag Harrie van Lotte eens even fijn huishouden in het lage land. Door deze stiekeme verhouding tussen de Herfst en de Lente, komt Sjoerd steeds later. Sjoerd is een slappeling geworden. 

Koning Winter moet maar eens worden wakkergeschud. Het is tijd dat hij de seizoenen weer in het gareel brengt. Het is tijd om ons kikkerklimaat weer in zijn ijzige greep te nemen. Koning Winter! Kom met uw vorstelijke doch luie derrière uit uw nest en laat uw ijzige wetten weer gelden. Ons klimaat rommelt maar wat aan zonder uw bezielende leiding.

Democratie werkt niet in het weer. Het weer moet strak geregeerd worden. Koning Winter, beter was u een dictator. Neem uw diepgevroren scepter en zwaai Harrie ermee om zijn oren. Dek Lotte toe met een dikke laag sneeuw. Sleur die slappe Sjoerd weer terug naar zijn plek. Alle seizoenen weer op hun plaats en hou ze daar. Laat ons bibberen en beven, zodat we weer weten waar we aan toe zijn. 

Opleggerkonten beter benut

Hou in het verkeer rekening met harde windstoten, zei de anwb-er op de radio. Dus netjes de handen op 10 voor 2, vervolgde de man. Ik heb mijn handen tijdens het autorijden het liefst op 10 voor half 8. Af en toe schuiven mijn handen over het stuur naar boven, richting kwart over 9 als ze elkaars nabijheid even niet meer zo goed kunnen verdragen. Of omdat ze gewoon even verzet willen worden. Een beetje vergelijkbaar met de trucker die, omdat hij al ruim 10 minuten tegen dezelfde achterkant van een andere oplegger zit te kijken, in haalt. 

Truckers halen elkaar niet in omdat ze te langzaam gaan en ook niet omdat ze haast hebben. Ze hebben gewoon even een verzetje nodig. Ik kan me dat heel goed voorstellen. Op een gegeven moment ben je echt wel uitgegeken op de kont van je voorligger. Wat dat betreft worden de konten van opleggers totaal verkeerd benut. Die konten worden immers het meest bekeken door andere truckers. Daar zou je toch iets mee moeten kunnen doen om te voorkomen dat ze willen inhalen?  

Een eerste mogelijkheid is ervoor te zoren dat die kont waar hij naar zit te kijken, interessant blijft. Dus moet die kont er niet steeds hetzelfde uit blijven zien. Er moeten dus wisselende beelden en teksten op komen te staan. Geen bewegende beelden, want die leiden weer teveel af, maar beelden die elkaar om de zoveel minuten vervangen. En de informatie die erop komt te staan moet nuttig zijn voor de trucker die het leest. Bijvoorbeeld rond lunchtijd: “eerstvolgende restaurant op jouw route is bij afrit 38, 10 minuten rijden”. Geen teletekst, maar konttekst.

Een andere mogelijkheid is om aan de voorkant van iedere truck een camera te plaatsen waarvan de beelden op de kont van de oplegger komen te staan. Zo kan de trucker die naar die kont kijkt zien of het de moeite waard is om in te halen. Hierbij ontstaat een tunneleffect. Als er een hele sliert truckers achter elkaar rijdt, kan ook de achterste zien wat de voorste trucker ziet, want al die beelden worden van de voorste camera naar de achterste kont gestuurd. Dan hoeven ze dus ook nooit meer in te halen. Warempel, dat is gewoon het beste idee van Nederland! Ik schrijf me met deze uitvinding meteen in 😉 

Blauwe tanden

Bij blauwe tanden stel ik mij de tanden voor van Gargamel die eindelijk een mals smurfje aan het verschalken is. Om een of andere reden heeft iemand ook ooit eens bedacht dat je iets dat snoerloos met je telefoon of computer is verbonden ook met “blauwe tand” gelabeld moest worden. Dit v[blueinput demo]erhaal tik ik op een koddig klein toetsenbordje waar geen snoertje aan zit. Wel moest is er een speciale “app” voor op mijn tablet zetten en deze [blueinput demo] toestaan te wroeten in de ingewanden van mijn tablet. Ik lig er niet wakker van noch draai ik mijn hand ervoor om.

Die “app” is natuurlijk weer niet gratis, dus krijg [blueinput demo][blueinput demo]ik om de zoveel tekens te lezen dat ik hier bezig ben met een demo. En wat is een demo als er niet meer mensen van kunnen genieten? Zie nou [blueinput demo]toch eens wat een mooie lettertjes er onzichtbaar (alhoewel, soms meen [blueinput demo]ik een blauwige glinstering in de lucht te zien vanuit mijn ooghoeken) getransporteerd door de lucht die ik in en uit adem, op mijn blog verschijnen. Magisch toch? Wat mij betreft een geslaagde dem[blueinput demo]o. Ik denk dat ik maar tot aanschaf overga, of vinden jullie dat [blueinput demo] niet erg?

Otto ontmoet Knarf

“Scheer je toch weg! Schele ouwe Knarf!”, zei Otto quasikwaad tegen ongetwijfeld de lelijkste kater ter wereld. Het nogal fors uit de kluiten gewassen beest heeft een gitzwarte zwarte vacht en opzich schitterende groenblauwe ogen, maar hij loenst als een te ver doorgefokte Siamees. Bovendien mist het mormel het grootste gedeelte van zijn linker oor en heeft het een groot litteken dwars over zijn neus. Dat liep hij ooit eens op toen hij een volwassen buizerdmannetje ving. De buizerd beet zijn oor eraf en zette zijn grote klauw in Knarf’s neus. Het litteken loopt door tot de rechterkant van zijn bek, waardoor hij die niet meer helemaal kan sluiten. Hierdoor lijkt het alsof Knarf een ongure, scheve grijns op zijn bek heeft. De buizerd smaakte erg lekker, weet Knarf nog.

Otto de magiër is de enige mens die Knarf verdraagt. Dat is volkomen wederzijds. Otto en Knarf begrijpen elkaar op een soort onderbewuste, instinctieve manier. Hun eerste ontmoeting was in wat Otto “thuis” noemt. Knarf, dat was overduidelijk zijn naam, lag heel vanzelfsprekend in Otto’s favoriete, luie en enige stoel toen Otto ’s avonds thuis kwam. Otto begreep meteen dat hij een nieuwe stoel moest gaan zoeken. Deze stoel had Knarf zich toegeëigend. Otto had zijn schouders maar opgehaald en keek ook niet op van de enorme ravage in de keuken. Overal bloedspatten en veren. In het midden lag een half opgevreten karkas van een grote roofvogel. Een kat met gevoel voor spektakel, dacht Otto, precies het huisdier dat bij hem paste. 

Otto zette alle deuren en ramen van zijn huis open en liep weer naar de keuken. Hij ging wijdbeens staan en zorgde dat de kater hem kon zien. Hij haakte zijn vingers in elkaar en duwde zijn handen naar buiten, palmen naar voren. Zijn vingers knakten. Theatraal zwaaide hij toen zijn armen op zij, vingers gespreid. Plotseling begon het hard te waaien buiten. En omdat de ramen open stonden waaide het ook in huis. Otto liet de wind tot stormkracht toenemen. Ramen en deuren klapperden. De wind gierde door het huis. Natte bladeren waaiden naar binnen en begonnen om Otto heen te wervelen. Ook de veren werden door de steeds sneller draaiende wervelwind opgepakt. Even later was Otto helemaal verdwenen in een wilde, draaiende gierende wolk van troep. Otto maakte zich nóg kwader en ontlaadde het in de om hem heen draaiende wolk. Het effect was spektaculair. Er schoten heuse bliksemschichten uit zijn wolk en het begon naar ozon te ruiken in huis.

“Knarf!”, bulderde Otto boven het gegier uit, “sleep dat vieze, stinkende karkas naar buiten of ik rooster je levend!”. Hierop tilde Knarf zijn dikke lelijke kop op en keek Otto met een oprechte blik van respect  aan, in ieder geval met zijn rechter oog. Kennelijk was het het waaihoofd dat daar in de keuken stond te tieren, menens. Toch wilde Knarf wel eens weten hóeveel menens precies. Dus hij stond langzaam op, draaide zich om en plofte weer neer. Zijn grote lelijke kop weer tussen de poten en gewoon verder slapen. Otto werd woest en met een gigantische knal en flits zapte hij gericht naar Knarf. Deze slaakte een kreet waar een krolse puma jaloers op zou zijn geweest. Met zo’n vuile blik van totale minachting die alleen katten kunnen produceren, sjokte Knarf naar het buizerdkarkas en nam het in zijn grote bek. Nonchelant, en schijnbaar zonder moeite liep Knarf met de halve buizerd in zijn bek, tegen Otto’s razende storm in, naar buiten. 

Otto liet de woedende wervelwind nog eens goed door zijn huis razen. Het pikte al het vuil, maar ook rondslingerende sokken en een stapel oude kranten op. Otto richtte de wervelwind door de voordeur naar buiten, de nacht in en liet het los. De wind om het huis nam weer af en de vuilwolk viel uiteen. De bladeren en buizerdveren dwarrelden rustig neer. In huis was geen vuiltje meer te bekennen. Otto liet zijn grote handen met een laatste harde klap op elkaar komen, waarop alle ramen en deuren in één klap dichtsloegen. Knarf lag al weer op zijn stoel te ronken en is sindsdien bij Otto blijven wonen. In de vacht op zijn rug liep een nog nasmeulende kale zigzag-lijn waar Otto’s bliksem hem had geraakt. Wat een beest.

Wie slim is hoeft niet sterk te zijn

Dat ‘ie slim is, dat wist ik natuurlijk al lang. Maar dat ‘ie “cool” is, dat is een nieuwe ontwikkeling. Hij en ik doen tegenwoordig elke vrijdagavond samen boodschappen. Dat is heel gezellig. En handig bovendien, want hij denkt aan dingen waar zijn vader nooit aan zou denken. Dus daarom hebben we morgen ook een bessensausje voor over de griesmeelpudding.

Bij de kassa helpt hij me om alle boodschappen op de band te leggen. Als alles erop ligt staart hij gefixeerd naar de kassa-display om te controleren wat het kassameisje langs het oogje bliept. De lettertjes en cijfertjes die op het display verschijnen worden via zijn ogen zijn wondere brein ingezogen. Daar wordt de informatie op honderden lopende banden door zijn fantastische verbeelding getransporteerd. Zijn oogjes staan op oneindig. Hij lijkt er helemaal in op te gaan. Ik weet intussen dat hem op zo’n moment niets ontgaat van wat er om hem heen gebeurt.

Als alle boodschappen zijn afgebliept, laat hij zijn hand op de lopende band van de kassa mee gaan. Totdat zijn arm maximaal is uitgetelescoopt zodat de band onder zijn hand doorglijdt. Ineens vraagt het kassameisje aan hem: “Ben jij sterk genoeg om de band te kunnen tegenhou…?”. Nog voor dat ze haar zin af heeft, houdt hij heel cool zijn vingertje voor het sensortje aan het einde van de kassaband. De band stopt meteen, en het kassameisje is totaal verbluft. “O, dat doe ik altijd zo”, zegt hij. “Hij hoeft niet sterk te zijn, want hij is heel slim”, zeg ik trots en ik aai zijn haren eens goed door de war. Ik voel mijn mondhoeken naar mijn oren trekken. Lopen er even later een licht grijzende vader met zijn slimme slungel met onuitwisbare grijnzen op hun smoelen de winkel uit.

Met de driewieler langs de Diamantlaan

Ik ben op ontdekkingstocht, op mijn driewieler. Hoe die driewieler er precies uitziet heb ik geen idee van. Ik neem ook maar aan dat het een driewieler is. De wereld is primair gekleurd: groen, hemelsblauw en goud-geel. Ik rij langs een smal strookje gras dat naast een hoge muur ligt. De muur is zo hoog dat het tegen de lucht aan komt. Ik voel me intens gelukkig. Mama loopt naast me geloof ik, maar dat denk ik omdat ik aanneem dat ik hier niet alleen mag zijn. De wereld is schitterend. 

Dat is hoe ik me dit blije moment herinner. Meer dan dit weet ik niet. Het is mijn eerste herinnering. Vage beelden en een nog heel sterk gevoel van geluk en verwondering. Het kan niet anders dan dat ik me een moment herinner van toen ik nog alleen met mijn papa en mama in een flat aan de Diamantlaan woonde, in Groningen. Ergens tussen 1971 en 1973. Ik was toen 2 jaar oud, misschien bijna 3. Ik weet het niet precies. 

Ze zeggen dat je je niets meer zou moeten kunnen herinneren uit je peutertijd. Nou ja, het is ook praktisch niets. Er zitten ook veel aannames en logische conclusies in om de vage beelden aan te vullen. Toch is het een heel levendige herinnering die me nog altijd doet glimlachen.

Binnenzak

Soms zou ik in de binnenzak van mijn eigen warme jas willen kruipen, terwijl ik het draag
Bijvoorbeeld op zo’n waterkoude, mistige herfstochtend op het perron waar mijn trein moet aanmeren
Heerlijk beschermd tegen de elementen rolde ik me dan lekker op in mezelf
Ik zou weer lekker in slaap dommelen op de deining van mijn eigen ademhaling
En als de trein dan kwam, werd ik ruw door mezelf uit mijn binnenzak gevist en in de trein gesmeten, dat wel
Maar eenmaal zittend in de coupe kruip ik weer fijn in mijn binnenzak en snurk verder

Bron van ellende

Hee!  Jij! Jij daar met je stropdas. Ja, jij. Kom es hier. Goed zo. Luister. Ik wil het eens even met je hebben over… Hee! Kijk me aan! Wat zijn dat voor fratsen zeg, ik wil iets belangrijks met je bespreken en jij zit met je telefoon te klooien. Muhmuhmuhmuh!? Wat zit je nou te mompelen man. O, je verwacht een belangrijk telefoontje. Kom hier met die kwekberry! Zo, die staat uit. Nee, je krijgt hem pas terug als ik met je klaar ben.

Kan je nu effe luisteren? Okee. Ik wil het dus even met je hebben over de bron. Hoezo, welke bron? Nee, een bron kunnen we het inderdaad niet meer noemen. Het is meer een beerput. Dat jij het uithoudt in die lucht! Nuhnuhnuhnuhnuh?? Wat mompel je nou weer? Ja, het is wel degelijk jouw verantwoordelijkheid om de bron schoon te houden. En het kan me niet schelen wie er allemaal in staan te zeiken. Die bron is voor ons van levensbelang en de kwaliteit ervan is momenteel ver beneden peil. Wat nou weer? Interesseert me niet hoeveel lijken er in drijven! Vis ze er uit en wat mij betreft kook je soep van de karkassen.

Waarom jij?? Moet ik je dat echt nog uitleggen? Gottegottegot. Het is jouw taak om alle shit uit de bron te houden en ervoor te zorgen dat de aanvoer op peil is! Daar heb je met bloed voor getekend. Jij bent de aangewezen persoon hiervoor. Jij bent verantwoordelijk en niemand anders. De bron levert gewoon veel te weinig en de kwaliteit is bagger. Hoezo, meer zit er niet in? Dat is niet mijn probleem toch? Los het maar op!

Wat ik van je verwacht? Dat zal ik je eens haarfijn uitleggen mannetje. Jij gaat als de wiedense weerga al die rottende lijken eruit halen en zorgen dat de bron niet alleen voldoende capaciteit heeft, maar bovendien weer kraakhelder is. En je zorgt dat hij kraakhelder blijft. Vanaf nu word je strak in de gaten gehouden. Wat? Of je je kwekberry terug mag? Hier, vangen! Oeps! Wat onhandig van me, nou ligt ‘ie in de bron. Wat een ellende.

Zwermen buizerds

Toen ik veel te hard door de dikke mist en over het tot net boven het vriespunt gekoelde asfalt van de A28 naar huis scheurde, zag ik even voorbij Haren een buizerd op een paaltje zitten. Het beest leek me aan te kijken. In mijn ooghoek zag ik zelfs hoe het zijn kop meedraaide terwijl ik voorbij zijn paaltje zoefde. Gek, dacht ik, zou er soms iets interessants voor buizerds te zien zijn aan de auto? In de linkerbuitenspiegel zag ik hem nog even zitten voor hij in de mist verdween. Nog steeds had ik zijn nakijken.

Een paar kilometer verderop zag ik langs het weiland iets fladderen. Er landde juist een grote roofvogel op een paaltje. Al weer een buizerd. In termen van buizerds hebben we het hier nu praktisch over een zwerm. Ook deze buizerd toonde bijzondere interesse in mij, zo leek het. Toen ik opzij keek, zag ik dat ook dit dier me na keek. Heel vreemd. Rationeel als ik ben schoof ik het maar gauw onder louter toeval.

Weer enkele kilometers verder zag ik, je raadt het al, al weer een grote roofvogel op een paaltje. Nog een buizerd. En verderop nóg een buizerd, en later nóg één. Het wemelde van de buizerds langs de snelweg! Nu viel het me op dat ook andere automobilisten door de buizerds in de gaten werden gehouden. Ik moest ineens denken aan die rare motorfanaten die  tijdens de TT-dagen langs de snelweg gaan staan om naar de voorbij ploffende helmen met grote snorren eronder te kijken. Die buizerds leken dus massaal aan het carspotten te zijn geslagen. Ik viel duidelijk ook in de categorie van spotwaardige weggebruikers.

Thuis liep ik eens goed om de auto heen. Niks te zien natuurlijk. Rare buizerds. Die zitten nu allemaal thuis te gniffelen: zag je ze kijken die rare tweevoeters in hun stinkende machines?Jammer dat er niet eens een ongeluk gebeurde hè? Nou volgend jaar beter.