Verhaal

Over de berg

In maart 2003 emigreerden mijn vrouw, zoontje van 8 maanden en ik naar Amerika. Om precies te zijn naar Baltimore in de staat Maryland. Als een berg had ik er tegen op gezien om te emigreren. Een onneembare bergkam was het eigenlijk. Met grillige toppen die ooit de krassen op de maan hadden gemaakt. Uit mezelf zou ik de reis nooit hebben gemaakt. Ik ben niet avontuurlijk van natuur. In tegenstelling tot mijn wederhelft ben ik een standvogel.

In 1998 trouwde ik met een blondine die de Quantumtheorie snapt. Ze bestudeert het universum voor haar beroep. Ze bouwt mee aan nieuwe instrumenten om dat beter te kunnen doen. Wetenschapper in hart en nieren en bepaald geen standvogel. Dankzij haar heb ik de Andes van dichtbij gezien. Dankzij haar versta ik Beiers. Dankzij haar ligt een deel van mijn hart in Zweden.

Lijkbleek bleek ik te zijn geweest toen we op Schiphol afscheid namen van familie en vrienden. The point of no return was al lang gepasseerd. Het huis en een groot deel van onze spullen was verkocht. Andere spullen die we niet kwijt wilden, gingen in de opslag. En een klein deel ging per boot naar ons nieuwe adres. Wijzelf namen het vliegtuig.

Acht uur later kwamen we aan op Dulles National Airport (Washington). Als kuddedieren werden we door de douane gedreven, weet ik nog. Erg druk was het niet, maar toch moesten we persé de door lintjes afgezette route lopen. Toen ik, brutale, assertieve Nederlander zijnde, tussen twee paaltjes door wilde stappen werd ik woest door de dienstdoende, en zijn taak zeer serieus nemende agent, op het pad teruggeblaft. Ik luisterde gedwee en zei “Sorry” in mijn beste Amerikaans.

Met een huurauto, een veel te stoere Ford Explorer 4×4, reden wij toen van Dulles naar ons eerste, tijdelijke adres in Balto, in de wijk Elkridge. Het was nog volop winter daar. Er lag nog veel sneeuw op het terrein van het appartmentencomplex waar we de eerste maanden zouden gaan wonen. Ons appartementje was volgepropt met ontzettend, typisch Amerikaanse, protserige huurmeubels. Op ons bed lagen belachelijk veel, belachelijk dikke kussens. Ik voelde me nog nooit zo slecht thuis. 

De eerste week bestond uit het vinden van onze draai en het regelen van dingen. Mijn vrouw regelde en ik zocht draaien. Alles was vreemd en ook weer niet. Wat ik het moeilijkst vond om aan te wennen was die oppervlakkigheid van de mensen daar. Amerikanen veinzen interesse voor je met overdreven “hi, how are you”. Ik weet nu dat je dat gewoon moet terug zeggen. Het betekent niks meer dan “hoi”. 

Aan de andere kant van die berg, die zo onneembaar leek, vonden we uiteindelijk best een fijne draai. Het was een heftige en leerzame tijd. Leerzaam in de zin van leren omgaan met ogenschijnlijke onmogelijkheden. Niks is onmogelijk, en anders is er altijd nog de trap-onder-je-kont-methode om uit je misère te komen. Ik leerde dat ook standvogels kunnen emigreren en nestjes kunnen bouwen in vreemde, verre landen. Het kwam allemaal best goed. 

Af en toe komt dat gevoel van totale bevreemding dat ik tijdens mijn eerste momenten in Amerika voelde, nog wel eens naar boven drijven. Vlinders fladderen rond in mijn buik. Vlinders van verwondering, verbazing en onzekerheid. Maar ook van de spanning van het onbekende. Een heerlijk gevoel eigenlijk. Het is een gevoel dat sterk lijkt op verliefdheid. Het is de beloning voor het overwinnen van angsten die onoverwinnelijk leken. Het is de beloning die je krijgt als je over jouw berg heen bent gekomen en ziet wat er achter ligt. 

Heren volgen geen instructies

Negen wijze heren kwamen bijelkaar om te praten over gewichtige zaken. Op de grote tafel in hun midden lag een klein kapitaal aan gadgets. Minstens 3 per persoon. Allemaal noodzakelijk natuurlijk, dat staat buiten kijf. Behendigd werd er uit de losse pols met de de diverse gizmos gejongleerd. Ikzelf arriveerde een chique half uurtje later. Met respect werd ik bij binnenkomst door de collega’s begroet. Argeloos slingerde ik mijn fonkelende leipad op tafel terwijl ik mijn leifoon achter mijn rug omhoog gooide, mijn jas over de leuning van de stoel hing, ging zitten en toen de telefoon in het borstzakje van mijn overhemd op ving. Allemaal in één vloeiende beweging. 

Die acrobatiek werd natuurlijk als volkomen normaal beschouwd. Dit werd ik geacht te kunnen en was ik op geselecteerd. De voorzitter knikte wel even goedkeurend, maar dat had er meer mee te maken dat ik was gearriveerd. Hij gaf aan een collega aan de andere kant het teken om de presentatie te starten. Daarop stond de beste man op en drukte op een knopje op een paneel aan de muur. Er rolde een projectiescherm uit het plafond en de projector aan het plafond boven de tafel kwam tot leven. Echter, de beoogde beelden verschenen niet op het grote scherm. De collega drukte nog eens op wat andere knoppen, maar dat leverde geen verbetering op.

De man keek hulpeloos naar zijn collega’s om: “Eh, hij doet ’t niet”. Verbijsterde blikken. Wat nu? “Misschien moet je de projector gewoon even uit en weer aan zetten en het nog eens proberen”, opperde iemand. Er werd meteen instemmend geknikt. Zo gezegd zo gedaan, maar zonder het beoogde effect. Het scherm bleef verstoken van beeld. De man bij het knoppenpaneel streek nerveus door zijn haar. Toen ging er een licht bij hem op. Zijn gezicht klaarde op, waarop de andere heren hoopvol opveerden. Maar toen verzuchtte hij: “Ach, dat werkt natuurlijk ook niet”. De heren zonken weer in. 

De voorzitter bracht verlossing: “Ik stel voor dat we dit moment even benutten voor een korte koffiepauze en dat iemand even contact opneemt met de technische dienst”. Het was natuurlijk evident dat de projector niet naar behoren werkte en dat er maar even iemand moest komen. De man die de twijfelachtige eer was toebedeeld het projectiesysteem te beteugelen werd verwachtingsvol door de voorzitter aangekeken. Hij maakte gehoorzaam twee lenige backflips en trok in één beweging zijn telefoon, koos het nummer van de technische dienst (welke uiteraard onder een sneltoets zat) terwijl hij via een dubbele salto in zijn stoel sprong. 

De andere heren wandelden één voor één, met soepele, nonchalante tred naar de coffee corner om zichzelf te voorzien van een ristretto, capuchino, machiato of een doodgewone, maar desalniettemin acceptabele espresso. Even later kwamen de heren, met koffiekopje in de ene hand en al twitterende met de telefoon in de andere hand, de zaal weer binnendruppelen. Er kon gelukkig worden gemeld dat de technische dienst met succes kon worden gecontacteerd. Alles was onder controle. Er werd meteen opgeluchter adem gehaald. 

De opluchting ging acuut over in verbazing toen er een klein, spichtig vrouwtje met een streng klein brilletje op haar neus in uniform de zaal binnentrippelde. Ze deed me sterk denken aan juffrouw Mier. In haar hand droeg ze een kaart met een overzichtelijk ogend lijstje. Klaarblijkelijk de bedieningsinstructies voor het projectiesysteem. Ze las de eerste instructie met luide stem voor: “aan de muur bevindt zich een bedieningspaneel…”. De heren wezen haar behulpzaam in de juiste richting. “Aha”, zei het mensje en las de volgende instructie voor: “Schakel de installatie in met de rode knop”. Knop werd ingedrukt en wederom kwam alles tot leven. En zo liep het mensje alle instructies één voor één af en geschiedde er een wonder: Op het scherm verscheen het door ons zo vurig gewenste beeld.

Enigzins geirriteerd haalde het mensje haar schouders op en keek ons meewarig aan. “Als je precies de instructies volgt, dan werkt het gewoon”, zegt ze. De heren, mijzelf incluis, keken van schaamte naar hun glimmende schoenen. “Eh, waar kunnen wij die instructies vinden”, werd binnensmonds door een van de heren gevraagd. “Die zou hier op de tafel moeten liggen. Kijk, daar ligt ‘ie”. En toen trippelde juffrouw Mier van de technische dienst weer de zaal uit: “Tot uw dienst heren, goedemiddag”. Met stomheid geslagen schoven de heren weer aan de vergadertafel aan, terug op hun plaats. Belangrijk turende naar het schermpje van het eerste gadget binnen handbereik hervonden de mannen weer hun waardigheid en kon er gelukkig fijn verder worden gegaan met de orde van de dag. 

Otto ontmoet Knarf

“Scheer je toch weg! Schele ouwe Knarf!”, zei Otto quasikwaad tegen ongetwijfeld de lelijkste kater ter wereld. Het nogal fors uit de kluiten gewassen beest heeft een gitzwarte zwarte vacht en opzich schitterende groenblauwe ogen, maar hij loenst als een te ver doorgefokte Siamees. Bovendien mist het mormel het grootste gedeelte van zijn linker oor en heeft het een groot litteken dwars over zijn neus. Dat liep hij ooit eens op toen hij een volwassen buizerdmannetje ving. De buizerd beet zijn oor eraf en zette zijn grote klauw in Knarf’s neus. Het litteken loopt door tot de rechterkant van zijn bek, waardoor hij die niet meer helemaal kan sluiten. Hierdoor lijkt het alsof Knarf een ongure, scheve grijns op zijn bek heeft. De buizerd smaakte erg lekker, weet Knarf nog.

Otto de magiër is de enige mens die Knarf verdraagt. Dat is volkomen wederzijds. Otto en Knarf begrijpen elkaar op een soort onderbewuste, instinctieve manier. Hun eerste ontmoeting was in wat Otto “thuis” noemt. Knarf, dat was overduidelijk zijn naam, lag heel vanzelfsprekend in Otto’s favoriete, luie en enige stoel toen Otto ’s avonds thuis kwam. Otto begreep meteen dat hij een nieuwe stoel moest gaan zoeken. Deze stoel had Knarf zich toegeëigend. Otto had zijn schouders maar opgehaald en keek ook niet op van de enorme ravage in de keuken. Overal bloedspatten en veren. In het midden lag een half opgevreten karkas van een grote roofvogel. Een kat met gevoel voor spektakel, dacht Otto, precies het huisdier dat bij hem paste. 

Otto zette alle deuren en ramen van zijn huis open en liep weer naar de keuken. Hij ging wijdbeens staan en zorgde dat de kater hem kon zien. Hij haakte zijn vingers in elkaar en duwde zijn handen naar buiten, palmen naar voren. Zijn vingers knakten. Theatraal zwaaide hij toen zijn armen op zij, vingers gespreid. Plotseling begon het hard te waaien buiten. En omdat de ramen open stonden waaide het ook in huis. Otto liet de wind tot stormkracht toenemen. Ramen en deuren klapperden. De wind gierde door het huis. Natte bladeren waaiden naar binnen en begonnen om Otto heen te wervelen. Ook de veren werden door de steeds sneller draaiende wervelwind opgepakt. Even later was Otto helemaal verdwenen in een wilde, draaiende gierende wolk van troep. Otto maakte zich nóg kwader en ontlaadde het in de om hem heen draaiende wolk. Het effect was spektaculair. Er schoten heuse bliksemschichten uit zijn wolk en het begon naar ozon te ruiken in huis.

“Knarf!”, bulderde Otto boven het gegier uit, “sleep dat vieze, stinkende karkas naar buiten of ik rooster je levend!”. Hierop tilde Knarf zijn dikke lelijke kop op en keek Otto met een oprechte blik van respect  aan, in ieder geval met zijn rechter oog. Kennelijk was het het waaihoofd dat daar in de keuken stond te tieren, menens. Toch wilde Knarf wel eens weten hóeveel menens precies. Dus hij stond langzaam op, draaide zich om en plofte weer neer. Zijn grote lelijke kop weer tussen de poten en gewoon verder slapen. Otto werd woest en met een gigantische knal en flits zapte hij gericht naar Knarf. Deze slaakte een kreet waar een krolse puma jaloers op zou zijn geweest. Met zo’n vuile blik van totale minachting die alleen katten kunnen produceren, sjokte Knarf naar het buizerdkarkas en nam het in zijn grote bek. Nonchelant, en schijnbaar zonder moeite liep Knarf met de halve buizerd in zijn bek, tegen Otto’s razende storm in, naar buiten. 

Otto liet de woedende wervelwind nog eens goed door zijn huis razen. Het pikte al het vuil, maar ook rondslingerende sokken en een stapel oude kranten op. Otto richtte de wervelwind door de voordeur naar buiten, de nacht in en liet het los. De wind om het huis nam weer af en de vuilwolk viel uiteen. De bladeren en buizerdveren dwarrelden rustig neer. In huis was geen vuiltje meer te bekennen. Otto liet zijn grote handen met een laatste harde klap op elkaar komen, waarop alle ramen en deuren in één klap dichtsloegen. Knarf lag al weer op zijn stoel te ronken en is sindsdien bij Otto blijven wonen. In de vacht op zijn rug liep een nog nasmeulende kale zigzag-lijn waar Otto’s bliksem hem had geraakt. Wat een beest.

Waarover ook al weer?

Op een rustige snelweg, gehypnotiseerd door de flitsende witte strepen en het gonsen van de banden van je auto, komen vaak creatieve ideeën naar boven. Ik droom dan tijdens het rijden een beetje bij. Niet weg natuurlijk, maar bij, bij volledige alertheid. Ik kan het ook niet tegenhouden. Autorijden op een rustige snelweg is heel monotoon, dus dan beginnen allerlei gedachten naar boven te drijven. Aan de oppervlakte kabbelen ze prettig door mijn hoofd. Ineens drijven twee gedachten die elkaar nog nooit hadden gezien naast elkaar en vermengen zich. Er ontstaat een nieuw golfpatroon en dan ineens heb je dus zo’n aha-moment.

Dit moet ik onthouden, denk ik bij mezelf. Daar zit wel een leuke verwoede noot in, denk ik dan ook. Op zo’n moment moet ik eigenlijk de eerste de beste P in rijden en het idee ter plekke neerpennen, maar dat doe ik natuurlijk nooit. Altijd weer stel ik een veel te groot vertrouwen in mijn geheugen. Bijna altijd stel ik mezelf dan later enorm teleur. Het idee is dan al weer hopeloos opgelost in de maalstroom van alle dagelijkse beslommeringen. Hoe suf ik me ook peins, ik kan me alleen nog herinneren dat ik een briljant idee had voor een verhaal. Maar waarover ook al weer?

Boek-ingrediënten: 1 Wereld, 1 Plot, Een handvol Personages, 88 kilometer verhaal en 30 kilo Dialoog

Groot bewondering heb ik voor schrijvers zoals Henning Mankell. Meteen vanaf de eerste zin hang je aan zijn woorden. Stoppen met lezen is onmogelijk, want je móet weten hoe het verder gaat. Vertwijfeld draai je het boek in je handen als je echt de allerlaatste bladzijde hebt verslonden. Hoe kan het boek nou al weer uit zijn? Het smaakt naar veel meer. Razend knap als je je lezer dusdanig weet te pakken.

Mankell schrijft over een wereld waarin hij zelf leeft. Hij hoeft “alleen” een pakkend plot, een contrastrijk pallet van schitterende personages en een verhaal te maken. Dat is op zichzelf al ontzettend moeilijk. Hij creëert geen nieuwe wereld, maar schildert zijn verhalen in de bestaande wereld. Daarvoor legt hij veel meer het accent op de sfeer en geur van de omgevingen. In Mankell’s boeken proef je bijna die omgevingen. Als Kurt Wallander langs het strand loopt, krijg je droge lippen en een zilte smaak in je mond.

In een totaal ander genre, science fiction, schrijft Peter Hamilton. Zijn boeken zijn zelden dunner dan 1000 bladzijden. Neem nou de Commonwealth Saga bijvoorbeeld. In ieder boek van deze saga lopen tientallen verhalen door elkaar in een bizarre, futuristische wereld van vele werelden verspreid over het universum. De verhalen lijken in het begin volledig los van elkaar te staan, maar ze verstrengelen zich meer en meer.

De Commonwealth is een soort intergalactische vereniging van werelden met een gemeenschappelijke regering. De Commonwealth werelden zijn verbonden door kunstmatige “worm holes” en dus kun je gewoon met de trein van de ene naar de andere wereld reizen. Het hele interplanetaire transportnetwerk is in handen van het machtigste bedrijf in het universum. Een waanzinnige, duizelingwekkend complexe wereld, waar Hamilton je volledig in zuigt. En dan ineens is het boek uit, heel gemeen met een volledig open einde. Meer verhaal paste er gewoon niet in het boek, dus ging Hamilton maar verder in een volgende pil. Gelijk doorlezen in die vervolgpil kan ik nooit. Eerst even een jaartje pauze om alles te laten bezinken.

De theorie van het schrijven van dit soort boeken lijkt heel simpel. Je hebt vijf ingrediënten nodig: een wereld, een plot, personages, een verhaal en dialogen. Die wereld moet je schilderen. Het vormt het podium voor je personages. Die personages moeten natuurlijk wel iets beleven dat de lezer boeit. Dat is het centrale plot. Dat kan zoiets zijn als: een megalomane boef heeft hele snode plannen om de hele wereld in zijn macht te krijgen en dreigt daarin te slagen, maar een held die als bescheiden en onzeker personage begint, redt tegen alle verwachting in de wereld. Tussendoor wordt die held verliefd voor de nodige kwetsbaarheid. Een veel gebruikte formule die pas interessant wordt door de personages, de dialogen en het verhaal.

In mijn jeugd begon ik diverse keren vol goeie moed aan een boek. Ik kladde hele schriften vol met de meest waardeloze verhalen, vond ik zelf. Niks heb ik daarvan bewaard. Erg jammer eigenlijk. De wens om ooit een boek te schrijven is er nog steeds. Een jaar of wat geleden begon ik enthousiast aan een kinderboek. Na vier hoofdstukken was ik het al zat. Discipline is cruciaal natuurlijk, maar ook het hebben van een goed idee. Mijn kinderboek heeft nog geen duidelijk plot. Zonder plot heb je niets aan een held, want die had ik wel. Maar ik kan maar niets leuks verzinnen om die held voor in te zetten. Ik heb dus een troefkaart zonder spel.

Sinds kort heb ik een nieuw idee voor een boek. Het zoveelste idee eigenlijk. Ik ben eerst maar eens begonnen met het schrijven van de tekst die je op de achterkant van de kaft zou kunnen zetten. Het is een fantastisch plot in de lijn van die veelgebruikte formule die ik hierboven al beschreef: een briljante boef die naar werelddominantie hunkert en een held van het type antiheld om dat te voorkomen. Nu alleen nog personages verzinnen en een wereldje voor ze om in te leven en te acteren. Doe ik zo even. Eitje. Over 10 jaar is het klaar.

Powered by ScribeFire.

Onno Zeleman laat zich weer eens naaien

Net als hij zit te eten gaat de telefoon. Met gefronste wenkbrouwen loopt Onno naar de telefoon en neemt op. Terwijl hij de hoorn aan zijn oor houdt wacht hij twee ademhalingen en zegt kalm “Met Onno Zeleman”. Aan de andere kant van de lijn begint een vriendelijk klinkende meneer te spreken. Het gesprek verloopt als volgt:

Goedenavond meneer, u spreekt met Mark Eter van de Nederlandse Aktie & Aanbiedingen Integra Maatschappij. Spreek ik met de heer Onno Zeleman?

Onno: daar spreekt u mee inderdaad, waar belt u voor?

Mark: Bel ik gelegen?

Onno: Nou, ik zit nog te eten, maar…

Mark: Uitstekend, dan zou ik u graag een aantal vragen willen stellen.

Onno: Maar…

Mark: Meneer Zeleman – of mag ik Onno zeggen?

Onno: Ik heb liever…

Mark: Mooi, dat praat een stuk makkelijker. Onno, zoals je weet is de Nederlandse Aktie & Aanbiedingen Integra Maatschappij uitgeroepen tot het beste bedrijf op de Nederlandse afzetmarkt. Je bent toch bekend met dit bedrijf?

Onno: Eh.. nee, ik weet niet…

Mark: We bestaan ook nog maar kort. Misschien ken je ons onder de kortere naam De NaaiMij.

Onno: De Naai…Mij…, zegt u? Ja, dat doet geloof ik wel een belletje rinkelen bij me…

Mark: Zie je wel. Het zou ook erg jammer zijn als je ons niet kende, want ik heb een leuke aanbieding voor je.

Onno: O, eh..

Mark: Onno, maak je regelmatig buitenlandse reizen?

Onno: Och, ik zou het wel vaker moeten doen eigenlijk, maar ik ben maar alleen

Mark: Kijk, kijk, dan heb ik echt een zeer interessante aanbieding voor je!

Onno: O ja?

Mark: Jazeker Onno, speciaal voor jou. Ik heb daarvoor nog wel wat gegevens van je nodig.

Onno: eigenlijk zit ik nog te…mijn gehaktballetje wordt koud…kan ik u later…

Mark: Wanneer ben je geboren?

Onno: 12 september 1959, maar…

Mark: Heel goed, en wat is je beroep?

Onno: ik werk bij de gemeente, maar eh…

Mark: Mooi, mooi, nu heb ik nog uw adresgegevens nodig.

Onno: maar wacht even, u hebt me nog niet verteld wat de aanbieding precies is.

Mark: Kijk, een oplettende klant, daar hou ik van. Eh..even kijken…ja..ik mag je onze exclusieve en uitgebreide reisverzekering een heel jaar gratis aanbieden. En dankzij onze zeer exclusieve afspraken met diverse grote reisorganisaties krijg je met die verzekering ook nog eens tot wel 40% korting op bijvoorbeeld hotelkosten en vliegtickets.

Onno: nou, dat klinkt zeker interessant zeg.

Mark: Nu kun je je dromen waarmaken Onno. Het enige dat jij daarvoor hoeft te doen is even je adres, bankrekeningnummer en creditcardnummer aan mij door te geven. Dan zorg ik persoonlijk dat het hele pakket vanavond nog naar je toe wordt gestuurd.

Als Onno heeft neergelegd staat hij vertwijfeld te glimlachen. Hij wrijft vergenoegd in zijn handen en gaat weer aan de eettafel zitten. Zijn gehakballetje is intussen helemaal koud geworden, maar dat geeft eigenlijk niks, want hij heeft vanochtend van die aardige meneer die aan de deur kwam een professionele Combi-magnetron-oven die door alle grote chefkoks wordt aanbevolen gekocht voor maar 1199 euro terwijl ze normaalgesproken wel 2500 euro kosten. Een buitenkansje dus waardoor Onno Zeleman nu zijn gehaktballetje toch lekker warm kan nuttigen.

Powered by ScribeFire.

Polsjapanner

Ooit voor honderd gulden op de kop getikt
Anderhalve rib uit het lijf van een arme student
Een Casio Quartz model doodgewoon
Het sloot een periode vol digitale prutsklokjes af
Eenvoudig en degelijk met een wijzerplaat
En een uurwerkje met een hart dat tikt
Regelmatig, elke seconde secuur doserend
Jaren en jaren tikte het mij voorwaarts

Op en dag brak de metalen polsband
Ach, het werd ook wel tijd voor iets nieuws
Mijn trouwe polsjapanner wurde ersatzt
Durch ein modernes, titanium Uhr
Een mooi geschenk van mijn lief
De Casio ging bij de andere herinnerdingen
In het luxe doosje van zijn vervanger
Tikte het nog lange tijd stug door

Das neues Uhr bleek Duits maar niet degelijk
Een val op een Nederlands perron
Deed het krasvaste kristalglas barsten
Geen horlogemaker zag er nog heil in
Irreparabel kaput, Scheisse.
Een tijd lang bleef mijn pols ontsierd
Niet dat ik tijdloos door het leven ging
De mobiele telefoon weet ook hoe laat het is

Tijdens een verhuizing dook hij ineens op
Mijn ouwe, trouwe polsjapanner
Alleen maar een nieuw bandje nodig
En een nieuwe batterij
Zonder hapering tikte het als vanouds
Weer mijn eigen tijd vooruit
Tijdloos mooi prijkt het nog steeds
Zwaar maar geruststellend aan mijn pols

Maar veraderlijk lonken ze in etalages
Stoere mannensierraden vol tandwielen
Midlife doet schijnbaar veroorloven
Die oude Casio is te min voor mijn ego.
Van weggooien is natuurlijk geen sprake
Ceremonieel schenk ik het later een van mijn zonen
Beleefd neemt hij het dan aan en zegt eerlijk
“Pap, ik weet niet wat ik zeggen moet…”

Powered by ScribeFire.

Spoekie Poes

Het is rond een uur of 2 ’s nachts als er plotseling gestommel klinkt vanaf de zolder. Ineens ben ik klaarwakker. Het geluid kwam van direct boven ons bed. Daar hoor ik het weer! Bonk Rommeldebommeldeboem. Even later kraakt er een trede van de zoldertrap. En dan weer. Het komt naar beneden! Ik besluit om een kijkje te nemen en kruip zachtjes onder de dekens vandaan. Mijn vrouw heeft kennelijk niets gehoord, want ze is nog in diepe slaap. Op mijn tenen sluip ik de slaapkamer uit, de overloop op. Het licht van de maan schijnt door een kleine kier onder het rolgordijn van het raam naar binnen. En dan zie ik in de schaduw iets bewegen. Een donkere gedaante. Een slaapwandelaartje misschien? “Hee”, zeg ik zachtjes, “wat ben jij aan het doen?”.

Plotseling rent de gedaante dwars door me heen. Het voelt als een ijskoude windvlaag die ik tot op het bot voel. Brrrrrr. Ik draai me om om te zien waar het spook heen is gegaan. Ik zie het nu heel duidelijk, maar ook weer niet. Vage contouren van een lijf met armen en benen. Een gezicht zie ik niet. En dan springt de spookachtige gedaante weer op me af. Ik sta aan de grond genageld. Bevroren van angst. Ik wil het uitschreeuwen, maar er komt geen geluid uit mijn keel. Weer die ijzige kou. Eindelijk krijg ik weer controle over mijn stem en ik stoot een angstkreet uit.

Ik schreeuw mezelf gelukkig wakker. Mijn vrouw wordt er ook wakker van en port me in mijn zij. “Ja ja, ik ben al wakker”, mompel ik. Maar dan hoor ik weer gestommel vanaf de zolder. “Heeft die stomme kat zich weer op zolder opgesloten?”, mopper ik. Ik ga maar eens kijken. Geen kat te bekennen op de hele zolder. Maar op de overloop strijkt ze ineens langs mijn benen. Even verstijf ik van schrik. Kippevel. Precies op die plek sprong dat spook uit mijn nachtmerrie ook door me heen. Gelukkig was het maar gewoon onze kleine poekinees die aan het rondspoken was. Spoekie Poes!

Powered by ScribeFire.