Onvolkomenheden

Gek hoe een volkomen normaal woord ineens heel vreemd klinkt. Dat overkomt me dikwijls, en deze ochtend om onverklaarbare reden ineens ook bij “onvolkomenheden”. Ik werd er min of meer mee wakker. Mijn brein bevond zich nog in een halve sluimerstand. In mijn hoofd liepen op dat moment de betekenissen van onvolkomen en onvoltooid door elkaar. Nee, het was eerder een ontmoeting. Als twee honden snuffelden de woorden aan elkaars achterste. In een vage, filosofische droom waar ik op dat moment uit ontwaakte zei iemand in een interview op televisie dat een Stradivarius en een Perzisch tapijt met elkaar gemeen hebben dat ze elk uniek én imperfect zijn. “Logisch”, dacht ik half wakker, “onvolkomenheden maken dingen en mensen authentiek”. En iets dat onvolkomen is, is nog niet helemaal voltooid. Daardoor klonk “onvolkomenheden” in mijn hoofd plotseling als een synoniem voor onvoltooid tegenwoordige tijd. Je zou toch maar zo wakker worden. Gebeurt me dus wel eens. Een authentiek weeffoutje.

Roller Coaster? Nee.

Om mijn beleving van 2020 even samen te vatten in een paar steekwoorden:
– Scheiding (formeel)
Nieuw normaal
Anderhalvemeterdaten
– Verhuizen
– Exit Trump, toch?? Toch???
– NL op slot
Abraham komt langs
– O ja, Brexit…
– Bohemian Rhapsody niet op 1
“Roller Coaster” dekt voor mij de lading van dit jaar dus echt niet. Bijlange niet. Ja, misschien met een stuk of honderd duizelende loopings. Klaar met 2020! Ik ben gaar. Nou ja, mals. Want na dit waanzinnige jaar kan ik alles hebben. Kom maar op!

Pre-vijftigplusser

Morgen flik ik het weer eens. Ik maak alweer een decennium vol. Het is ongekend! Een nieuwe mijlpaal die bij die andere vier kan gaan staan prijken. In de galerij van twijfelachtige certificaten van levenservaring.

Morgen word ik een nieuwe dertiger, zo wordt mij door menigeen goedmoedig verzekerd. Alsof dertiger zijn mijn vermeende leed zou verlichten. Zeggen dat zwaar het nieuwe licht is, is het nieuwe miskennen van gewichtigheid. Denk daarover niet te licht.

Morgen word ik oud-veertiger. Een veteraan, een legende. Mijn veertiger jaren waren bovengemiddeld woelig, dus wie bij mijn zesde mijlpaal durft te beweren dat ik een nieuwe veertiger zal zijn kan maar beter snel dekking zoeken. Maar dat zeg ik nu, terwijl ik nog een felle veertiger ben. Heel even nog. Mijn laatste uren als veertiger tikken weg.

Morgen betreed ik dan ook eindelijk de grijzige wereld der vijftigers. Maar eerst kom ik in een soort niemandsland, want pas als vijftigplusser wordt de vijftiger voor vol aangezien. Als 50-jarige ben je dus feitelijk nog veertigplusser.

Morgen word ik eigenlijk pre-vijftigplusser. Ik heb dan een heel jaar de tijd om mijn vijftigpluswaardigheid te onwikkelen. Vermoedelijk is de tijd die nodig is om je te kunnen vereenzelvigen met het getal 50 precies een jaar. Ik doe dat morgen gewoon meteen als ik wakker word en gebruik dan lekker het hele jaar om te flierefluiten!

Goeie Ex

Mijn dag begint betekenisvol. Ik word (min of meer) wakker met het inzicht dat ik ook een goede ex moet zijn. Eigenlijk was ik al wakker, maar het was nog maar 8:27 uur, terwijl ik me had voorgenomen om uit te slapen. Mijn gordijnen zijn niet lichtdicht, dus de slaapkamer was ook al veel te licht. Daarom besloot ik om eindelijk eens naar een podcast te luisteren die onlangs op TV in M werd besproken: Roel’s Sofasessies.

Roel van Velzen blijkt min of meer tegelijk met mij te zijn gescheiden vorig jaar. Ik had voorheen niets gemeenschappelijks met Roel. Ik wist dat hij bestond en dat hij aardig kan zingen. Maar nu blijken we allebei door een vergelijkbare hel te zijn gegaan. Net als ikzelf merkte Roel dat het helpt om over je scheiding te praten met anderen die vergelijkbare ervaringen hebben. Roel doet dat in zijn kennissenkring van BN-ers. Ik scrolde vanochtend door de gesprekken die hij al heeft opgenomen en pikte het gesprek met Claudia de Breij eruit: “Als je scheiding maar goed zit“.

Mijn scepsis over de podcast verdween al na enkele minuten. Het gesprek met Claudia kwam niet geregisseerd op me over. Het was echt een open gesprek. Ik ga hier niet het hele gesprek beschrijven. Luister vooral zelf. Wel moet ik even het inzicht kwijt dat het gesprek me gaf. Claudia vertelde dat haar ex in staat is gebleken om zich te verzoenen met de scheiding en later zelfs bij het tweede huwelijk van Claudia was. Gekscherend was de gezamenlijke conclusie van Roel en Claudia dus dat je een goeie ex moet kiezen. Dat betekent dus dat je een nieuwe liefde alvast beoordeelt op de potentie op het zijn van een goeie ex. Dat kan natuurlijk helemaal niet en ga je in je verliefdheid totaal aan voorbij.

Mijn inzicht kwam tijdens mijn luie zondagochtendontbijt. Gekookt eitje, beschuiten met jam, vers ontdooide boterham met hagelslag, grote kop dampende rooibosthee. En de radio aan tegen de stilte. Het gesprek van Roel en Claudia draaide nog door in mijn hoofd. Er was een nare vraag in mijn hoofd blijven hangen: Hoe goed is mijn ex? Die vraag voelde naar omdat ik me af begon te vragen of mijn ex diezelfde vraag ook zou stellen over mij. En toen viel mijn kwartje: om te kunnen beoordelen of ik mijn ex goed vind moet ik eerst kijken naar mezelf.

Een goede ex worden kost sowieso tijd. Dat ben je niet op dag 1 na de scheiding. En met scheiding bedoel ik niet de dag waarop de rechter je scheiding afhamert. Ik bedoel de dag waarop je samen met je ex het besluit neemt om te scheiden. De manier waarop die besluitvorming verloopt is ook heel bepalend voor hoe snel en hoe goed je in je nieuwe rol als ex-partner komt. Ik heb het allemaal ervaren als een orkaan die op mijn kustlijn beukte. Dus ik startte als een wrokkige, bokkige ex vol zelfmedelijden.

Intussen ben ik verder. Intussen kan ik mildheid opbrengen naar mijn ex. Bovendien begin ik langzaam los van haar te komen. Ik ben haar niets meer verschuldigd. Het lukt me steeds beter om haar te zien als de moeder van mijn kinderen. Als iemand met wie ik een goede verstandhouding zou moeten hebben, omwille van ons gedeelde ouderschap. Ik had me na de scheiding vooral gericht op het zijn van een goede vader, maar ik moet dus ook een goede ex zijn. Een mooi inzicht voor de zondagmorgen.

Pendelvader

Vader zijn is de helft van mijn identiteit. Minstens de helft. Zonder mijn kinderen voel ik me maar half mezelf. Hun ouders zijn al enkele jaren uit elkaar nu. De kinderen zijn regelmatig bij me. Er is nu genoeg ruimte in mijn huis voor ons alle vijf. En ze voelen zich ook thuis bij me. Dat merk ik aan hoe vrij ze zich voelen. En als ze er zijn voel ik me ook meer thuis in mijn huis. Ik voel me dan zelfs meer thuis in mijn eigen lichaam. Ik ben dan volop vader.

Hun moeder en ik zijn dus al een tijd niet meer samen. De afstand werd onoverbrugbaar. Ik was mezelf totaal kwijt geraakt. Wanhopig klampte ik me nog vast aan illusies, maar het luchtkasteel verging onherroepelijk in een alles verwoestende orkaan. En in in het oog van die orkaan vond ik mijn verloren gewaande zelf terug.

Nu, zo’n drie jaar verder, is mijn achterstallige zelfkennis enorm bijgespijkerd. In mijn hoofd is het helder. Mijn leven vult zich weer. De holte die ik nog voel is de ruimte die achter is gebleven na de scheiding. Gedurende je leven breng je steeds nieuwe lagen aan om je kern. Daar is een grote hap uit waardoor de binnenste kern weer bereikbaar werd. De hap is de holte. Maar gelukkig groeien er weer nieuwe, betere lagen overheen.

Als mijn kinderen bij me zijn voel ik me dus vollediger. Het liefste had ik ze altijd bij me in huis, maar ik weet dat dat niet kan. Ik weet ook niet of ik het wel wil. Ik geniet ook van de rust als ze er niet zijn. Ik zie uit naar hun komst, maar ook naar hun vertrek. Dus ik ben een pendelvader: zoals de kinderen pendelen tussen mij en hun moeder, zo pendel ik tussen emoties. En ook dat went.

Einde discussie

Zo kap ik regelmatig een gesprek af met een van mijn kinderen. Op zo’n moment erger ik me grondig aan mijn eigen onvermogen om volwassen te doen, maar kan het niet uitzetten. In zo’n “gesprek” luistert niemand, inclusief ikzelf. Dus is het ook geen gesprek. Het begint meestal met een ergernis over iets dat de ander alweer doet. Niet zelden start ik de aanklacht. Dan vraag ik of diegene er als-je-blieft mee wil ophouden. Natuurlijk heb ik altijd “sterke” argumenten. Meestal iets in de trant van: “anders gaat het kapot”. Dat gaat er natuurlijk nooit in, want het is nog steeds niet kapot ondanks al het zogenaamde schadelijke gedrag. Het leidt tot een klassieke welles-nietes-conversatie. Mijn wellesen omlijst ik met steeds meer bewijslast, maar de nietesen blijven me onverminderd om de oren vliegen. En dan ben ik het zat en blaf autoritair: “EINDE DISCUSSIE!”. Daarmee is het bepaald niet basta, want ik krijg een welverdiend: “BOEIEN!”. Het ging inderdaad weer nergens over.

Bikkelen en smikkelen

Vandaag heb ik met eigen handen een bescheiden stukje van mijn tuin bestraat. Met grijze klinkertjes. Ik had dat nog nooit gedaan dus ik dacht dat ik het dus waarschijnlijk wel kon. Na het bekijken van wat instructiefilmpjes op youtube, maakt ik een boodschappenlijstje voor de lokale doe-het-zelf-zaak: lange waterpas, rubberen hamer, kniebeschermers, lat, touw.

Mijn straat is gloedjenieuw. De tuinen van mijn buren zijn nog net zo kaal als die van mij. Mijn buurvrouw besloot zowat haar hele tuin te bestraten, en had nog een lading klinkers over. Meer dan genoeg voor mijn kleine terrasje. Dus die kruide ik in twaalf keer lopen of zo naar mijn achtertuin. Het was beter geweest als ik dat in twintig keer had gedaan. Zou een hoop spierpijn hebben gescheeld.

Het begin was het lastigst. Ik stampte het zand aan. Meette en zweette. Rekende en tekende. De contouren in het zand. Daarlangs legde ik wat betonbanden. Terwijl ik bezig was kwam de buurman van de andere kant eens bij me buurten. Die was zelf ook lekker aan het klussen. Hij is zo’n handige beroepsklusjesman die alles kan. En bovendien heel behulpzaam. Hij vleide met de waterpas even vlot mijn zandbedje zodat ik de klinkertjes er alleen nog maar in hoefde te leggen.

Daarna ging het van een leien dakje. In no time lag mijn terrasje erin. Op het eind moest ik nog wel even kwaad worden op een klinker die niet mee wou doen. Ik kwam niet helemaal goed uit en kwam 2 millimeter te kort. Rammen met de rubberen hamer om twee meter beton 2 mm naar rechts te krijgen bood geen soelaas. Shit. Die laatste rij moest er dus weer helemaal uit en er nu van links naar rechts in. Het betonbandje rechts kon ik nog 2 mm dichter op de schuttingpaal krijgen. Toen paste het.

Ik hurkte neer om mijn nijvere werk trots te overzien. Retestrak (zie plaatje). Voldoening. Nog even zand erover bezemen, en Mark is uitgebikkeld. Mijn hersenen ontvangen nu diverse klachten vanuit het gehele lichaam. rugspieren, buikspieren, bovenarmen, handen. Die had ik maar even genegeerd. Mijn conclusie is dat stratenmakers bikkels moeten zijn. Topatleten zelfs.

Hete douche. Koffie. Neerploffen op de bank. Studio Sport kijken. Spannende 3000 meter schaatsen van de dames. Ronde van Spanje. En natuurlijk eet ik zuurkoolstamppot. Het stampen ging nog net. Het koude glas bokbier dat ik daar bij schonk, smaakte lekkerder dan ooit. Bikkelen doet smikkelen.

Snelpraat

Vergeleken met mijn dochter praat ik dus in slow motion. Het aantal woorden per seconde ligt bij mijn dochter een factor 4 tot 6 hoger dan bij mij. Het is me opgevallen dat meiden in dezelfde leeftijd sowieso een ontzettend hoog spreektempo hebben. Mijn “steekproef” bestaat uit mijn dochter, een nichtje van dezelfde leeftijd en wat ik verder langs hoor komen babbelen op straat, in de winkel en op televisie. Ik ken op zich ook mannen met een hoog spreektempo, maar aan de meiden kunnen die niet tippen.

Ik merk dat het me moeite kost om de snelpraat van mijn allerliefste dochter te volgen. Ik knik zo goed mogelijk op haar ritme mee, maar we raken binnen luttele seconden uit fase. De woorden komen zo snel uit haar mond dat ze in mijn beleving beginnen te overlappen. Ik ben nog bezig met de verwerking van een woord terwijl zij al halverwege het volgende woord is.

Zo vroeg ze laatst: pabbamahikuhghoeghje? Voor ik er erg in had dat ze iets tegen me zei, was het al over haar lippen gegaan. In een fractie van een seconde. Ik zweer het je. Ik meende een opgaande toon te horen aan het einde, dus ik nam aan dat het een vraag was. Haar verwachtingsvolle blik was ook een duidelijke aanwijzing. Aan mijn wazige blik was blijkbaar duidelijk af te lezen dat ik het totaal niet had verstaan, dus ze zei in slow motion: “Papaaaah? Màààg ìììkkk uhnnn koeoeoekkkjuh?”

Ik plaag haar er natuurlijk regelmatig mee. Dan zeg ik dat ze zo snel praat dat haar eigen mond het niet eens kan bijhouden. “Je mondje is nog bezig met het afmaken van het ene woord, maar moet al beginnen aan het volgende woord. Je hebt vast spierpijn in je kaken vanavond!”. Ik word dan altijd beloond met de mooiste frons die ik ken.

Waarom praten meisjes uit mijn referentiegroep (pubermeiden van 13 jaar en ouder) eigenlijk zo snel? Of luister ik gewoon te langzaam? Als je dat aan die meisjes vraagt zal dat natuurlijk in zeer hoog tempo resoluut worden bevestigd. Maar misschien willen ze gewoon de kans maximaliseren dat alle woorden gezegd kunnen worden. Misschien is dat hun manier om om te gaan met het feit dat vaders en andere slome figuren ze steeds onderbreken. Het leven is natuurlijk ook veel te kort om alles te zeggen, dus zeggen ze alles maar heel erg snel. Voordat het niet meer kan. Duh!

Wrevelwoorden

Wroeten is een woord dat qua klank geweldig goed past bij de betekenis ervan. Bij wroeten stel ik me een woest gegraaf met je beide handen voor. Of lekker met je spitse neus, luid snuivend, als je geen handen hebt. Wie wroet is naarstig op zoek naar iets. Wroeten heeft iets groezeligs. Woorden die met “wr” beginnen gaan wel vaker over ongenoeglijke zaken, bedacht ik me. Wrak, wrat, wroeging, wrikken, wrok, wreken. Allemaal wrevelwoorden. Wroeten is eigenlijk vooral een wrevelwoord als iemand anders met z’n neus in jouw zaken zit te wroeten.

Toen ik laatst de kinderen weer terug naar hun moeder transporteerde (enigszins wrevelig, zoals wel vaker bij die autoritjes), gooide ik dit idee eens in de groep. Ik vond uiteraard weerklank. Dus ik voelde me aangemoedigd om een stapje verder te gaan. Bij woorden die met “vr” beginnen is het eigenlijk ook zo, oreerde ik. Zoals vrek, vrees, vreten, vriezen en, en, en…eh, wat eigenlijk nog meer? Waarop mijn zoon me droogjes aanvult: vrouwen? Toegegeven, daar moest ik smakelijk om lachen, maar het kwam hem natuurlijk wel op een kleine, corrigerende berisping te staan.