Ergernissen

Snot, verbazing en ergernis

Met mijn kleine ventje aan de hand stapte ik in peutertempo naar de ingang van de dorpsdrogist. Een vriendelijke oude grijsaard stond voor de ingang op zijn stok te leunen. De oude man hoestte een piepende en reutelende oudemannenhoest. Vriendelijk glimlachend liet hij mij en mijn peuter, die mij er even op wees dat hij hier altijd een snoepje krijgt, voor. 

Binnen bestelde ik bij de kassa een doosje kinderparacetamolletjes en een flesje kinderneusspray. Dat is hard nodig, want er lopen ettelijke kleine en grote snotneuzen rond bij ons thuis. Pa en ma vliegen de hele dag af en aan met lotiontissues om de geelgroene snottebellen weg te poetsen. Toen ik had afgerekend stelde de drogiste de geijkte domme vraag aan mijn snotterpeuter: lus jij ook een snoepje? Nou en of natuurlijk.

Intussen was het oude heerschap ook binnen komen hobbelen en was nu aan de beurt. “Goedemorgen meneer, kan ik u helpen?”, riep de drogiste luid. Tot mijn dubbele verbazing vroeg de op zijn minst 80-plusser of ze even een pasfoto wilde maken voor de verlenging van zijn rijbewijs. Ten eerste wist ik niet dat de drogist tegenwoordig ook fotograaf was. Waarschijnlijk was dat altijd al zo en wist ik het niet. Wel handig, want ik reed voor pasfoto’s altijd een dorpje verderop. Maar ten tweede verbaasde ik me er hogelijk over dat deze man nog kan autorijden. 

Mobiele bejaarden. Je ziet ze regelmatig rijden. Bedaard kachelend over de binnenwegen. De snelwegen mijden ze gelukkig zoveel mogelijk. Ze nemen hun tijd bij de kruispunten. Ongeduldige drammertjes (zoals ik) laten ze rustig in hun eigen sopjes gaar smoren. Allemaal zinloos gehaast. Ooit waren ze zelf ook jong en onbezonnen. Het gaat vanzelf wel over in berusting. Zij kunnen het weten. Maar ík wil het nog niet weten. Aan de kant opa, want ik wil er met mijn onbezonnen woestenij tóch erg graag voorbij. Ouwe lullen achter het stuur. Levensgevaarlijk. Toch?

Koot en Bie, nu zelf al aardig bejaard, dachten er vroeger in ieder geval net zo over. 

Tot op het bot

Geuren kunnen ineens herinneringen oproepen, maar pijnen blijkbaar ook. Zo werd ik ineens ruim 30 jaar terug in de tijd getrokken naar het moment waarop ik door een auto werd geschept. De klap zelf herinner ik me helemaal niet meer. Wel het moment dat ik ontdekte dat ik op straat lag. Iemand ondersteunde mijn hoofd en zei dat de ambulance zo zou komen. Iemand anders bracht een kussen voor onder mijn hoofd. Mijn been tintelde en kriebelde. Ik voelde er even aan en ontdekte een glibberige uitstulping halverwege mijn linker scheenbeen.

De dag ervoor had ik mijn verkeersdiploma gehaald op school. Daarom mocht ik helemaal alleen naar het zwembad fietsen. Trots was ik daar naartoe onderweg toen ik in tegenovergestelde richting ineens een vriendje zag fietsen. Hij zwaaide al van verre. Of ik ook naar het zwembad ging. Hij moest eerst zijn zwemspullen nog halen. Ik riep dat ik wel even mee wilde fietsen. Dat was goed. Ik gooide zonder om te kijken mijn stuur om. Het bejaarde echtpaar dat mij schepte is zich bijna doodgeschrokken. 

Mijn linker onderbeen was finaal doormidden. Het was een lelijke breuk dat met een metalen plaat gezet moest worden. Zestien dagen lag ik in het ziekenhuis. Na de eerste operatie hielden ze mijn been open voor observatie. Iedere dag moest de wond worden schoongemaakt. Vastgeplakte stukken watten en verband met gedroogd bloed moesten worden losgepeuterd. Dat deed iedere keer gemeen zeer. Ik heb het uitgeschreeuwd en mijn moeders hand blauw geknepen. Toen de artsen tevreden waren over het herstel mocht mijn been weer worden dichtgenaaid. In al die tijd dat mijn been open lag, hadden de huid en al het spierweefsel zich teruggetrokken.

Tijdens de tweede opratie moeten de chirurgen met grof geweld mijn spieren en vel weer om mijn kleine beentje gespannen hebben. Ik stel me voor dat ze eerst de hechtingsdraden hebben aangebracht en daarna mijn been als een strakke laars weer dichtsnoerden. Het voelde voor mij, toen ik uit de narcose kwam, alsof ze het hadden gedicht met een nietpistool. De huid zat zo strak dat ik al door de grond ging als je er te hard naar keek. Ik kreeg een kooi over mijn been, want het gewicht van de lakens van het ziekenhuisbed kon ik niet verdragen.

Het heeft me ongeveer een jaar gekost om weer helemaal te revalideren. Mijn linker scheenbeen heeft nog steeds een lelijk litteken over bijna de hele lengte. De breuklijn op het bot kan ik nog steeds exact aanwijzen. Dat gebied is altijd hypergevoelig gebleven. Ik kan er grote drukveranderingen in de atmosfeer mee voelen. Als je heel zacht met je vinger over het litteken aait voelt dat voor mij alsof je met je nagel over mijn scheenbot schraapt. Al bij het idee griezel ik. Ik vloek de hele wereld bij elkaar als ik even heel licht tegen bijvoorbeeld een tafelrand stoot met dat scheenbeen. Laat nu net dat stukje van mijn lijf het plan opgevat te hebben om er na 30 jaar de brui aan te geven en eens lekker geïrriteerd te reageren.

De huisarts denkt aan scheenbeenvliesontsteking (ook bekend als shinsplint). De fysiotherapeut meende dit hypergevoelige gebied op mijn linkerscheenbeen te moeten masseren. Ik werd er letterlijk misselijk van. Ik kon het nauwelijks verdragen. Dat gaat dus niet werken. Dit gaat alleen met voldoende rust genezen, is mij verteld. Lange wandelingen en file-rijden voorkomen. Dit soort kwaaltjes pakken fysiotherapeuten ook vaak aan met intaping. Maar omdat het gebied waarop het moet worden aangebracht zo ontzettend gevoelig is, kreeg ik eerst even een klein stukje opgeplakt. Het zit erop sinds gisteren en ik voel de hele tijd dat het er zit. Tot op het bot. 

Sascha de Boer versus Lange Frans

Wat hebben onze NOS nieuwslezer Sascha de Boer en rapper Lange Frans met elkaar te maken? Op dit moment nog niks, maar als het aan mij ligt gaat Sascha in logopedische therapie bij die lange rapper. Misschien moet hij haar leren rappen in straattaal. Misschien dat ze dan dat afschuwelijke, Gooise erretje kwijtraakt.

De Nederlandse R hoort namelijk fatsoenlijk te rollen, vind ik. Mensen die de R stevig kunnen laten rollen genieten meteen mijn respect, net als mensen met en stevige handdruk. Net zomin als ik hou van een klef en slap handdrukje, hou ik ook niet van een klef en slap uitgerold erretje. Het toppunt is nog wel dat de mensen die die slappe R bezigen de R meestal op twee manieren uitspreken. Een prachtig woord als “rabarber” begint dan met een soort Franse, achterin-de-keel-R en heeft twee slappe erren. Getverrrrr.

Sascha de Boer – die overigens een geheimzinnig glimlachje heeft waar de Mona Lisa een puntje aan kan zuigen – beheerst de moderne, slappe R als geen ander. Alhoewel, “beheersing” is hier een slechte keuze. Het is eerder een gebrek aan beheersing. Slap gedoe is het gewoon. Ik erger me al sinds Kinderen-voor-Kinderen aan de slappe R en had eigenlijk alle hoop op verbetering opgegeven. Mijn eigen kinderen slap-erren vreselijk mee en ik corrigeer ze nauwelijks nog. Zelf hou ik wel moedig stand en blijf daadkrachtig rollen (en ik geef een stevige vijf).

En dan komt er ineens hoop uit een onverwachte hoek: de Nederlandse rapmuziek. Ik ben geen uitgesproken fan van de Nederlandse rapmuziek, maar hun erren zijn echt fenomenaal. En je hoort de jeugd deze nieuwe strakke erren overnemen. Daarom stel ik voor dat Sascha leert rappen. Of zullen we gewoon Lange Frans nieuwslezer maken? Ik zou het heel verrrrfgissont vinden.

Post content

De blogger klapte zijn laptop open waardoor het ding met een schor piepje ontwaakte uit zijn sluimertoestand. Even later toonde het de blogger zijn meest gebruikte programma: een webbrowser dat hij had uitgedost met allerlei snufjes, waaronder een blogverwerker dat nog open stond. Het toonde een nog maagdelijke blogpost. Lege titel en ook het vlak onder “post content” was nog leeg.  

Lange tijd staarde hij eerst naar het nog lege, witte vlak. Zijn vingers beroerden zachtjes het toetsbord, alsof hij het voor het eerst in zijn leven aanraakte. De toetsen beantwoordden zijn streling met een zacht maar bemoedigend geratel. Hij drukte voorzichtig de shift-toets in, alsof hij bang was dat hij aan de andere kant van het web een orkaan zou veroorzaken. Weer staarde hij naar het nog immer blanke vlak. “Post content”, dacht de blogger verdwaasd.

Het lege vlak leek groter te worden deste langer hij ernaar staarde. Daarom klapte hij zijn laptop geirriteerd, met een klap dicht. Zuchtend gooide de blogger zijn laptop in de hoek van de bank en stond op om een kop koffie te tappen. Hij trok de pot met koffiepads open en keek er in. Er zat nog precies 1 pad in. De blogger stak zijn neus even in het blik en haalde het er vol afgrijzen weer uit. De pad rook naar een vochtige, bruine, papieren zak. Desondanks legde hij het toch in de senseo en liep even later met een kop heet slootwater terug naar de bank.

De blogger nam een slokje slootwater en probeerde smakkend de smaak van koffie te zoeken in zijn mond, maar hij had net zo goed een slok afwaswater kunnen nemen. Hij pakte zijn laptop maar weer en klapte het weer open. “Post content”, dacht de blogger weer, “post content…”. Die twee woorden bleven hem maar bezig houden. Hij typte het daarom maar eens in het titelvak. In het grote vak eronder schreef hij om te beginnen maar eens:

Wees een vent en schrijf dan in godsnaam maar iets over post content!!!! 

Vaak moest hij namelijk gewoon beginnen met schrijven. Het maakt niet uit wat. Gewoon beginnen en zien wat er uit zijn vingers zou komen. Wat er nu stond was natuurlijk wanstaltig, maar hij liet het toch staan. Om zichzelf uit te dagen. Hij zette de dialoog met zichzelf maar eens op scherp: “Wat een waardeloze eerste zin! En dan die belachelijke uitroeptekens! Kun je echt niet beter vandaag!?”. Als antwoord kreeg hij alleen wat gestamel en een geërgerde zucht. 

Nijdig zette de blogger, om zichzelf te ergeren, er nog 80 uitroeptekens bij en wenste toen dat hij de tekst ouderwets en woest uit de laptop kon trekken om het te kunnen verfrommelen en in een hoek te smijten. In plaats daarvan tilde hij zijn arm op en liet zijn vinger zwaar op de backspace landen. Letter voor letter vermoordde hij dit afstotelijke kind. Een belangrijke vaardigheid voor een schrijver: je aan je eigen hoofd ontsproten creaties kunnen ombrengen. Tevreden keek hij naar het resultaat: een leeg vlak. “Wis content”, dacht hij nu triomfantelijk. 

“Post content”, stond er nog steeds in de titel. “Ach!”, dacht de blogger ineens, en sloeg zich zo hard tegen zijn hoofd dat het gonsde. “Wat een bak!”, riep hij toen uit, “maar dáár zit wel een geinig stukje in!”. En toen schreef hij het hele voorval in één ruk van zich af, om er maar vanaf te zijn. Toen hij klaar was las de blogger zijn woorden nog eens door. Niet bepaald de sterren van de hemel geschreven, maar dit kind wilde hij wel een kansje geven, dus hij postte het zonder aarzeling naar zijn blog. “Post content!”, sprak de blogger tevreden en sloeg zich lachend op zijn knie.

Rot op met je huisaanhuisvuil!

Op onze brievenbus prijkt de welbekende ja-nee-sticker. Dat is JA voor huis-aan-huisbladen en NEE voor ongeadresseerde reklame. Al wekenlang dumpt er iemand, ondanks de overduidelijke, niet mis te verstane hint op de brievenbus, tóch ongeadresseerde troep in onze brievenbus. Al weken was ik van plan om de brievenbus helemaal vol te stikkeren met ja-nees, zodat het duidelijk is voor die halvegare idioot die zonodig zijn huisaanhuisvuil in onze brievenbus moet storten.

En heel toevallig betrapte ik vandaag onze huisaanhuisvuildumper op heterdaad. Hij kwam de oprit opgefietst toen ik net uit de auto stapte. Hij groette me vriendelijk en overhandigde mij een dikke stapel reklame. Ik zag nergens een adres op het pakket, noch mijn naam. Het betrof dus heel duidelijk ongeadresseerd reklamedrukwerk. Daarom gaf ik het hem meteen weer terug. “Neem die troep alsjeblieft weer mee”, zei ik bot. De TNT-er keek me onnozel aan en durfde te vragen waarom ik dat wilde. Ik pakte hem bij zijn oranje TNT-kraag en rammelde hem eens wat heen en weer. Ik kon het zaagsel in zijn kop horen ritselen.

Okee, dat rammelen deed ik in mijn gedachten. Hoezeer mijn handen ook jeukten, ik stelde mij beschaafd op en vroeg hem of hij wist wat die ja-nee-sticker op mijn brievenbus betekende. “Ja, die nee is voor reklame, maar dít is dus geen reklame, dít zijn huisaanhuisbladen hoor meneer”, zei de huisaanhuisvuilbezorger en bij iedere “dít” wees hij pedant op het stapeltje reklame dat hij nog in zijn hand hield. Ik dacht dat ik het in Keulen hoorde donderden. “Kom nou toch op man!”, riep ik uit, “een huis-aan-huisblad is zo’n gratis lokaal krantje!”. Dat ze daar stiekem ook allerlei reklame bij steken vind ik al heel bedenkelijk, maar recht in mijn gezicht durven beweren dat reklame onder de categorie huis-aan-huisbladen valt vind ik ronduit bespottelijk.

“Meneer, het is het toch zo”, hield de TNT-er vol. “Dus als ik geen rotzooi meer in mijn brievenbus wil, moet ik er een nee-nee-sticker op plakken?”, vroeg ik verontwaardigd. “Ritselritselritsel”, de TNT-er knikte enthousiast met zijn zaagselhoofd. “Maar dan krijg ik dus ook geen huis-aan-huisbladen meer, terwijl ik die juist wél wil krijgen”, zeg ik verbouwereerd. “Ritselritselritselritsel!”, schudt de TNT-er, “precies, als u er een nee-nee-sticker op plakt krijgt u helemaal niks meer!”. Hij duwt me de stapel reklame weer in mijn handen en zegt: “alstublieft meneer!”.

Ik kijk hem aan om te zien of er achter die ontzettend onnozele blik echt niemand thuis is. Mijn ogen schieten blijkbaar vuur want de TNT-er deinst achteruit, springt op zijn fiets en gaat er vandoor. Ik wil de brievenbus uit de grond rukken en achter die TNT-sukkel aanrennen om hem ermee om zijn oren slaan, maar in plaats daarvan draaide ik me om en mompel: “wat een onzin, rot toch op”.

Binnen kwakte ik de stapel rotzooi meteen bij het oud papier.  Ik troost me maar  met de gedachte dat dit huisaanhuisvuil tenminste nog geld op gaat brengen voor de school van mijn kinderen. TNT is, zonder dat ze zich ervan bewust zijn, een hele belangrijke sponsor van de school.