Verhaal

Otto pakt een bioscoopje

Er komt een roestige, reutelende Volkswagen Golf het levendige uitgaanscentrum van Hoogeveen ingereden. Het is een wrak op wielen en praktisch een oldtimer, maar volgens Otto is het nog een prima karretje. “Beetje roestig, maar verder mankeert er niets aan. Zo maken ze ze tegenwoordig niet meer”, zegt hij tegen iedereen die hem vraagt of het niet eens tijd is voor een nieuwere auto.
Otto kijkt op het klokje op zijn dashboard. Het werkende klokje wel te verstaan. Otto’s hele dashbord zit namelijk volgeplakt met zelfklevende klokjes. Omdat er geen plek meer was, zit het werkende klokje op een oud, kapot klokje geplakt. Otto koopt simpelweg steeds een nieuw klokje als de vorige stopt met werken. Van batterijen vervangen heeft Otto nog nooit gehoord. Het werkende klokje vertelt Otto dat de film over 2 minuten begint.
“Mooi op tijd, nu even een parkeerplaats regelen”, mompelt Otto tevreden. En omdat hij een hekel heeft aan ver lopen, rijdt Otto optimistisch de volle parkeerruimte direct naast de ingang van de bioscoop op. Dan knipt Otto met zijn vingers en er komt een jonge, nerveus kijkende man uit de bioscoop gerend, achter hem aan strompelt met vertrokken gezicht een hoogzwangere jonge vrouw. De man loopt naar de stationwagen die het dichtst bij de ingang staat en zapt de deuren van het slot. Het is zo’n saaie, zwarte leasebak waarvan er dertien in een dozijn gaan. De man springt achter het stuur en start de motor. Als hij zijn portier woest dicht trekt, valt er een papiertje uit de auto dat door de wind wordt opgepakt. Puffend en steunend klimt de moeder in spé ook in de auto en nog voor ze de deur heeft dicht getrokken rijdt de wagen met piepende banden achteruit. Otto krijgt heel eventjes last van een klein beetje schuldgevoel als hij de mengeling van ongelooflijk balen en wilde paniek in de ogen van de vader in spé ziet.
Desalniettemin zet Otto zijn aftandse Golf op de plotseling vrijgekomen parkeerplaats en stapt uit. Otto kijkt omhoog. Er dwarrelt een papiertje naar beneden dat hij in zijn hand opvangt. “Wat een stinkende mazzel”, zegt Otto grinnikend, “een parkeerkaartje met precies genoeg tijd”. Hij legt het braaf onder de voorruit op zijn dashboard en loopt de bioscoop in. Bij het loket koopt hij een toegangskaartje voor de film “Cowboys & Aliens” en even later zit Otto, precies op tijd voor de film, met een grote emmer popcorn (met extra zout) en een grote beker cola (zonder ijs) op een mooie plek midden in de zaal. De stoel is nog warm en de vrije stoel ernaast ook. Otto’s naam is natuurlijk Haas.
Otto maakt nooit plannen, maar doet gewoon wat in hem op komt. Waarom zou je ook plannen als je met een knip van je vingers alle problemen gaandeweg kunt oplossen. Een probleem zoals een parkeerplaats vinden direct voor de deur lost Otto de Magiër natuurlijk niet op door op tijd van huis weg te rijden, maar door “de loop der dingen” een beetje naar zijn hand te zetten. Wat maakt het uit dat die baby een paar uur eerder op de wereld komt. Als dank voor de vrije parkeerplaats en het parkeerkaartje zorgde Otto dan weer wel voor een groene golf op de hele route naar het ziekenhuis én voor een vrije parkeerplaats direct voor de ingang van het ziekenhuis. De directeur die namelijk op bezoek was bij zijn oude moeder die net was geopereerd moest ineens dringend naar de zaak omdat het brandalarm zou zijn afgegaan. Natuurlijk loos alarm…

Powered by ScribeFire.

De Zure Victoria’s

Bij ons in de voortuin staat een grote pruimenboom. Een week of 5 geleden, voor wij op vakantie gingen, waren zijn takken al zwaar van de pruimen. Allemaal nog lang niet rijp. Het zijn overheerlijke Reine Victoria‘s, genoemd naar Queen Victoria. Na onze vakantie zouden de eerste pruimen al rijp zijn en zouden we tot achter in oktober nog pruimen kunnen plukken. Vorig jaar heb ik zeker een keer of 8 een wasteil vol pruimen geplukt van de takken waar ik bij kon. Veel te veel pruimen voor ons alleen. Liters pruimenjam heb ik gemaakt en aan vrienden en familie uitgedeeld.

Wie schetste onze verbazing toen wij dit jaar na onze vakantie bij de pruimenboom gingen kijken. Geen pruim meer te bekennen aan de hele boom! Zelfs niet aan de hoogste takken. Ook op het gras onder de boom viel afgekloven pruim noch pit te ontdekken. Wie of wat de dader ook moge zijn, hij nam of zij nam (of namen) geen halve maatregelen. Komplete leegroof en voor zover ik kan ontdekken ook geen sporen van de illustere dader(s).

Het vreemde is dat de pruimen nog niet eens halfrijp hadden kunnen zijn toen ze heimelijk werden geplukt. Ze waren dus nog bepaald niet te pruimen die pruimen. Het heeft de daders blijkbaar niets uitgemaakt. Misschien ging het ze wel specifiek om het pruimenzuur. Misschien zijn onze pruimen juist bedoeld om mensen zuur te houden, in plaats van zoet. Ik stel me nu ineens een gemeen gniffelende heksenkring voor dat ergens in de Drentse bossen, bij volle maan rond een ketel bubbelende zuurpruimenjam danst. Ze noemen zich “De Zure Victoria’s”. Afzichtelijke, oude  mopperpotten met vreselijk zure pruimen…

Queen Victoria (Bron: Wikipedia; ze kijkt eigenlijk verdacht zuur op deze foto...)

Powered by ScribeFire.

Opa Guru Willie Nelson

Er kwam een zonderlinge, oude man de camping opgelopen, zwaar leunend op zijn wandelstok vanwege een enorme rugzak op zijn rug. Zijn lange grijze haren wapperden in de wind die van het meer af kwam waaien. Hij begroette ons in het Zweeds met een luid “Hej”. Pal naast ons plekje liet hij zuchtend en steunend zijn hoog opgepakte rugzak van zijn rug glijden. De man rekte zich toen uitgebreid uit, streek zijn grijze haren naar achteren en draaide het handig in een lange paardestaart. Wat een rare oude indiaan, dacht ik. Hij deed me denken aan een andere oude indiaan: Willie Nelson.

Nadat de oude indiaan was uitgerust begon hij heel bedaard zijn hele rugzak uit te pakken. Er kwam een complete één persoons campeeruitrusting uit waaronder een tent die hij al even bedaard maar soepel opzette. Het was zo’n lichtgewicht tunneltentje met drie van die boogstokken erin. Hij zette hem helemaal in elkaar. Toen sleepte hij het tentje theatraal naar een plekje een meter of 10 verderop en pinde het daar met haringen vast. De oude indiaan keek, met zijn handen op zijn heupen, tevreden naar het resultaat. Heel grapping hoor om mij te laten denken dat je pal voor onze tent zou gaan staan met je tent, dacht ik geirriteerd.

De grijze grapjas draaide toen een beetje met zijn heupen en draaide van links naar rechts. En terwijl hij in de richting van het toiletgebouw liep, draaide hij wild zwaaiend mat zijn armen zijn schouders ook even los. Het zag er best soepel uit voor zo’n oude man die lopend met zo’n zware bepakking was aangekomen. Ik vond het er vooral ook nogal  uitsloverig uit zien. Wat een eigenaardige ouwe kerel, dacht ik.

De volgende ochtend, nogal vroeg, hoorde ik ineens een geluid dat verdacht veel leek op dat tuuuuut-geluid dat je hoort als je iemand belt. Blijkbaar had Malle Willie ook een mobieltje bij zich met een handsfree-functie. In de stilte van de ochtend begon de knakker dus uitebreid en handsfree te bellen. Er schalde een nasaal stemmetje over de camping dat Willie nogal luidruchtig en lachend met zijn bromstem beantwoordde. Wat een mafkees, dacht ik.

Die dag zag en hoorde je Willie regelmatig telefoneren. Steeds handsfree, zodat iedereen kon meegenieten. We hoorden verschillende stemmetjes uit zijn telefoon knetteren. Ik verstond er niks van. Al heen en weer wandelende over de camping, met zijn telefoon in de hand op hoogte van zijn borstkas, praatte Willie geannimeerd voor zich uit. Soms moest hij hard lachen, en dan werd er hard meegelachen door de persoon aan de andere kant van de lijn. Neem volgende keer je familie en zakenrelaties toch mee naar de camping, dacht ik.

Op het heetst van de dag – en het was nogal ongebruikelijk heet voor Zweden – kroop Willie Nelson in zijn tent om Siësta te houden. Hij liet de voor en achterflap van zijn tunneltentje wagenwijd open staan. Aan de ene kant zag je zijn grijze hoofd op zijn dunne armen liggen, en aan de andere kant twee oude, blote voeten met pleisters aan zijn grote tenen. Eigenlijk heeft Willie het prima bekeken, dacht ik.

Toen het te donker was om nog te kunnen lezen, en ook omdat de muggen niet van me af konden blijven, kroop ik in mijn slaapzak. Vanuit Willie”s tent klonk toen ineens weer dat getuuuut van zijn telefoon. Dit begon ik langzaamaan erg irritant te vinden. Even later werd er opgenomen. Er klonk een kinderstemmetje van de andere kant van de lijn. En toen begon Willie Nelson ineens te zingen. Heel zachtjes, en heel lief. Het was duidelijk een slaapliedje. Opa zingt een slaapliedje voor zijn kleindochter, dacht ik vertederd. Wat kan een mens zich vergissen, dacht ik daarna.

Opa Nelson vertrok op dezelfde dag van de camping als wij. Ik was als een bezetene alle matjes aan het leegrollen, de slaapzakjes aan het proppen, en onze hele campje aan het afbreken. Opa Nelson deed hetzelfde, maar dan op zijn dooie akkertje. Ineens hoorde ik Opa Willie de Indiaan in uitsteked Duits iets zeggen tegen een Duits echtpaar dat ook op de camping stond. Even later bleek hij ook een behoorlijk mondje Engels te spreken. Toen we van de camping afreden zagen we Opa Nelson weer bepakt en bezakt, verder wandelen. Een brede glimlach op zijn gezicht. Daar gaat een wijze, vriendelijke oude man die intens geniet van het leven, dacht ik.

Een wijze vrouw vertelde me later dat er een oud pelgrimspad langs de bewuste camping (Uskavi Camping by Siggebo/Nora) loopt. Toen ik me dat besefte steeg Opa Willie in mijn achting ineens tot guru.

Powered by ScribeFire.

Mazzeltoveren

Otto loopt over een smal pad in een heuvelachtig gebied. De heuvels zijn begroeid met lang gras dat zacht ruist in de wind. In de verte ziet Otto bomen, de rand van een bos. Dit bos moet Otto koste wat het kost bereiken, dat voelt Otto heel sterk. Dus neemt hij het pad dat hem er recht naartoe leidt. Geen omwegen, Otto is vastberaden.

Her en der hangen dunne nevels. Althans, zo zien ze er uit. Als Otto dichterbij zo’n nevel komt, ziet hij dat het een soort schimmige projecties zijn. Hij ziet bijvoorbeeld een torenspits, andere grote gebouwen en een straat met verkeer zoals vrachtwagens, auto’s en een motorrijder. Ook ziet hij mensen lopen. Otto hoort zelfs de geluiden van het verkeer, de voetstappen van de mensen op het trotoir, zelfs de stemmen van de mensen. De projectie beweegt langzaam heen en weer tussen de heuvels. De projectie breidt zich langzaam uit en krimpt dan ook weer om daarna weer uit te dijen. Alsof het ademt, alsof het leeft.

Ineens beweegt de vreemde projectie recht op Otto af en ziet hij dat hij precies op een tramspoor staat. Achter hem klinkt de bel van de tram. Otto wil opzij springen, maar bedenkt zich, want naast het pad dat hij volgt stroomt een beekje. De tram rijdt dwars door Otto heen, maar hij voelt er niets van. Hij ziet en hoort de mensen in de tram als deze door hem heen rijdt, maar de mensen zien Otto niet. Plotseling is de projectie weer een heel eind verderop. Otto ziet nog net dat de tram over een grote stalen brug over een brede en zo te zien diepe kloof rijdt. Dan trekt de projectie op als een nevel in de opkomende zon en is het verdwenen.

Otto loopt verder en ineens staat hij aan de rand van een diepe kloof. Het beekje stort zich er in de diepte. Otto herkent de kloof meteen, maar hij ziet zo 1-2-3 geen brug. Dat vindt Otto erg vervelend, want hij moet de kloof oversteken. Koste wat het kost! Plotseling ligt de mooie stalen brug zoals hij hem zoëven zag in die schimmige projectie, voor hem, alsof het er altijd al was. Wat een geluk! En wat stom dat hij de brug net niet zag! Zonder aarzeling betreedt Otto de brug en loopt naar de overkant van de kloof. In de diepte onder hem hoort hij het geruis van wild stromend water.

Midden op de brug staat Otto stil en kijkt hij over de rand naar beneden. Tot zijn grote ontzetting ziet hij dat het water dat daar stroomt bloedrood van kleur is. Er bekruipt hem een ijzig gevoel. Dit bloed heeft hij op zijn geweten. Otto kijkt op, in de richting van waar het water vandaan stroomt. Dan ziet hij de stad. Otto herkent de spits van de grote kerktoren in het midden van de stad. De kloof loopt dwars door de stad. Otto’s egoïstische wens om de kloof hier ter plekke te willen oversteken en de ongelooflijke mazzel dat er nog een brug is ook, werd vele mensen noodlottig. Door Otto’s toedoen verdween dezelfde brug in het niets, net op het moment dat er een volle tram over heen reed.

Otto de Magiër wordt zwetend wakker en zit rechtop in zijn bed. Zoals altijd is hij erg aangedaan door deze vreemde en akelige droom. Otto weet intussen heel goed wat deze regelmatig terugkerende droom betekent. Het is een waarschuwing dat het ook verkeerd kan gaan. Otto’s magie bestaat er namelijk uit dat hij het lot kan beïnvloeden, kan veranderen van koers. Daar is hij in al die jaren bijzonder handig in geworden.

Otto was als kind altijd al een ongelooflijke mazzelkont. Dobbelstenen deden altijd precies wat hij nodig had om te winnen. Omdat het anderen steeds meer opviel hield hij zich in en leerde dat hij zijn “mazzel” ook op anderen kon projecteren. Otto kan het “verloop van de dingen” zien. Of beter gezegd: Otto kan alle mogelijke verlopen van de dingen zien. Hij ziet ze als schimmige projecties, aan de randen van zijn blikveld. Hij kan er nooit rechstreeks naar kijken, want dan drijven ze weg. Maar hij kan ze wel bespelen en veranderen zodat de dingen toevallig precies gaan zoals dat het beste uitkomt voor hem.

In de jaren kreeg Otto een steeds uitgebreider beeld van het verloop der dingen en kan er spectaculaire kunsten mee uithalen, allemaal op het randje van wat kan worden gezien als gigantische mazzel. Otto noemt het daarom ook “mazzeltoveren”. De droom houdt hem scherp.

Powered by ScribeFire.

Chili con Carne a la Otto

Otto de Magiër staat in zijn keuken. Hij haalt een paar uien en een groene paprika uit de papieren zak van de groenteboer en gooit ze argeloos over zijn schouder. De groenten blijven midden in de keuken in de lucht hangen. Otto schenkt een beetje olijfolie in een grote pan die op het fornuis staat en zet het vuur eronder aan. Eerst bakt Otto hierin het gehakt.

Dan pakt Otto een Japans Samuraizwaard van de muur en zwaait er gevaarlijk mee. Van schrik springen de uien, die nog steeds in de lucht hangen te zweven, uit hun droge velletjes. Maar Otto kent geen genade voor groenten. Hij zwaait het mes rond zijn schouders als een volleerd Ninja en loopt op de groenten af. Het zwaard beweegt nu op onmogelijke snelheid en Otto’s armen en het zwaard worden een zoevende, vage vlek om Otto’s bovenlijf. Als de uien en de paprika  in de baan van het zoevende zwaard komen worden ze in luttele seconden in fijne snippertjes gehakt. Als Otto klaar is, neemt hij de pan van het vuur en laat de uiensnippers en de stukjes paprika erin vallen. Behendigd schudt Otto met de hete, sissende pan zodat het gehakt, de uien en de paprika door elkaar gehusseld worden. Het begint al heerlijk te ruiken.

Otto kookt normaal eigenlijk nooit, maar hij heeft vandaag drie oude vrienden op bezoek. Ze hebben zijn snijkunsten met grote bewondering gadegeslagen. “Zo, en hoe was dat klassieke concert waar jullie gisteren heen waren eigenlijk?”. vraagt Otto terloops. Het valt meteen stil in het gezelschap. “Wat?”, vraagt Otto verbaasd, “Heb ik iets verkeerds gezegd ofzo?”. Otto hoopt dat hij zijn pokergezicht nog even kan vasthouden, want hij voelt een daverende lach opborrelen. “We werden alledrie ineens, eh, een beetje winderig”, zegt één van hen dan. “Een beetje? Man we zaten toch een partij te ruften!”, zegt een ander vervolgens. “Ja, er was geen houden meer aan, en die lúcht! Ik vond zelf zelfs dat ik stonk. We hebben alledrie vast iets heel verkeerds gegeten, maar wat?”.

Otto kan zijn lachen nu niet meer inhouden. Hij begint onbedaarlijk te schateren. De tranen springen uit zijn ogen. Als hij minuten later is uitgeschaterd, ziet hij dat zijn vrienden hem verbijsterd aanstaren. “Het was echt supergenant man”, zegt iemand en hij wil nog meer zeggen, maar Otto barst weer in lachen uit. Nog nasnikkend van de pret loopt Otto naar het fornuis en roert in de pan. Dan neemt hij de pan van het vuur en zet het op tafel. Als zijn gasten zien wat er in de grote pan zit, krijgen ze een vuurrode kleur. “Eh, Ik weet niet of het nou wel zo verstandig is, gezien onze extreme winderigheid van gisteren”, begint één van hen.

“O, maak je geen zorgen”, zegt Otto geruststellend,  “Ik verzeker je dat deze heerlijke Chili con Carne à la Otto je mórgen géén winderigheid bezorgt”. Zijn gasten kijken hem wantrouwend aan, maar scheppen dan toch op. Even later zijn de complimenten niet van de lucht. Ze vinden het alledrie voortreffelijk. “Gek, daarnet had ik nog buikpijn van gisteren en een borrelende maag, maar dat is ineens over”, zegt iemand. “Dat komt door de bijzondere en zeldzame soort bruine bonen dat ik heb gebruikt”, zegt Otto dan. Nu heeft hij weer hun volle aandacht.

“Kijk, het zit zo”, legt Otto uit, “Het zijn contratemporale* bruine bonen. Ik móet ze volgende maand zaaien, anders kon ik ze vorig jaar niet hebben geoogst. Het zijn absoluut de lekkerste bruine bonen die er zijn, maar ze werken wel in tegengestelde tijd. Je wordt de dag vóór je ze eet al vreselijk winderig,  zie je, en moet je dus niet naar een klasiek concert gaan bijvoorbeeld”. Triomfantelijk kijkt Otto zijn vrienden aan, “jullie kunnen toch wel tegen een geintje, toch?”. Maar Otto ziet dat hij zichzelf maar beter ergens heeeeel ver van zijn vrienden vandaan kan fwoepen.

* geïnspireerd door de “reannual plants” gefantaseerd door Terry Pratchett

Powered by ScribeFire.

Emiel op pad met papa

Emiel en papa gaan samen weg, in de auto.
De auto moet naar de garage, dus papa doet de fiets achterop.
Emiel kan zelf in de auto klimmen.
Papa tilt hem in zijn zitje en maakt zijn riempje vast.
Zo, daar gaan we dan! Zegt Papa.

Kijk, daar rijdt een bus!
Hij stopt bij de bushalte.
Er stappen mensen uit.
Emiel vindt het prachtig.
Doei Bus! roept hij.

Papa rijdt langs het weiland.
Er staan koeien in de wei.
Maar Emiel ziet een tractor.
Die is veel mooier dan een koe.
Emiel zwaait met zijn handje: Doei tractor!

Bij de garage staan heel veel auto’s.
Emiel wijst omhoog.
Ja, zegt papa, die auto staat op de brug.
Dan kan de meneer hem maken.
Auto stuk! zegt Emiel.

Papa haalt de fiets van de auto.
Emiel’s stoeltje gaat achterop de fiets.
Papa geeft de sleutel van de auto aan de meneer,
en dan mag Emiel achterop de fiets.
Één, twee… hoppekee!

Papa fietst langs de sluis.
Daar staat de brug open.
Dus we moeten wachten.
Er varen heel veel bootjes voorbij.
Emiel zwaait naar de mensen op de bootjes.
En iedereen zwaait lachend terug.

Oei, zegt papa, wat een donkere wolken.
Straks gaat het regenen.
Gelukkig heeft Emiel heeft zijn stoere regenjas aan.
Muts op!, zegt Emiel.

Nee, nu nog niet kleine vent.
Maar Papa gaat wel heel hard fietsen.

Even later ziet Emiel zijn huis.
Zijn we weer!, roept Emiel.
Papa stapt van de fiets.
Emiel mag ook uit zijn stoeltje.
Gauw naar binnen, zegt Papa.

In de keuken maakt papa koffie.
Emiel speelt met de tractor van zijn grote broer.
Emiel, kijk eens wat ik voor je heb!
Sap en koekje erbij!, roept Emiel.
Dat is lekker!

Vandaag beleefde ik tijdens mijn papadag zo’n lekker suf maar o zo fijn en stoer avontuur met mijn kleinste ventje Emiel. Het zijn die kleine momentjes waarin je dan enorm van je kind geniet. In mijn hoofd ziet het er dan net zo uit als het avontuur van Tijn op de fiets (met zijn mama) door Betty Sluyzer en Pauline Oud. Daarom schreef ik het kleine avontuur maar eens net zo op.

bron: http://www.bettysluyzer.nl


Ik heb het boekje “Tijn op de fiets” intussen al zeker 1000 keer voorgelezen aan mijn kinderen. Het is een grote favoriet. Als Pauline nou van die mooie illustraties maakt bij mijn eigen verhaaltje, dan wordt het vast net zo’n geliefd boekje.

Otto De Omslachtige

In de garage van Otto de Magiër staat zijn 26 jaar oude VW Golf. De garage is opvallend en tegelijk ook weer niet, want het heeft geen deuren. De oprit ernaar toe eindigt in een muur die helemaal is volgewoekerd met Wilde Wingerd. Met een zacht “fwoep” verschijnt Otto ineens in zijn garage. Hij knipt met zijn vingers en het portier van zijn auto zwaait open. Hij stap in zijn auto, start de motor en sluit zijn ogen.

Op Rijksweg N371, tientallen kilometers van Otto’s huis vandaan, zou de bestuurder van een bestelbusje toch zweren dat de weg voor hem zoëven nog leeg was. Maar nu rijdt er honderd meter voor hem ineens een ouwe, roestige Golf. Maar het is grijs, bewolkt weer en het miezert, dus daar wijt de bestelbusbestuurder het maar aan.

Otto heeft er behoorlijk de sokken in. Hij trekt zich weinig aan van de maximale snelheid van 80. Verderop houdt een motoragent met een mobiele radar snelheidscontrole. Otto geeft gas bij en zwaait naar de agent, maar de agent kan niet terugzwaaien, want hij rent achter zijn motor aan die plotseling startte en in de richting van de sloot hobbelt.

Otto baalt als hij even later achter zo’n brommobiel rijdt. Op de achterkant zit een sticker met “World’s best driver”. Het ding rijdt nog geen 50 kilometer per uur. Op de andere weghelft rijden teveel auto’s dus inhalen is er niet bij. Otto laat daarom zijn stuur los en sluit even zijn ogen. Dan klemt hij zijn kaken op elkaar, brengt hij zijn handen voor zijn borstkas en duwt ze krachtig van zich af. De brom-mobiel schiet ineens als een raket vooruit. Verbijsterd kijkt de brom-mobielrijdster naar de snelheidsmeter. Die staat voorbij de 60, maar ze weet zeker dat ze nu minstens 90 rijdt. Met een tevreden grijns trapt Otto zijn gaspedaal weer in.

Maar verderop ontstaat het volgende obstakel al. De brug gaat open. Otto slaakt een gefrustreerde zucht en schudt zijn hoofd. Zeker weer zo’n suf plezierjacht. Theatraal gooit hij zijn handen omhoog en de Golf verdwijnt. Op de P&R van Station Meppel klinkt het typische fluitende geluid van een vallend projectiel. Enkele mensen die op de parkeerplaats liepen, turen en wijzen naar boven. Dan smakt plotseling een aftandse, oude VW Golf precies op een parkeervak. Er komt witte rook onder de motorkap vandaan. Even later stapt er heel kalmpjes een man uit. Tegen de verbaasde mensen zegt Otto: “Dat heb ik weer, een kokende motor! Dan maar met de trein”. Op dat moment zakt het golfje kreunend door beide assen.

Otto stapt koeltjes in de 1e klas coupé van de Intercity richting Zwolle en gaat prinsheerlijk zitten. Maar het zit Otto weer tegen. Ergens tussen Meppel en Zwolle remt de trein en staat dan een heel kwartier stil. Iets met een bovenleiding. Daardoor gaat hij zijn aansluiting naar Arnhem missen. Daarom gaat Otto naar de WC. Daar komt net een knappe meid uit. Otto glimlacht vriendelijk naar haar en gaat dan zelf het smalle toilet in en sluit de deur. In een toilet van de Intercity naar Roosendaal die klaar staat op perron 7 van Station Zwolle klinkt weer dat zachte “fwoep”-geluid. De wc-deur gaat open en Otto stapt eruit.

Otto komt op tijd aan in Arnhem. Natuurlijk had hij zichzelf ook in één keer naar Arnhem kunnen “fwoepen”, maar Otto wil zo gewoon mogelijk leven. Dat hij toevallig een beetje kan toveren betekent niet dat hij er maar te pas en te onpas gebruik van hoeft te maken. En hij begrijpt al helemaal niet waarom zijn collega-magiërs hem toch steeds Otto De Omslachtige noemen…

Powered by ScribeFire.

Het Spook van Michael Jackson

De gestorven King of Pop vindt zichzelf een heel bijzondere geest en is erg gefrustreerd dat tot nog toe niemand hem kon zien of horen. Hij had eigenlijk verwacht dat al zijn fans in principe een medium voor zijn geest zouden zijn. Niet dus. Niet één van zijn fans. Gedesillusioneerd waart het spook van Michael Jackson rusteloos rond op zijn Ranch Neverland. Althans, dat probeert hij. Maar hij merkt dat het hem veel moeite koste om op zijn geliefde landgoed te blijven. Hij drijft voortdurend af. Steeds in dezelfde richting: Oostwaarts.

Uiteindelijk geeft Michael het op en laat zich op een dag gelaten afdrijven. Dagen en nachten drijft hij langzaam maar gestaag naar het Oosten. Op moonwalk-snelheid, vindt Michael zelf. Hij drijft over woestijnen, bergen en meren. Een eindeloze tijd drijft hij over de oceaan. Hij drijft ironisch genoeg ook dwars door de Big Ben, maar deze blijkt niet zijn ultieme bestemming. Steeds verder Oostwaarts drijft Michael, tot hij eindelijk tot stilstand komt in een doodgewoon rijtjeshuis in Groenlo.

“Dat is toch ook raar”, denkt Ben als hij de schimmige gedaante in zijn huiskamer ziet staan, “dat lijkt wel…nee, dat kan niet, die is toch dood?…”. Ben gaat rechterop zitten en tuurt naar de verschijning. Het spook lijkt terug te turen en gilt dan ineens: “Hiiiihiiii!”, doet wat rare danspasjes, grijpt zich in zijn kruis en roept “Auw!”. Ben kijkt naar zijn bierflesje en controleert het alcoholpercentage. Hoe kan hij nu al zó dronken zijn?

Ben accepteert voor het gemak maar even dat hij blijkbaar een spook ziet. Wat hij moeilijker te verkroppen vindt, is het feit dat Michael Jackson uitgerekend bij hem komt spoken. “You are dead hè?”, vraagt Ben voorzichtig. Het spook van Michael Jackson kijkt hem meewarig aan en moonwalkt demonstratief even door een muur en weer terug . Ben wil eigenlijk helemaal niets met dit spook te maken hebben, dus hij roept: “Leave me Alone! Beat it!”. Maar dit heeft een averechts effect. “You know my songs!”, roept Michael ecstatisch en begint weer te dansen.

Michael kijkt eens wat beter om zich heen en er vallen hem enkele attributen op. Aan de muur hangt een bloedrode sjaal met “FC Twente” erop. Daaronder hangt een poster van, zo te zien, een voetbalteam waarvan de leden shirts van diezelfde bloedrode kleur dragen. In de hoek van de kamer staat een gitzwarte, elektrische gitaar met, in goudkleurige verf, een doodskop erop. “You play guitar!”, roept Michael verheugd, “Play something for me please”. Ben’s mond valt open van verbazing. De King of Pop is hier komen spoken om hém te horen spelen?

Michael klapt bemoedigend in zijn schimmige handen als Ben de versterker aan zet en de gitaar oppakt. Ben draait aan wat knoppen en zet de vingers van zijn linker hand op de snaren. Dan zet hij zijn benen een heel end uit elkaar en begint te spelen. Rauwe klanken vullen de kleine, muffe huiskamer. Michael vertrekt zijn gezicht. Hij vindt het afschuwelijk. Maar Ben gaat helemaal op in zijn spel en zwiept zijn lange haren wild heen en weer. Plotseling begint Ben als een bezetene te krijsen,  te grommen en te grauwen.

“HIIIIIIIIIIIIIIIIIIII!! HOEOEOEOEOEHOEHOE!”, gilt het spook van Michael Jackson. Hij is van schrik, voor zover mogelijk, nóg witter geworden. Ben heeft het niet in de gaten en gaat “vrolijk” door met zijn door merg en been gaande grafherrie. En dan ziet Michael wat er op Ben’s vale, zwarte shirt staat afgebeeld: een helse rat met lange haren, op een duivelse motorfiets dat brandende sporen achterlaat op het asfalt. Eronder staat in Bloedrode, druipende letters “Ben Rattink”. Ben houdt ineens op met spelen, alsof hij door heeft dat zijn muziek niet bepaald in de smaak is gevallen bij zijn onwaarschijnlijke toehoorder.

Michael kijkt hem diep bedroeft aan en begint nu, heel zacht, zelf te zingen:

Ben, the two of us need look no more.
We both found what we were looking for….

Michael begint er steeds jonger uit te zien. Hij ziet er weer net zo uit als toen hij 14 jaar oud was als hij de laatste zinnen van het lied zingt:

Ben, most people would turn you away
I don’t listen to a word they say
They don’t see you as I do
I wish they would try to
I’m sure they’d think again
If they had a friend like Ben

Like Ben…
Als het Spook van Michael Jackson deze laatste twee woorden zingt, glimlacht hij en verdwijnt.

De Agritect

Harm parkeerde de trekker achter de schuur. Er was vannacht een boom omgewaaid en deels op het dak van de melkerij gevallen. Hij had de boom even weggesleept. Alleen het dak was beschadigd, de melkmachine gelukkig niet. De machine draaide de laatste jaren dan wel op een heel laag pitje, maar missen kon hij het ding nog niet. Hij had nog 30 koeien in het bedrijf. Te veel om met de hand te melken. Te weinig om aan te verdienen. Verder had Harm een stuk of wat varkens, wat schapen, twee ouwe knollen en rond het hele erf scharrelden kippen. Harm had niet veel land en hij verbouwde vooral mais en aardappelen. Zijn bedrijf kwam nauwelijks rond en Harm moest moderniseren, dat wist hij.

Op de deel deed Harm zijn klompen uit en ging het huis binnen. Greetje had al koffie gezet. Dankbaar schonk hij een bak vol. Op tafel lag de krant van vandaag. Greetje had een grote cirkel gezet om een artikeltje op de voorpagina. Ze had er zelfs een uitroepteken achter gezet. Het artikel kondigde aan dat morgen de grootste landbouwbeurs van Nederland weer plaats zou vinden. Greetje vond blijkbaar dat Harm daar maar eens heen moest. Toen hij de koffie op had ging hij zijn goeie broek en hemd luchten en zijn goeie schoenen poetsen.

Op de beurs werd Harm een ander mens. Het was alsof hij al die jaren onder een steen had geleefd. Harm had alles wat hij zag opgezogen als een droge spons. En aan het eind van de dag had hij een glasheldere visie. Hij moest alles anders doen. Met een suizende kop en een tas vol folders en gratis pennen toog Harm weer huiswaarts. Greetje zag de verandering gelijk. Harm keek mijlenver vooruit, vastberaden. Hij zag Greetje dan ook niet. Haastig sprong ze opzij.

Harm sloot zich drie dagen op in zijn werkkamer. Hij moest de hele tijd wel aan het telefoneren zijn geweest, want Greetje hoorde hem veel praten. Op een dag stopte er een bestelwagen van de DHL. Harm kwam opgetogen uit zijn kamer gestoven om de spullen in ontvangst te nemen. Na vier keer lopen met de steekwagen had Harm alle spullen in zijn kamer. Hoe dat daar allemaal in paste begreep Greetje niet. En wat hij met al die spullen moest, begreep ze nog veel minder. Toch hield ze zich wijselijk op de achtergrond. Er ging iets veranderen, en dat was goed.

De volgende ochtend ontbeten ze zoals altijd zwijgend. Sinds hun ja-woord 8 jaar geleden hadden ze hooguit een handvol woorden met elkaar gewisseld. Na het ontbijt trok Harm zijn jas aan en ging naar buiten. “Greet, ik ben even naar de kapper!”, riep Harm en sprong op zijn trekker. Achter de trekker hing een kar vol met ouwe troep uit Harm’s kamer. Greetje krabbelde zich achter haar oren, en keek hem hoofdschuddend na.

Toen Greetje naar binnen ging, zag ze dat de deur van Harm’s kamer nog open stond. Het enige dat ze nog herkende was het oude bureau. Daarop stond een groot beeldscherm en verder lag het vol met folders. In de hoek waar eerst een boekenkast stond, stond nu een enorm apparaat te zoemen. En aan de grote muur tegenover zijn bureau had Harm een groot wit bord opgehangen waarop hij verwoed allerlei lijnen en figuren had getekend met viltstift.

Harm kwam pas laat in de ochtend weer terug in een spiksplinternieuwe auto die geruisloos het erf op reed. Greetje herkende hem eerst niet eens toen hij uitstapte. Hij had een blits kapsel en droeg een nieuw maatpak met overhemd en stropdas. Aan zijn voeten twee glimmende Italiaanse schoenen. “Hai Gree”, zei hij. Hij spreidde zijn armen en draaide langzaam rond. “En?”, vroeg hij toen. “Ja, heel anders hè”, antwoordde hij zelf. “Kiek, ik heb zelfs een visitekaartje”. Greet nam het verbijsterd aan. Het zag er heel modern uit. Dit stond er op het kaartje: