Voor altijd

We hadden het hele eind naar het grote veld in het park gehold. Mijn boezemvriend met de afgetrapte, leren voetbal onder zijn arm. Het was voorjaar. Alles geurde er naar. Vanuit de blauwe hemel lachtte de zon puur geluk naar ons toe. Twee jonge honden die barstten van de levensenergie. Als dollen renden we achter elkaar aan. Probeerden de bal van elkaar af te pakken. We hadden geen remmen, want wat heb je daar nou aan op die leeftijd?

Hijgend ploften we languit op onze rug neer op het verende mos- en grastapijt onder “onze” boom en staarden omhoog naar de lentegroene pracht boven ons. We zwegen in koor. Alles om ons heen gonsde van leven. Als je je blik in de verte hield vermengden de kleuren van de jonge bladeren zich met het blauw van de lucht. Het voelde alsof we konden opstijgen. Licht in ons hoofd van al dit pure geluk. “Weet je?”, vroeg mijn boezemvriend. “Ja”, zei ik, “we blijven hier voor altijd liggen”. 

De beledigde barbier

Omdat mijn kapsel eigenlijk al ruim over datum was, ging ik maar weer eens naar de kapper. In het dorp zitten drie kapsalons, allemaal met uitzicht op de brink. Ik vermoed zelfs lokale kartelvorming, maar ik vind het hartstikke okee. Loyaal als ik ben, ga ik altijd naar dezelfde. Daar wordt ik altijd warm onthaald, met koffie en een praatje.

Ik ben altijd een paar minuutjes te vroeg, zodat ik nog even de krant (Telegraaf, maar ach)  kan lezen bij mijn kop koffie. En zodat ik alvast even kan voor-ouwehoeren met de kapper die nog druk aan het knipperdeknipperen is met een klant. Heerlijk. Ik kom er echt graag, hoewel ik mijn bezoek altijd eindelooos uitstel. Dit kan ik doen vanwege mijn platte haarzakjes. Daardoor krullen mijn haren fanatiek terug omhoog. Dus het duurt even voor ik door krijg dat mijn pony eigenlijk al tot voorbij mijn mond kan worden getrokken. De kapper klaagt er nooit over en snoeit mijn haardos weer professioneel tot blitse properties.

En toch heb ik mijn barbier beledigd. We hadden het over blauwe randen en parkeerschijven. Die dingen moet je tegenwoordig bijna in het heule dorp gebruiken. En als je het niet doet hangt er een malse boete boven je hoofd: 85 euro. “Daar kan je een aantal keren van naar de kapper” , flapte ik er dom uit. Mijn barbier werd – achteraf terecht – kribbig en vond dat ik dan maar de komende weken iedere week moest langskomen. “eh, ja, da’s best”, zei ik zonder het te menen. Er viel een pijnlijke stilte. Alleen zijn schaar knipperdeknipperde nog. Gelukkig kwam de volgende klant toen binnen die hij van koffie moest voorzien. Daarna ouwehoerde die klant ook alvast voor en kon ik weer gezellig meehumhummen.

Nu moet ik steeds als ik in het dorp de auto in een blauwe zone parkeer aan mijn gepiekeerde kapper denken. Even overweeg ik om de schijf niet te gebruiken, zodat ik de eventuele boete (en de bon bewaar ik dan) de volgende keer als ik weer met een idioot verwilderd kapsel in zijn stoel zit kan gebruiken als excuus. Ja, zo’n krent ben ik.

Wenkende perspectieven

Om redenen die ik niet helemaal begrijp hoor ik in mijn werkomgeving de laatste tijd vaak dat we van een wenkend perspectief willen uitgaan. Ik ben blijkbaar visueel ingesteld, want ik zie bij “wenkend perspectief” een soort paradijs voor me, een ideaal beeld, maar heel in de verte. Het pad ernaartoe gaat door wouden en dalen vol onbekende obstakels. Een heel eind van mijn gezichtspunt verwijderd staat op dat pad, bovenop een heuvel, een persoon die mij bemoedigend gebaart hem (of haar, dat kan ik niet zien) te volgen.

Ik vermoed de betekenis van streefbeeld. Een wenkend perspectief is dan een ideaalbeeld waar wij ons naartoe getrokken zouden moeten voelen. Wenkende perspectieven liggen in de verte, dus ze zijn niet voor iedereen even scherp zichtbaar. Het is voor velen een stip op de horizon. Wenkende perspectieven worden geschetst door visionairen. Dat doen zij met veel overtuiging, zodat leiders op basis van de hen voorgeschotelde visie besluiten om hele legioenen te mobiliseren en te verplaatsen in de richting van de stip. Een visionair kijkt alleen maar in de verte, dus die ziet de voorgrond dan weer onscherp. Op de tocht naar de stip loopt hij voorop en wijst in de richting van het wenkende perspectief. Over de manieren om er te komen spreekt hij breeduit, zonder concreet te zeggen hoe precies. Dat laat hij over aan het inzicht van zijn volgers. De visionair neemt alleen de twijfel weg of de richting juist is.

In de verte zie ik de toekomst. Achter mij zie ik mensen die mij verwachtingsvol aankijken. Ik tuur weer in de verte en zie warempel iemand wuiven, maar als ik met mijn ogen knipper is hij weg. Of nee, nu staat hij een heuveltje verderop. Ik wijs in de richting van het heuveltje en kijk weer achterom. Niemand beweegt, maar uit de groep komt een leider naar voren. Ik wijs hem de paden die ons mogelijk dichterbij ons doel kunnen brengen. Ik wijs hem op de door mij ingeschatte risico’s bij ieder pad. Dan kiest de leider resoluut de snelste en de goedkoopste van de paden die ik adviseerde. Ach, zolang we het wenkende perspectief maar niet uit het oog verliezen, vind ik het goed.

Het kaartenhuis

Ons kaartenhuis schudt op haar grondvesten
terwijl de koude wind erom heen giert,
trekkend aan de zwakste kaartjes.
Ze beven en steunen, klagen en kreunen.
Het kaartenhuis staat bijna op instorten.
Maar ach, als het onvermijdelijke dan gebeurt,
vegen we de kaarten allemaal bijelkaar,
wrijven ze weer warm tot ze blozen.
Dan bouwen we het kaartenhuis weer liefdevol op,
geroutineerd, kaartje voor kaartje,
zodat het de maatschappij weer even kan dragen.

Electranozel

Stel je hebt een (electrotechnisch) installatiebedrijf. En stel dat je klanten voornamelijk bestaan uit onnozele halzen. In dat geval verkeer je in de ongekende luxe om belachelijke tarieven te hanteren.

Zo wilde ik (onnozele hals op het gebied van electra) een extra groep laten plaatsen in de meterkast. Een lokale installateur durfde daar maar liefst 180 euro voor te rekenen, waarvan 75 euro aan materiaalkosten. Voor één enkele groep. En die 180 euro was exclusief het aanleggen van eventuele nieuwe leidingen.

Ik vond dit een dermate afschrikkend bedrag dat ik eens ben gaan rondneuzen op het internet en rondvragen binnen mijn kringetjes. Is het plaatsen van een nieuwe groep dan zo specialistisch dat daar zulke belachelijk hoge kosten tegenover mogen staan? En welk materiaal wordt dan gebruikt? In mijn geval ging het over het bijplaatsen van een aardlek-automaatje (een Alamat, in vaktaal). Nieuw zou zo’n automaatje tussen de 20 en 50 euro kosten, afhankelijk van het merk en type van je groepenkast. Veel installateurs hanteren dus standaard 75 euro voor die “materiaalkosten”.

Uiteindelijk heb ik op Marktplaats twee gebruikte alamatjes van exact hetzelfde merk en type als ik al in de meterkast heb zitten gekocht voor 30 euro. En het kostte me een klein kwartiertje om één zo’n alamat in de groepenkast te klikken en aan te sluiten. Zo heb ik dus “even” 150 euro bespaard.

Ik durfde dit aan omdat mijn onnozele boeren-logica mij twee dingen voorhield: ten eerste zijn mijn huidige alamats in 2005 geplaatst, en ten tweede mag je verwachten dat zo’n alamat 30 jaar of langer mee gaat. Kortom: het aanschaffen van een gebruikte alamat van hetzelfde type kon ik me geen buil aan vallen. En deste groter was mijn euforie toen ze inderdaad relatief eenvoudig én veilig zelf te monteren bleken en dat het huis niet in brand vloog.

Uiteraard verwacht ik nu dat heel electrotechnisch Nederland mij – de onnozele hals – nu de les gaat lezen over veiligheid, normen en garanties en zo die hun exorbitante tarieven rechtvaardigen. Kom maar op! Lees me de les maar. Ik wordt er hooguit meer electranozel van.

Otto rekent af met een telemarketeer

Terwijl Otto de Magiër zijn zelf gegrilde spare ribs zit af te kluiven, klinkt ineens het snerpende gepiep van het mobieltje dat hij vandaag in een opwelling heeft aangeschaft. Verbaasd en geërgerd neemt hij op (mond nog vol):

-jezuswiebelternoutijdensheteten…. Ja met Otto

– Een bijzonder goedenavond meneer…eh….

– Otto

– Ah, juist, meneer Otto. Zoals ik al zei, een bijzonder goedenavond! Mag ik een paar minuten van uw tijd meneer Otto?

– Ik zit nog te ete…

– Eet smakelijk meneer Otto! Het spijt me dat ik u in uw ongetwijfeld heerlijke maaltijd moet storen, maar ik heb geweldig nieuws voor u! Als u een paar minuten heeft voor het beantwoorden van een aantal vragen maakt u kans op een geheel verzorgde…blablabladieblabla…

Otto legt de telefoon op tafel en breekt nog een lekker stuk sparerib af. Een paar minuten later pakt hij het telefoontje weer op. De telemarketeer zit nog steeds te leuteren. Otto onderbreekt hem smakkend:

– Nog steeds niet uitgeleuterd?

– Eh…wat?

– Of je al klaar bent!

– Ik was nog midden in…wacht es even, heeft u wel geluisterd meneer Otto? Wij hebben echt een geweldige aanbieding voor u. En het is eenmalig!

– Ja dat zal wel. Hou maar op, want ik heb er een bloedhekel aan als ik word gestoord tijdens het eten. Hoe kom je eigenlijk aan dit nummer?

– Eh…volgens mijn computer heeft u onlangs…. 

fwoep! Otto verschijnt op magische wijze (hoe hij dat doet weet alleen Otto en het heeft te maken met ongelooflijk stinkende mazzel, maar dan extreem geconcentreerd) in een call center, vlak achter de stoel van een kereltje dat achter een computerbeeldscherm zit met een headset op zijn gladde, kale kop geklemd. Het kereltje hangt onderuit in zijn bureaustoel en is midden in een zin:

– …een mobiele telefoon aangeschaft, klopt dat?

JAZEKERRRRR! 

Het kale kletsertje schrikt zo hard dat hij het bekertje koffie dat hij in zijn hand heeft in de lucht gooit. Otto maakt een snelle handbeweging. Het bekertje en de plens hete koffie die er uit vliegt, blijft vlak voor het tegen het plafond komt, zweven, kalmpjes roterend. 

– Oei, dat is hete koffie die je daar omhoog gooit. Stel toch dat je die op je domme kale kop krijgt. 

Het kale kereltje is verstijfd van schrikt en kijkt langzaam naar boven. Uit de poriën van zijn kale kop druppelen allemaal kleine druppeltjes zweet. Dan draait hij zich om naar de duistere figuur achter hem. Het is een woeste kerel met in zijn ene hand een klein mobieltje en in zijn andere hand een stuk spare rib.Otto kijkt hem grijnzend aan en houdt zijn gloednieuwe mobieltje tussen duim en wijsvinger naar voren:

– Deze dus, en ik heb er nu al spijt van dat ik hem heb gekocht. Ik wordt namelijk steeds gebeld door vervelende kale mannetjes die iets van me moeten. Mannetjes die alleen maar praten en niet luisteren. Mannetjes die vooral heel graag naar zichzelf luisteren. 

Het kale kereltje komt weer een beetje toch zichzelf en trekt een grote geruite zakdoek uit de binnenzak van zijn colbert. Daar dept hij zijn kop mee af en leunt vervolgens weer achterover. Met open mond grijnzend neemt hij Otto zwijgend een aantal seconden op, maar Otto zwijgt stoicijns terug. Dan begint het kale mannetje lachend te ratelen:

– Ahaahahahahaaa, je hebt me goed te pakken hoor. Hahahaha. Pfjiew, is me dat schrikken zeg. Ik had het echt helemaal niet door. Wanneer wordt dit uitgezonden? En laat me raden, daar ergens is de camera verborgen…Toch? Jaaaahahahaha, ik heb het wel door hoor.

Otto kijkt hem meewarig aan en wijst naar boven. Recht boven de kale kletskop zweeft nog steeds het papieren bekertje en de plens hete koffie. Dan knipt Otto met zijn harige vingers. De blob zwevende koffie zweeft tegen het plafond en vormt daar een glanzend-zwarte plas. Vanuit het midden zakt er een dikke vette druppel uit de plas. De koffie gedraagt zich als stroop. De druppel zakt langzaam, een dikke koffiestroopdraad trekkend, in de richting van de kale kop. 

– En wat vind je van die special effects? Ongelooflijk wat ze tegenwoordig allemaal kunnen met computers hè? 

De mond van het kale ventje gaat open, en weer dicht, en weer open. Otto stapt snel naar voren en duwt het mobieltje in de open mond van de telemarketeer en duwt dan met zachte hand de onderkaak van het ventje omhoog. Met Otto’s mobieltje tussen zijn tanden kijkt het kale mannetje naar de dikke druiper koffiestroop die van het plafond druipt. 

Otto plukt het bekertje uit de lucht en zet het voorzichtig op de kale kop, precies onder de gestaag zakkende koffiedruiper. Dan draait hij zich om en loopt weg. Als hij bij de uitgang van de ruimte is, draait hij zich nog even om en zegt:

– Als ik jou was zou ik zo blijven zitten en niet bewegen, want hoe verder ik weg ben, hoe meer die koffie zich weer herinnert hoe het is om gewoon vloeibaar en vooral kokend heet te zijn. 

Het zweet parelt alweer van de kale kop. De arme drommel heeft zijn ogen nu stijf gesloten, in anticipatie op een plens hete koffie. Uit de keel van de kaalkop komt een benepen piepgeluidje. Maar Otto loopt de ruimte uit en trekt de deur achter zich dicht. Tevreden grijnzend en zichtbaar met zichzelf ingenomen knipt Otto nog eens met zijn dikke vingers. Vanachter de deur klinkt het typische geluid van een door kortsluiting sissend en vonkend stuk electronica.

fwoep!, klink het zachtjes in de gang, maar dat komt niet uit boven het gegil van het arme kale mannetje. Het gegil begint als noodkreet, maar gaat over in een opgelucht gegiechel als hij zich beseft dat die hete koffie heus niet op zijn kop is gevallen maar in plaats daarvan in zijn nog na-knetterende en gestorven computer.

Telepret

Kinderen kunnen soms geweldig uit de hoek komen. Laatst vroeg onze oudste zoon waarom een telefoon “telefoon” heet. Dus legde ik uit dat “tele” betekent dat iets op afstand (ver weg) is, en dat “foon” “geluid” betekent. Dus met een telefoon kun je geluid horen dat ver weg is.

In het hoofd van mijn zoon vielen blijkbaar diverse kwartjes, zag ik aan zijn oogjes, dus ik vroeg of hij nu zelf kon uitleggen waarom  televisie “televisie” heet. Hij hoefde niet lang na te denken en zei: “een televisie is een ding waarmee je iets kunt zien dat ver weg is”.

“Maar hoe zit dat dan met een telescoop?”, vroeg ik toen. Ja, dat was natuurlijk gewoon een hele grote verrekijker. En toen mijn zoon dat hardop zei, viel er weer een kwartje: ver (tele) kijken (scoop). 

“En weet je misschien nog een ander voorbeeld van een woord dat begint met tele?”, vroeg ik bemoedigend. Aan de pretlichtjes in zijn oogjes zag ik dat hij er nog wel eentje wist. “Jahaa, ik weet er nog wel eentje hoor Papa”, begon hij, en hield het een beetje spannend. Hier ging een heel goed voorbeeld komen. En toen kwam het: Teletubbie. Wat een boef is het ook.

Frankeerservice

Frank de edelman aanschouwt zijn edele aanblik in de goudomrande spiegel aan zijn wand. En terwijl hij zichzelf aanbidt denkt hij: “Wat egoïstisch eigenlijk dat alleen ikzelf van mijn edele trekken mag genieten. Eigenlijk zou iedereen mij moeten kunnen aanbidden ende verafgoden”. En dat brengt Frank op een – zo vindt hij zelf – volstrekt lumineus idee: De Frankeerservice.

Frank laat zich in diverse edele posen portretteren door ’s Lands beste fotografen. Het mag wat kosten. En omdat ook edelen met hun tijd mee moeten gaan, laat Frank een heuse Frankeer-app ontwikkelen. Zo kan het gewone volk hem comfortabel in hun armetierige zithoekjes in hun peupelige woonkamertjes eren. En dat natuurlijk tegen uiterst billijke – en Frank gniffelt zelfingenomen –  frankeertarieven.

Frank rekent eenvoudigweg 50 Euro per minuut, om het laagdrempelig te houden, zo redeneert hij. Per slot van rekening zijn dat de kosten van het reinigen van een adelijke reet na een adelijke boodschap. Geen geld dus. En voor diegenen die hem onbeperkt willen eren – en wie wil dat nou eigenlijk niet? – heeft Frank ook een flat fee bedacht: Voor slechts 50 Euromeiers per maand mag je Frank in een edele pose naar keuze permanent als achtergrondje op je iPad installeren.  

 

Tja, typisch geval van onspiratie mijner zijde. Wat een bagger dit. Ik mag wel uitkijken, want straks mag ík ook milieubelasting gaan betalen.

Mettertijd

Mettertijd wordt alles minder scherp, verzacht alle pijn
Mettertijd ontstaan alle wonderen en vervagen alle herinneringen
Mettertijd wint je lach aan glans maar doven alle sterren
Mettertijd klaren alle stormen op, wordt alles kraakhelder
Mettertijd baan je je pad en nadert de horizon

Glunders voor nop!

Glunderen heeft te maken met nopjes, geloof ik. Als ik namelijk erg in mijn nopjes ergens over ben, dan ga ik helemaal vanzelf glunderen. Hoe dat glunderen dan gaat weet ik eigenlijk niet zo precies. Het gaat gewoon vanzelf. Zodra je in je nopjes bent. Volgens mij kun je het ook niet op commando. Alhoewel, als ik denk aan iets waarover ik erg in mijn nopjes was, dan komt de glunder toch best snel op mijn gezicht. Oogjes gaan glanzen, mondhoekjes worden van elastiek en trekken helemaal door naar de oren. 

In het woordenboek staat dat glunderen “opgewekt kijken” betekent. Maar glunderen is natuurlijk veel meer dan een opgewekte blik. Ik kan heel goed veinzen dat ik opgewekt kijk. Maar een glunder kun je niet veinzen. Glunders zijn altijd echt. Glunders komen van binnenuit. Ik denk dat je een glunder ook maar met heel veel moeite kunt onderdrukken. Ik kan het in ieder geval helemaal niet. Voor mij is dus geen pokercarrière weggelegd.

Ik vermoed eigenlijk dat de mensen met hele goeie poker faces gewoon veel te weinig in hun nopjes zijn. Ze walsen hun nopjes plat door hun trots en tevredenheid te onderdrukken en af te vlakken. Dat gaat deste makkelijker als je ooit eens in een soort nopjes-overdosis was. Na die overdosis valt alle geluk die je dan nog overkomt, in het niet. Je glunderweerstand is daardoor sterk vergroot, als het ware.

Je hebt ook mensen die totaal geen glunderweerstand hebben en zelfs doorslaan naar de andere kant. Die kunnen glunderen zonder in hun nopjes te hoeven zijn. Die lopen de hele dag gelukzalig voor zich uit te stralen. Die moeten eerst aan een moment denken dat ze ergens over in de put (een negatieve nop eigenlijk) zaten, om hun smoel glad te kunnen strijken.  

En dan nog dit bijzondere fenomeen: glunderen omdat je in de nopjes van iemand anders bent. Ouders en grootouders hebben daar bijvoorbeeld heel vaak last van als ze zien hoe trots hun (klein)kind is op een eigen prestatie. Die lekkere glunderkoppies die mijn kindertjes soms hebben om een eigen prestatie zijn gewoon ontzettend aanstekelijk. Dan glunder ik vanzelf mee, in hun kleine, o zo lieve nopjes. Gratis glunders, als het ware. Glunders voor nop! De allerlekkerste glunders zijn dat.