Ooit vertelde iemand me dat het slim kan zijn om de ander het gevoel te geven dat hij/zij slimmer is dan jij. De persoon in kwestie zei dit tegen me nadat ik hem een te perfect plaatje had laten zien. Hij kon er helemaal niets op aanmerken, vond hij, en dat maakte dat hij zich slecht met “mijn” plaatje kon identificeren. Het was nu teveel een “ik geloof het wel”-plaatje voor hem. Zijn advies was daarom om de volgende keer bewust een “fietsenhok op zolder” in de plaat op te nemen. Hij wist best dat ik veel beter mooie, technische overzichten kon maken als hijzelf, maar hij wilde het gevoel hebben dat hij nog iets kon verbeteren. En dat gold niet alleen voor hem, zo zei hij, maar waarschijnlijk ook voor veel andere managers. Managers hoeven inderdaad niet gehinderd te zijn door enige kennis, dat weet iedereen. Het is dus een goed advies. Dat fietsenhok op zolder is misschien wel vergelijkbaar met het weeffoutje dat altijd in Perzische tapijten moet zitten. Perfectie is alleen weggelegd voor goden. Als nederige adviseur moet je dus af en toe braaf de toorn van de opperwezens boven je verdragen. Zij hebben gelijk, ook al ben jij slimmer.
Cynisme
Resonantie
Het overkomt me de laatste tijd vaak dat ik me ineens heel erg verbonden voel met muziek waar ik naar luister. Die muziek ken ik meestal al jaren, maar plotseling raakt de tekst me. Plotseling begrijp ik helemaal waar het liedje over gaat, en kan ik me helemaal invoelen in de tekst. Het is denk ik zelfs omgekeerd: de teksten van de liedjes passen ineens heel goed bij hoe ik me voel.
Een paar voorbeelden:
I see the sun rising
And all you see is its fall, fall, fall
(“See the sun”, The Kooks)
Now there’s no point in placing the blame
And you should know I suffer the same
If I lose you
My heart will be broken
(“Frozen”, Madonna)
Your six blade knife can do anything for you
Anything you want it to
One blade for breaking my heart
One blade for tearing me apart
Your six blade knife-do anything for you
(“Six Blade Knife”, Dire Straits)
Ja, allemaal heel zielig voor mij. Ik heb het vast heel zwaar. Valt ook wel weer mee. De teksten hierboven resoneren nu gewoon lekker bij me. Raken precies de juiste snaren. Ze geven me de steun, de troost of het gelijk waar ik blijkbaar behoefte aan heb. Herken je dit? Bij welke teksten gaan jouw snaren trillen?
Life saving
Het user interface van het leven heeft geen undo-knop. Voor zover ik weet tenminste. Zou het niet handig zijn als je even de vorige versie van je leven kan herstellen na het maken van een leeffoutje? Soms zou ik willen dat ik opnieuw kon beginnen vanaf een punt waarop ik mijn leven had opgeslagen. Een backup-functie van je leven tot dusver. Oeps, ik rij tegen een boom. Morsdood. Het Life Operating System maakt een core dump van jouw bewustzijn en je komt terecht in de “Dialog of Death” (de blue screen of life…). Ik zie dit voor me als een hal met een aantal deuren. Een blauwe hal uiteraard. Op de muur staat een boodschap: “U bent helaas overleden. Wilt u uw opgeslagen leven hervatten? Stap dan door deur A (op die deur staat de datum van je laatste life backup). Wilt u uw dood definitief maken? Stap dan door deur B”.
Jezelf tegen een boom te pletter rijden is wel een zeer dom leeffoutje natuurlijk, maar als je weet dat je terug kunt naar een opgeslagen versie van je leven, dan kun je je alle roekeloosheid veroorloven. Ik had het hierboven over “leeffoutje”. Roekeloos rijden vind ik geen “foutje” waarna je een tweede kans zou moeten krijgen. Ik dacht zelf eigenlijk meer aan foutjes die niet per se tot je overlijden leiden. Ik dacht aan foutjes in de spijthoek. Oeps, ik heb de verkeerde studie gekozen. Oops, I voted for Brexit. Oeps, ik vergat de verjaardag van mijn schoonmoeder. Oeps, mijn relatie is op de klippen gelopen. Op zulke momenten druk je dan op die handige undo-knop. Je komt terecht in de “Dialog of Regrets”. Ik zie weer een blauwgekleurde hal met deuren. Op de muur staat een eenvoudige boodschap: “Weet u zeker dat u de vorige versie van uw leven wilt herstellen? Kies dan deur A (wederom met de backup-datum erop). Wilt u leven met de fout die u zojuist heeft gemaakt? Kies dan deur B”.
Betekent dus dat je regelmatig een backup moet maken van je leven. Je moet je er dus van bewust zijn dat je iets in de komende periode zou kunnen gaan doen waar je spijt van zou kunnen krijgen. Voor je aan je aan een studie begint. Voor je gaat stemmen. Voor je met vrienden gaat stappen. Voor je gaat trouwen. Ik zou denk ik elk uur uit voorzorg automatisch een backup maken. Echt iets voor mij. Altijd een oplossing voor stommiteiten. Ach, het is maar goed dat het niet kan. Het zou de waarde van het leven enorm naar beneden trekken. Je zou er onverschillig van worden. Het leven teveel voor lief nemen. Yolo is een holle klank. Life Saving is dus slecht voor het leven. Maar toch, ik zou best een uitzonderingetje willen.
Zelfanalyse
Het overkomt me vaak dat ik ineens door heb dat ik mezelf zit te observeren. Alsof ik mijn eigen patiënt ben. Als een soort onafhankelijke ik, neem ik mijzelf op een vreemde, psychoanalytische manier waar. In mijn hoofd maak ik mentale notities. Zo van:
– drinkt uit gewoonte veel koffie,
– laatste tijd snel emotioneel van slag, compenseert goed vanuit veerkracht,
– denkt aan vroeger, voelt zich weemoedig,
– heeft zelf toch ook rancuneuze gedachten,
– is zich bewust dat hij net te snel oordeelde, en verontschuldigt zich daar voor,
– loopt veerkrachtig, voelt zich nu zelfverzekerd,
– heeft al veel minder het gevoel altijd op zijn hoede te moeten zijn,
– is zich bewust van zijn zelfanalyse en vraagt zich af of dat wel normaal is.
dat wel
Het had eigenlijk de hele vakantie geregend. Het aantal uren dat we de zon zagen konden we op één hand tellen. We weten nu zeker dat de tent waterdicht is, dat wel.
Door de schuifpui te forceren wisten de inbrekers binnen te komen. Ze roofden zowat de halve woonkamer leeg. Het was een ravage. Zelfs het vloerkleed was weg. Waarschijnlijk om de flatscreen TV in mee te nemen, zei de politieagent. Ze sprongen dus voorzichtig met de gestolen spullen om, dat wel.
De bliksem sloeg in de boom in de tuin van de buren en viel daardoor precies op de net opgeleverde nieuwe uitbouw van onze woonkamer. Die boom zou volgende week worden gekapt om meer licht in de tuin te krijgen. Die klus konden we ons dus besparen, dat wel.
Wij Nederlanders kunnen toch altijd weer rekenen op ons ingebouwde cynisme op de momenten dat we wel een lichtpuntje kunnen gebruiken, dat wel.
Het eikelwezen
Een eikel is, naast vrucht van de eik, een niet zo aardig bedoelde bestempeling van een mannelijke persoon. Zelf ben ik ook wel eens uitgemaakt voor eentje. Een ongelooflijke zelfs. Blijkbaar scheen ik me toen ongelooflijk lullig te gedragen. Het eikelwezen is blijkbaar ook alleen weggelegd voor mannen. Vrouwen kunnen zich wel lullig gedragen natuurlijk, maar worden nooit voor eikel uitgemaakt. Tot nog toe heeft de emancipatie hier geen verandering in gebracht. Hoeft van mij ook niet. Wat mij betreft mogen scheldwoorden wel gender-specifiek zijn. Het eikelwezen is dus een mannelijke aangelegenheid. Het eikelwezen is verbonden aan het hebben van een piemel. Het uit de voorhuid gekropen topje daarvan heeft immers een grote gelijkenis met een eikel. Vrouwen hebben geen piemel, dus ook geen eikel (ik vraag me nu ineens wel af of het zuurpruimwezen alleen een vrouwelijke aangelegenheid is). Maar wat doen we qua eikelwezen met transseksuelen? Tot vrouw getransformeerde mannen die hun eikel nog hebben, zou je technisch gesproken nog voor eikel mogen uitmaken. En tot man getransformeerde vrouwen zonder piemel technisch gesproken dus niet. Je baseert je keuze om de zich ongelooflijk lullig gedragende persoon voor eikel uit te schelden eigenlijk puur op het uiterlijk. Weet jij veel of er sprake is van een pruim of een eikel? Je kan het toch moeilijk eerst voor de zekerheid gaan controleren. Misschien eerst een knietje in het kruis geven en dan pas gaan schelden? Wat een gedoe. Toch lastiger dan ik dacht, dat eikelwezen.
Blijkbaar schijn ik
Als iemand een zin met “blijkbaar” of “klaarblijkelijk” begint, schuilt achter die zin een oordeel. Zo voel ik het in ieder geval. Blijkbaar ben ik daar extra gevoelig voor. Klaarblijkelijk is dit het lot van taalpietlutten zoals ik. Met “blijk” en “schijn” kan iemand mijn gevoelige snaren bespelen. Dat is mijn juk. “Blijkbaar schijn jij te denken dat…”. Afhankelijk van mijn gemoedstoestand filter ik alles wat na “jij” komt eruit. Want daarop volgt een prikkelend oordeel. Ik hoor dan dus alleen nog dat ik blijkbaar schijn. Dat heb ik schijnbaar nodig.
Parfumhinder
Op het moment dat ik dit schrijf zit ik in iemands parfumwolk. Een zoete, zware after shave, zo te ruiken. Het bezorgt me koppijn. Kloppende slapen. En mijn smaakpapillen worden door mijn bedwelmde hersenen niet meer begrepen. Mijn koffie smaakt niet naar koffie, maar ik drink het toch maar op.
Ik voel het parfum om me heen hangen. Het is een ware invasie. Een geurinvasie die diep in mijn wezen door dringt. De zoete, bedwelmde wolk die nu om me heen hangt, maakt dat ik me slecht kan concentreren. Zenuwgas is er niks bij. En ik zit helemaal aan de andere kant van de kantoorvleugel. Alles in me roept om alle ramen open te zetten, maar een sociale remming houdt me tegen. Eigenlijk zou ik de drager van het parfum erop moeten aanspreken dat de zwaarte van zijn parfum voor mij zeer hinderlijk is, maar mijn geïrriteerde hoofd kan even geen tact opbrengen.
Er zou een wettelijke grens voor geurhinder moeten zijn. Net als bij geluid. Geur kun je uitdrukken in geureenheden. In Europa gebruiken we de OUE (Odor Unit Europe). Eén OUE/m3 is – als ik het goed begrijp – de hoeveelheid geurstoffen in een wolkje van één kubieke meter die in een gecontroleerde omgeving dezelfde psychologische reactie veroorzaakt bij mensen als bij de blootstelling aan dezelfde concentratie van een standaard referentiegeur. Dat is allemaal dus al bedacht. Mooi.
Dus parfumhinder is al meetbaar. Nu wil ik een gadget. Een slim apparaatje dat mij beschermt tegen geurinvasies. Een minuscuul apparaatje dat ik onzichtbaar in mijn neus kan dragen. Voor geluid heb je tegenwoordig geavanceerde “noice cancelling” met antigeluid. Dat wil ik ook voor geur: antigeur. Mijn gadget meet de hoeveelheden OUE/m3 en heeft dus ook geavanceerde “odour cancelling”. Met een appje op mijn telefoon kan ik het dingetje instellen zodat ik nog wel van de geur van mijn koffie kan genieten. Willie Wortel, aan de slag!
Maar alles goed en wel. Zo’n apparaatje bestaat nog niet. Mijn geprikkelde hoofd wil eigenlijk dat overmatig parfumgebruik als overlast wordt erkend. Rokers zijn al te schande gemaakt vanwege hun effect op de volksgezondheid, nu de chemische luchtverontreinigers nog met hun asociale parfums. Kantoorgebouwen en openbare gebouwen zouden mensen die de wettelijke geurlimiet overschrijden bij de ingang moeten tegenhouden, en via een speciale tunnel waarin ze worden bespoten met een parfum-neutraliserend gas, naar binnen leiden. Cynisme in overdrive natuurlijk. Van nature ben ik cynisch, maar het is vertienvoudigd door die zware after shave. Ik ga maar eens een frisse neus halen.
Van harte gedigitaliseerd
Onderweg in de auto vroeg ik me ineens af of er wel een tegenovergestelde is van digitalisering. De tegenhanger van digitaal is analoog. Iets analoogs kun je digitaliseren, maar iets digitaals kun je niet analogiseren. Dat werkwoord bestaat niet. Maar we doen het wel voortdurend. Soort van. Van digitale opnamen van muziek maken we met z’n allen dagelijks massaal analoge geluidsgolfjes die toch echt als muziek in onze oren klinken. Het heet dan digitaal-analoog-conversie.
Misschien is het ook wel logisch dat het werkwoord “analogiseren” niet bestaat, want het kan niet, hooguit bij benadering. Het staat ook niet in de Van Dale. De digitale versie van iets analoogs is per definitie in kwaliteit verlaagd. Digitaliseren gaat altijd gepaard met kwaliteitsverlies. Altijd. De digitale versie is altijd een minderwaardige kopie van het origineel. De conversie “terug” naar een analoge versie levert iets op dat niet meer 100% hetzelfde is als het origineel.
Gelukkig zijn onze zintuigen ook helemaal niet in staat om het origineel 100% waar te nemen. Onze oren horen maar binnen een begrensd frequentiebereik. Onze ogen kunnen maar een beperkte hoeveelheid kleuren onderscheiden. Een doorsnee computer gebruikt de waarde 0 voor de kleur (absoluut) zwart. De meesten van ons zullen 1 nog even zwart vinden. Een tekst in de digitale kleur 1 op een achtergrond in de digitale kleur 0 (absoluut zwart) kunnen wij niet lezen. De kleur 25 op zwart is nog steeds onleesbaar. Zie het plaatje hieronder.

Op het beeldscherm van mijn laptop zie ik het verschil tussen zwart en zwart+25 dus niet. Er zijn dus meerdere digitale versies van wat ik als zwart waarneem. Mijn punt is dat we graag genoegen nemen met de inferieure kwaliteit van “geanalogiseerde” digitale informatie ten opzichte van het origineel. We zien en horen het verschil toch niet, of in ieder geval niet genoeg om er niet van te kunnen genieten. De audiofielen van deze wereld zullen het niet met me eens zijn, en misschien hebben ze best gelijk, maar daar gaat het me niet om.
Waar het me om gaat is dat ik vanmiddag ineens moest nadenken over het werkwoord “digitaliseren”. Dat overkomt me regelmatig. Een woord dat voorheen heel vertrouwd was, voelt dan plotseling heel vreemd. Alsof ik het voor het eerst echt zie. Ik had ineens moeite met “digitaliseren”. En ik hou me er beroepsmatig dagelijks mee bezig. Als infoloog streef ik naar de volledige digitalisering van de wereld, want dat moet. Zo ben ik geprogrammeerd. Maar door mijn plotselinge vertwijfeling om “digitaliseren” vroeg ik me dus ook meteen af waar ik in hemelsnaam mee bezig ben. In plaats van de originele, analoge wereld te redden, werk ik naar hartenlust mee aan een minderwaardige kopie ervan. De hele wereld wordt van harte gedigitaliseerd! Maar ach, jullie zien het verschil toch niet.
De Wereldverbeteraar
Hij ziet het allemaal met argusogen aan. De wereldverbeteraar. Hij doet zijn best, maar op de achtergrond. Hij is een onzichtbare held. Op geitenwollen fairtrade sokken. Met kleine daden zorgt hij dat de wereld zich weer een beetje beter voelt. Al was het maar voor zijn eigen gemoedsrust. De wereldverbeteraar ligt namelijk voor ons allemaal wakker. Van alle problemen. Van alle ellende. En hij weet best dat hij de hele wereld niet in zijn eentje kan verbeteren. En hij weet ook best dat hij niet in zijn eentje verantwoordelijk is voor onze puinhopen. Maar hij ligt er wakker van. Hij kan er niets aan doen. De wereld is hem te lief. Hij is weerloos voor haar schoonheid. Haar leed kan hij niet verkroppen. Dus doet hij wat hij kan. Het is misschien niet veel, maar hij voelt zich er goed bij. De wereldverbeteraar offert zich met liefde op voor de bomen, de bijen, de neushoorns, de zeeschildpadden, de koraalriffen, de oerwouden en het hele klimaat. En natuurlijk voor de de cacaoboeren, bananentelers en katoenkwekers die allemaal niet krijgen wat ze verdienen. Het zet geen zoden aan de dijk, maar hij moet het doen. Ook al weet hij soms niet zeker of het echt goed is wat hij doet. Helpt het om minder rundvlees te eten? Helpt het om in principe alleen regionaal geteelde fruit en groenten van het seizoen te eten? Helpt het om bij voorkeur fair trade producten te consumeren? Helpt het om plastic afval te scheiden? Helpt het om te geven aan al die collectanten? Hij weet het allemaal niet, maar hij doet alles maar. Onverzettelijk. Hij doet verwoede pogingen. Vanuit een verbeten overtuiging. Die betere wereld begint bij hem, daar is hij heilig van overtuigd.