filosofie

Kom op, stug doorwinteren!

Gisteren wilde ik mijn blog weer eens in de wilgen hangen. Al mijn blogs. Weg ermee. De hele donderse pijp aan Maarten geven. Dat heb ik eens in de zoveel tijd. Allerlei redenen vliegen dan door mijn kop: geen zin meer, vind niet de voldoening die ik zoek, zou mijn tijd beter aan echt belangrijke dingen moeten besteden, mijn blog zuigt, waar doe ik het voor?

Tot nog toe ging ik toch gewoon door met bloggen. Even een tijdje mokken en broeien en dan ineens vind ik mijn blog-energie weer terug. Soms smijt ik dan zelfs weer een heel nieuwe blog op het web. Nu effe niet. De energie is ver onder peil. Ik zit in een blogdip. Deze tekst komt als stroop uit mijn vingers. Dit is een verwoede poging om mijn vingers achter mijn dip te krijgen.

Het overkomt me dus vaker en het overvalt me ook altijd. Ineens bevind ik me in een dal. Overal om me heen zie ik bomen. Idioot hoge naaldbomen met hun kruinen ver boven me en lange, kale stammen. Hoog boven mij hoor ik de wind door de takken ruisen, maar bij mij staat een vaag briesje, nauwelijks voelbaar en verstrooid door de vele stammen. Eigenlijk voel ik verder weinig. Geen kou, geen warmte. De bodem is bezaaid met dorre naaldjes. Het is er doodstil.

Het is herfst en het belooft een lange donkere winter te worden. Misschien ben ik onbewust aan het voorwinteren. De zomer wil je zo lang mogelijk vasthouden. Lente is leuk, maar we willen toch snel door naar die zomer. Voorzomeren. De herfst ontkennen we door zo lang mogelijk te nazomeren. En dan staat de winter ineens heel snel voor je deur. Onverbiddelijk. Misschien is het een oerinstinct om me nu als een gek vet te vreten en een stil plekje te zoeken waar niemand me kan vinden tot het weer voorjaar is. Helaas, geen optie. Ik heb het veel te druk met geleefd te worden. Stug doorwinteren en daarna gewoon weer opbloeien.

Powered by ScribeFire.

Niks Crisis

George Berkeley was een bisschop en een beruchte filosoof. Hij vroeg zich ooit het volgende af: Als een boom in een bos omvalt en er is niemand in de buurt om het te horen, maakt het dan geluid? In essentie komt dat erop neer dat iets alleen echt bestaat of gebeurt als het wordt waargenomen. Of nog korter om: Geen getuige, geen gebeurtenis. Dit is natuurlijk puur filosofisch en werkt dus niet in de omgekeerde richting: iets gebeurt niet als iedereen het negeert. Of toch? Ik bedoel, we stoppen toch aan de lopende band gebeurtenissen in doofpotten en we steken toch massaal onze koppen in het zand wanneer we willen dat iets niet is gebeurd.

Wat dan het verschil tussen zintuigelijke waarneming en de werkelijkheid is, is dan inderdaad een belangrijke vraag. Iets dat in de doofpot zit wordt, zolang het in die doofpot zit, niet zintuigelijk waargenomen, dus je mag je dan afvragen of de inhoud van de doofpot wel echt bestaat. Een verkrachting en moord op een meisje van 11 jaar (Marietje Kessels) door een Tilburgse pastoor bestond meer dan honderd jaren niet omdat het in een doofpot zat. Wat in een doofpot zit, is niet gebeurd. Een afgrijselijk voorbeeld natuurlijk. De daad was werkelijk, maar de dader bestond niet, want die zat in een doofpot. Heel effectief dus, die doofpotten.

Nu vraag ik me af of je met doofpotten (of koppen in het zand) ook vicieuze cirkels zou kunnen doorbreken. Mijn economische kennis is nog nooit zintuigelijk door iemand waargenmomen, dus maak deze zin zelf maar af. Wat ik van economie denk te begrijpen is dat de stabiliteit ervan afhangt van hoe wij de stabiliteit collectief ervaren. Als wij het gevoel hebben dat de economie wiebelt, dan gaat ‘ie vanzelf wiebelen. Bij zoiets ongrijpbaars als de economie kan het tóch in omgekeerde richting: als we denken iets zintuigelijk waar te nemen, dan gebeurt het ook. Als we er collectief van overtuigd raken dat er een crisis zichtbaar is, dan gebeurt die crisis dus ook. Natuurlijk raaskal ik. Of niet? Wat weet ik nou van economie? Misschien moesten we die hele economische crisis ook eens een paar decennia in de doofpot stoppen. We moeten de economie natuurlijk vooral blijven waarnemen, anders bestaat deze helemaal niet meer. Of is dat juist precies wat er aan de hand is? Door de bomen zien we geen bos meer. Door de crisis zien we geen economie meer. Niks crisis!

Powered by ScribeFire.

Opa Guru Willie Nelson

Er kwam een zonderlinge, oude man de camping opgelopen, zwaar leunend op zijn wandelstok vanwege een enorme rugzak op zijn rug. Zijn lange grijze haren wapperden in de wind die van het meer af kwam waaien. Hij begroette ons in het Zweeds met een luid “Hej”. Pal naast ons plekje liet hij zuchtend en steunend zijn hoog opgepakte rugzak van zijn rug glijden. De man rekte zich toen uitgebreid uit, streek zijn grijze haren naar achteren en draaide het handig in een lange paardestaart. Wat een rare oude indiaan, dacht ik. Hij deed me denken aan een andere oude indiaan: Willie Nelson.

Nadat de oude indiaan was uitgerust begon hij heel bedaard zijn hele rugzak uit te pakken. Er kwam een complete één persoons campeeruitrusting uit waaronder een tent die hij al even bedaard maar soepel opzette. Het was zo’n lichtgewicht tunneltentje met drie van die boogstokken erin. Hij zette hem helemaal in elkaar. Toen sleepte hij het tentje theatraal naar een plekje een meter of 10 verderop en pinde het daar met haringen vast. De oude indiaan keek, met zijn handen op zijn heupen, tevreden naar het resultaat. Heel grapping hoor om mij te laten denken dat je pal voor onze tent zou gaan staan met je tent, dacht ik geirriteerd.

De grijze grapjas draaide toen een beetje met zijn heupen en draaide van links naar rechts. En terwijl hij in de richting van het toiletgebouw liep, draaide hij wild zwaaiend mat zijn armen zijn schouders ook even los. Het zag er best soepel uit voor zo’n oude man die lopend met zo’n zware bepakking was aangekomen. Ik vond het er vooral ook nogal  uitsloverig uit zien. Wat een eigenaardige ouwe kerel, dacht ik.

De volgende ochtend, nogal vroeg, hoorde ik ineens een geluid dat verdacht veel leek op dat tuuuuut-geluid dat je hoort als je iemand belt. Blijkbaar had Malle Willie ook een mobieltje bij zich met een handsfree-functie. In de stilte van de ochtend begon de knakker dus uitebreid en handsfree te bellen. Er schalde een nasaal stemmetje over de camping dat Willie nogal luidruchtig en lachend met zijn bromstem beantwoordde. Wat een mafkees, dacht ik.

Die dag zag en hoorde je Willie regelmatig telefoneren. Steeds handsfree, zodat iedereen kon meegenieten. We hoorden verschillende stemmetjes uit zijn telefoon knetteren. Ik verstond er niks van. Al heen en weer wandelende over de camping, met zijn telefoon in de hand op hoogte van zijn borstkas, praatte Willie geannimeerd voor zich uit. Soms moest hij hard lachen, en dan werd er hard meegelachen door de persoon aan de andere kant van de lijn. Neem volgende keer je familie en zakenrelaties toch mee naar de camping, dacht ik.

Op het heetst van de dag – en het was nogal ongebruikelijk heet voor Zweden – kroop Willie Nelson in zijn tent om Siësta te houden. Hij liet de voor en achterflap van zijn tunneltentje wagenwijd open staan. Aan de ene kant zag je zijn grijze hoofd op zijn dunne armen liggen, en aan de andere kant twee oude, blote voeten met pleisters aan zijn grote tenen. Eigenlijk heeft Willie het prima bekeken, dacht ik.

Toen het te donker was om nog te kunnen lezen, en ook omdat de muggen niet van me af konden blijven, kroop ik in mijn slaapzak. Vanuit Willie”s tent klonk toen ineens weer dat getuuuut van zijn telefoon. Dit begon ik langzaamaan erg irritant te vinden. Even later werd er opgenomen. Er klonk een kinderstemmetje van de andere kant van de lijn. En toen begon Willie Nelson ineens te zingen. Heel zachtjes, en heel lief. Het was duidelijk een slaapliedje. Opa zingt een slaapliedje voor zijn kleindochter, dacht ik vertederd. Wat kan een mens zich vergissen, dacht ik daarna.

Opa Nelson vertrok op dezelfde dag van de camping als wij. Ik was als een bezetene alle matjes aan het leegrollen, de slaapzakjes aan het proppen, en onze hele campje aan het afbreken. Opa Nelson deed hetzelfde, maar dan op zijn dooie akkertje. Ineens hoorde ik Opa Willie de Indiaan in uitsteked Duits iets zeggen tegen een Duits echtpaar dat ook op de camping stond. Even later bleek hij ook een behoorlijk mondje Engels te spreken. Toen we van de camping afreden zagen we Opa Nelson weer bepakt en bezakt, verder wandelen. Een brede glimlach op zijn gezicht. Daar gaat een wijze, vriendelijke oude man die intens geniet van het leven, dacht ik.

Een wijze vrouw vertelde me later dat er een oud pelgrimspad langs de bewuste camping (Uskavi Camping by Siggebo/Nora) loopt. Toen ik me dat besefte steeg Opa Willie in mijn achting ineens tot guru.

Powered by ScribeFire.

Mazzeltoveren

Otto loopt over een smal pad in een heuvelachtig gebied. De heuvels zijn begroeid met lang gras dat zacht ruist in de wind. In de verte ziet Otto bomen, de rand van een bos. Dit bos moet Otto koste wat het kost bereiken, dat voelt Otto heel sterk. Dus neemt hij het pad dat hem er recht naartoe leidt. Geen omwegen, Otto is vastberaden.

Her en der hangen dunne nevels. Althans, zo zien ze er uit. Als Otto dichterbij zo’n nevel komt, ziet hij dat het een soort schimmige projecties zijn. Hij ziet bijvoorbeeld een torenspits, andere grote gebouwen en een straat met verkeer zoals vrachtwagens, auto’s en een motorrijder. Ook ziet hij mensen lopen. Otto hoort zelfs de geluiden van het verkeer, de voetstappen van de mensen op het trotoir, zelfs de stemmen van de mensen. De projectie beweegt langzaam heen en weer tussen de heuvels. De projectie breidt zich langzaam uit en krimpt dan ook weer om daarna weer uit te dijen. Alsof het ademt, alsof het leeft.

Ineens beweegt de vreemde projectie recht op Otto af en ziet hij dat hij precies op een tramspoor staat. Achter hem klinkt de bel van de tram. Otto wil opzij springen, maar bedenkt zich, want naast het pad dat hij volgt stroomt een beekje. De tram rijdt dwars door Otto heen, maar hij voelt er niets van. Hij ziet en hoort de mensen in de tram als deze door hem heen rijdt, maar de mensen zien Otto niet. Plotseling is de projectie weer een heel eind verderop. Otto ziet nog net dat de tram over een grote stalen brug over een brede en zo te zien diepe kloof rijdt. Dan trekt de projectie op als een nevel in de opkomende zon en is het verdwenen.

Otto loopt verder en ineens staat hij aan de rand van een diepe kloof. Het beekje stort zich er in de diepte. Otto herkent de kloof meteen, maar hij ziet zo 1-2-3 geen brug. Dat vindt Otto erg vervelend, want hij moet de kloof oversteken. Koste wat het kost! Plotseling ligt de mooie stalen brug zoals hij hem zoëven zag in die schimmige projectie, voor hem, alsof het er altijd al was. Wat een geluk! En wat stom dat hij de brug net niet zag! Zonder aarzeling betreedt Otto de brug en loopt naar de overkant van de kloof. In de diepte onder hem hoort hij het geruis van wild stromend water.

Midden op de brug staat Otto stil en kijkt hij over de rand naar beneden. Tot zijn grote ontzetting ziet hij dat het water dat daar stroomt bloedrood van kleur is. Er bekruipt hem een ijzig gevoel. Dit bloed heeft hij op zijn geweten. Otto kijkt op, in de richting van waar het water vandaan stroomt. Dan ziet hij de stad. Otto herkent de spits van de grote kerktoren in het midden van de stad. De kloof loopt dwars door de stad. Otto’s egoïstische wens om de kloof hier ter plekke te willen oversteken en de ongelooflijke mazzel dat er nog een brug is ook, werd vele mensen noodlottig. Door Otto’s toedoen verdween dezelfde brug in het niets, net op het moment dat er een volle tram over heen reed.

Otto de Magiër wordt zwetend wakker en zit rechtop in zijn bed. Zoals altijd is hij erg aangedaan door deze vreemde en akelige droom. Otto weet intussen heel goed wat deze regelmatig terugkerende droom betekent. Het is een waarschuwing dat het ook verkeerd kan gaan. Otto’s magie bestaat er namelijk uit dat hij het lot kan beïnvloeden, kan veranderen van koers. Daar is hij in al die jaren bijzonder handig in geworden.

Otto was als kind altijd al een ongelooflijke mazzelkont. Dobbelstenen deden altijd precies wat hij nodig had om te winnen. Omdat het anderen steeds meer opviel hield hij zich in en leerde dat hij zijn “mazzel” ook op anderen kon projecteren. Otto kan het “verloop van de dingen” zien. Of beter gezegd: Otto kan alle mogelijke verlopen van de dingen zien. Hij ziet ze als schimmige projecties, aan de randen van zijn blikveld. Hij kan er nooit rechstreeks naar kijken, want dan drijven ze weg. Maar hij kan ze wel bespelen en veranderen zodat de dingen toevallig precies gaan zoals dat het beste uitkomt voor hem.

In de jaren kreeg Otto een steeds uitgebreider beeld van het verloop der dingen en kan er spectaculaire kunsten mee uithalen, allemaal op het randje van wat kan worden gezien als gigantische mazzel. Otto noemt het daarom ook “mazzeltoveren”. De droom houdt hem scherp.

Powered by ScribeFire.

Sintels

Zo vaak in vuur en vlam geraakt door die geheimzinnige meisjes.
In de tijd van mijn leven waarin ik mezelf nog moest ontdekken.
Zomaar laaide dat dan op, die gierende verliefdheid.
Ze vulden stuk voor stuk mijn hele hoofd, mijn hele wereld.
Natuurlijk waren ze voor mij veel te mooi, veel te lief en veel te vrij.
Veel vaker heimelijk en alleen verliefd dan samen.
Allemaal vlammen die kort en heftig laaiden.
Heel lang bleven ze vuurrood nagloeien, licht opvlambaar.
Na al die jaren resten nog slechts grijze, zacht sissende sintels,
bijna helemaal uitgegloeid, maar nog steeds lekker warm.

Het lage woord overheerst

Lage woorden hoor je nooit, want ze hoeven er niet zo nodig uit. Ja, je hoort ze wel, maar ze komen niet uit boven het geroezemoes. Lage woorden zijn fijn. Lage woorden zijn aangenaam. Koetjes en kalfjes. Ladida. Lage woorden zijn de pasteltinten van het gesprek.

Als een woord gaat knellen, dan wordt het langzaam opgestuwd door de andere woorden. Het vervelende woord wordt veel te primair. Als een soort afweerreactie verdringen de lage woorden de dwarsligger. Het valt uit de toon en wordt er gewoon uitgewerkt. Weg met die dissonant. Verbannen uit de blije, zorgeloze wereld van de prettige, lage woorden.

Steeds meer druk komt erop het hoge woord te staan. Tot het niet meer te houden is. En dan ineens is het eruit. Daar, het is gezegd. Onherroepelijk hangt het in de ruimte en kan niet meer worden ontzegd. De spreker is opgelucht. Het onaangename is gezegd, en het werd ook wel eens tijd!

Even is het helemaal stil. Het hoge woord weerklinkt een tijdje na in de ruimte. Hoe potenter het woord, des te groter de reactie uit de omgeving. Als een heet kooltje wordt het over en weer gegooid. Alleen hele hete kooltjes gloeien lang genoeg om verdeling te kunnen zaaien. Maar de meeste doven te snel. En dan gaat het hoge woord weer op in het verstommende geroezemoes van de orde van de dag, weg gesust door vele lage woorden. Het lage woord zet de middentoon. Het lage woord overheerst.

Powered by ScribeFire.

de wereld draait en draait en draait

Pas geboren draai je onwetend papa en mama’s hele wereld om
Als peuter weet je het zeker: de hele wereld draait om jou
Als kleuter wil je weten waarom de wereld draait
Als puber weet je zeker dat de hele wereld tegen jou indraait
Als schoolverlater ligt de wereld aan je voeten te wachten tot jij er een draai aan geeft
Als verse ouder draait de hele wereld ineens om je kind
Als werkende ouder draag je de hele doldraaiende wereld op je schouders
Als je nest leeg is, voelt het alsof de wereld zich van je weg draait
Als gepensioneerde draai je nog eens goed om die mooie wereld
Als bejaarde draait de wereld steeds sneller aan je voorbij
En als je op je sterfbed ligt, weet dan dat de wereld zonder jou gelukkig gewoon doordraait

Powered by ScribeFire.

Niks en alles

Hier gebeurt regelmatig helemaal niks. Laatst ook weer. Soms gebeurt er wel drie keer niks op één dag (een vette knipoog naar Herman Finkers). En dan ineens gebeurt er een heleboel tegelijk in een periode van een dag of 10:

Ons kleine ventje en zijn moeder werden samen 2+38. We vierden het maar op de stukjes niks die er in de plotselinge drukte nog waren.

Onze grote vent mocht afzwemmen voor B. Mijn schoenen willen nooit meer aan mijn voeten blijven zitten. Te veel trots. Het regende kadoos en pannenkoeken.

Mijn echtgenote ging een week naar een congres in Italië. Op zondag om 4 uur ’s ochtends haalde  de luchthaventaxi haar op. Toen ze in het vliegtuig zat wandelde ik met mijn vier kinderen over het Dwingelderveld. We zwaaiden allemaal even naar de wolken. In die week gingen 3 van onze kinderen op schoolreis en werd 1 kind ziek. Ik was even vader op vol vermogen. Nee, dubbel vermogen. Er viel van alles om, maar het gaf niks. De boel bleef de boel.

Die zelfde week was ook mijn laatste week bij mijn vorige werkgever, waarin op de valreep een felle discussie losbrandde over “middelwaar”. Met de smeuïge IT-details zal ik je niet vermoeien, maar het uiteindelijke resultaat van de discussie is dat er niks veranderde. Ja, inderdaad, niks.

Mijn laatste werkdag bij mijn oude werkgever werd op de voet gevolgd door een afdelingsuitje bij mijn nieuwe werkgever. Oude baan ging over in nieuwe baan. Veel nieuwe indrukken, ook nogal letterlijk op het toetsenbord van mijn nieuwe laptop.

Nu mag er wel even een tijdje niks gebeuren. Niks is fijn. Niks is lekker. Ach weet je, eigenlijk vind ik niks maar niks. Ik heb geen rust in mijn gat. Ik vaar beter bij drukte en hektiek. Dan ben ik wakker en scherp. Teveel niks stompt me af. Maar teveel drukte mat me ook weer af en dan wil ik even niks. Heel even maar. Een weekje of wat kamperen in Zweden bijvoorbeeld. Niks dan eindeloze bossen, eindeloze dagen vol niksen met mijn gezin. Heerlijk. En dan weer gauw aan het werk. Te lang niks is niks en te weinig niks ook. Niks is alles en niks tegelijk.

Powered by ScribeFire.