filosofie

Niks en alles

Hier gebeurt regelmatig helemaal niks. Laatst ook weer. Soms gebeurt er wel drie keer niks op één dag (een vette knipoog naar Herman Finkers). En dan ineens gebeurt er een heleboel tegelijk in een periode van een dag of 10:

Ons kleine ventje en zijn moeder werden samen 2+38. We vierden het maar op de stukjes niks die er in de plotselinge drukte nog waren.

Onze grote vent mocht afzwemmen voor B. Mijn schoenen willen nooit meer aan mijn voeten blijven zitten. Te veel trots. Het regende kadoos en pannenkoeken.

Mijn echtgenote ging een week naar een congres in Italië. Op zondag om 4 uur ’s ochtends haalde  de luchthaventaxi haar op. Toen ze in het vliegtuig zat wandelde ik met mijn vier kinderen over het Dwingelderveld. We zwaaiden allemaal even naar de wolken. In die week gingen 3 van onze kinderen op schoolreis en werd 1 kind ziek. Ik was even vader op vol vermogen. Nee, dubbel vermogen. Er viel van alles om, maar het gaf niks. De boel bleef de boel.

Die zelfde week was ook mijn laatste week bij mijn vorige werkgever, waarin op de valreep een felle discussie losbrandde over “middelwaar”. Met de smeuïge IT-details zal ik je niet vermoeien, maar het uiteindelijke resultaat van de discussie is dat er niks veranderde. Ja, inderdaad, niks.

Mijn laatste werkdag bij mijn oude werkgever werd op de voet gevolgd door een afdelingsuitje bij mijn nieuwe werkgever. Oude baan ging over in nieuwe baan. Veel nieuwe indrukken, ook nogal letterlijk op het toetsenbord van mijn nieuwe laptop.

Nu mag er wel even een tijdje niks gebeuren. Niks is fijn. Niks is lekker. Ach weet je, eigenlijk vind ik niks maar niks. Ik heb geen rust in mijn gat. Ik vaar beter bij drukte en hektiek. Dan ben ik wakker en scherp. Teveel niks stompt me af. Maar teveel drukte mat me ook weer af en dan wil ik even niks. Heel even maar. Een weekje of wat kamperen in Zweden bijvoorbeeld. Niks dan eindeloze bossen, eindeloze dagen vol niksen met mijn gezin. Heerlijk. En dan weer gauw aan het werk. Te lang niks is niks en te weinig niks ook. Niks is alles en niks tegelijk.

Powered by ScribeFire.

Realtime Tao

Ken je het woord “realtime”? Helemaal van deze tijd, dat woord. Misschien denk jij bij dit woord ook aan snelheid en nú gebeurende dingen. Het bestaat uit twee delen: real en time. Los van elkaar weet iedereen wat de woordjes betekenen. Bij real denk ik zelf aan echt en waar, en bij time denk ik aan tijd. Waarachtige, echte tijd. Dingen die in echte tijd gebeuren, gebeuren echt én keurig op tijd. Snel is dan maar een relatief begrip die je er zelf aan toevoegt. De belofte dat het binnen de verwachte tijd gebeurt is de kale betekenis. Een duidelijk geval van Yang.

Dan is er ook een Yin-kant. Dat moet, want anders is er geen balans en vallen we om. Ik zie drie mogelijkheden: valse tijd, echt tijdgebrek en vals tijdgebrek.

valse tijd:
Dingen die in valse tijd gebeuren, gebeuren niet echt of op oneerlijke wijze, maar wel keurig op tijd. Ik kom dan uit op tijdig bedrog.

echt tijdgebrek:
De tegenhanger van tijd is tijdloosheid, tijdgebrek. Dan krijg je dat dingen echt niet op tijd, of echt nooit gebeuren. Er is wel een belofte, maar geen tijd, dus gebeurt er echt niks. Dan kom je dus al net zo bedrogen uit: valse beloftes.

vals tijdgebrek:
De combinatie levert vast niks beters op. Het gebrek aan tijd is dan gebaseerd op een leugen. Er wordt een smoes verzonnen om iets niet te hoeven doen. Iets dat niet gebeurt onder het mom van vals tijdgebrek zou prima kunnen gebeuren binnen redelijke tijd, maar er zijn andere belangen die verzwegen worden, verschuilend achter een te volle agenda. druk druk druk!

Heel duister dus die Yin-kant van realtime. We moeten er blijkbaar mee leven, want anders kan de Yang-kant niet bestaan. De Yang-kant stellen we erg op prijs, want de dingen gebeuren wis en waarachtig op tijd. Maar hoe zit het dan met de uitdrukking: eerlijk duurt het langst? Ach, als het maar binnen afzienbare tijd echt gebeurt, vind ik het allemaal nog heel Yang.

Powered by ScribeFire.

Ontloop je beslommeringen niet

Dit is beslist het zwaarste woord van de Nederlandse taal: beslommering. Spreek het maar eens uit: buh-slom-me-ring. Vooruit, nog eens: buh-slom-me-ring. Zo zwaar op de tong. Alleen het meervoud ervan is nóg zwaarder. Op gegeven moment krijg je de smaak van droge aarde in je mond. Beslommeringen zijn heel aards, vandaar die smaak. Oppergod Odin stuurde zijn zoon Thor zelfs op stage bij de aardbewoners, om te leren wat beslommeringen zijn.

Als ik een beslommering herken voor wat het is, dan wil ik er met een grote boog omheen lopen, want er liggen namelijk al genoeg beslommeringen op mijn schouders. Een beslommering is een last die je lang met je meedraagt. Een beslommering vermoeit. Een beslommering kom je niet gemakkelijk vanaf. Een beslommering is een soort wurgcontract dat je ooit vrijwillig en met energie aanging.

Beslommeringen vermommen zich vaak eerst als verlangens en dromen. Je kunt verlangen naar een eigen kind, dromen van een eigen huis, hunkeren naar meer aanzien en macht. De beslommering komt uit zijn schulp als de verantwoordelijkheden om de hoek komen kijken. En soms liggen de naakte beslommeringen gewoon ineens voor je voeten. Hulpeloos kijken ze je aan.  Íemand moet het toch doen, denk je bij jezelf, en je hebt er weer een verantwoordelijkheid en een zorg bij.

Gelukkig kunnen beslommeringen draaglijk worden gehouden door waardering en erkenning. Met een compliment kun je er weer maanden tegenaan. Ironisch genoeg zien we een uitbreiding van verantwoordelijkheden (promotie) ook als een erkenning. Mensen die al veel verantwoordelijkheden en zorgen hebben, kunnen meer hooi op hun vork erbij hebben dan mensen met weinig verantwoordelijkheden. Als je al veel kinderen hebt, dan kan er nog makkelijk eentje bij. Leiderschap over en verantwoordelijkheid voor steeds meer mensen gaat je steeds makkelijker af. Beslommeringen maken je dus ook meer flexibel, veerkrachtiger, sterker en robuuster. Kortom: ontloop je beslommeringen niet, want ze maken je een beter mens. Begrepen Thor?

Powered by ScribeFire.

Een rat kan niet kotsen

Het schijnt dat ratten niet kunnen kotsen. Ik las dit toevallig op wikipedia omdat ik wilde weten welke kleur gal heeft. Omdat ik een verband zag met ergernis, dacht ik aan een mengsel van groen en geel. Klopt dus als een bus. Ik leerde er ook nog even bij dat groengeel in het Grieks cholè is, en dat De Klere (Cholera) dus is vernoemd naar de gal. Maar die arme ratten hebben geen galblaas. En daarom worden ze dankbaar gebruikt in onze laboratoria, want ze kunnen immers toch niet kotsen.

Zeg nou zelf, dat is toch bijzonder praktisch? Het scheelt een heleboel viezigheid en zure stank in je laboratorium. Je kunt een rat volproppen met allerlei chemicaliën zonder dat het beest deze – volkomen terecht – weer uitbraakt. Mensen die zwaar op de hand zijn noemen we cholerisch en zwartgallig. Deze mensen hebben blijkbaar een overactieve galblaas en spuien voortdurend gal. Maar een rat is fysiek niet in staat om gal te spuien. Dus je zou kunnen zeggen dat ratten van nature altijd heel zonnige karaktertjes hebben. Nooit zwaar op de hand, altijd blij en optimistisch. Ratten kunnen niet klagen. De ironie is hier zo schrijnend. Ik wordt er gewoon gallisch van!

Powered by ScribeFire.

De Worst

Voor mij hangt een verse worst. Hij ziet er mals uit. Het water loopt me in de mond. Ik weet natuurlijk niet of de worst ook echt lekker zal smaken. Ik weet zelfs niet eens of ik erin mág gaan happen. Vooralsnog bungelt die worst voor mijn ogen.

Eigenlijk vormt de worst geen bittere noodzaak voor me, want ik heb opzich al een hele fijne worst. En die worst smaakt nog steeds naar meer. Kortom, ik ben best tevreden over mijn huidige worst.

En toch, en toch… wat hangt daar een verleidelijke worst. Ik móet beslissen. Wanneer proef ik de bittere nasmaak van de spijt? Als ik niet toehap, of als ik wel toehap? Altijd hetzelfde lied.

Powered by ScribeFire.

Lunchen met oersoep

Mijn oudste zoon leest nu op school (groep 5) over de oude Grieken. Mijn papadag is wat dit soort informatie betreft echt geweldig. Op die dag eten de kids tussen de middag hun bammetje lekker bij papa en overspoelen ze mij met alles wat hen bezig houdt. Deze keer zijn het dus de oude Grieken. Het begon met deze vraag: “Papa?”. Aan de manier waarop hij alleen dat al vroeg hoorde ik al dat er iets moois ging komen. Aan “Papa?” ging namelijk eerst een voorpretgiecheltje vooraf.

“Ja?”, antwoord ik. “Nou..um..weetje?”, gaat hij verder. “Neetje”, zeg ik automatisch. “Ja wat was er eerst, de kip of het ei?”, floept er nu uit. En daar komt de rest van de giechels. Het blijkt dus napret te zijn van iets waar hij in de klas die ochtend mee bezig was. De oude Grieken dachten erg veel na over moeilijke vragen. “Tja, wat denk je zelf?”, vraag ik terug. “Ja, het ei natuurlijk”, zegt hij vol overtuiging, “want die heeft God gewoon gemaakt”.

Nou leef ik zelf een volkomen goddeloos bestaan. Zo ben ik opgevoed. Ik heb van huis uit helemaal niets meegekregen over het geloof en ben qua Bijbel- en Korankennis volkomen blanco. Geloof was voor mij lange tijd iets met even je ogen dicht doen en je handen vouwen voor het eten of zo. Onwetendheid maakt bekrompen. De kinderen kregen op hun vorige school en van hun moeder wel het nodige mee en bekijken de wereld daarom een beetje anders als ik. Dat is ook goed. Hun algemene opvoeding is daardoor hopelijk breder dan die van mij.

“Dat zou kunnen, en ik denk dat je gelijk hebt”, zeg ik dan, “maar ik geloof niet in God maar in de Oerknal en de Oersoep”. Die woorden leveren een hoop gegiechel en gegrinnik op. Hoewel ik ook geen oersoep-expert ben doe ik toch mijn best. Ik leg uit dat het eerste leven bestond uit hele kleine beestjes die je alleen onder een microscoop kon zien. Ze zwommen in de “oersoep” (water) en bestonden uit één celletje. Die beestjes maakten kindjes zonder dat daar eieren of mama’s met dikke buiken voor nodig waren. Ze braken gewoon doormidden en elke helft groeide weer dicht.

Ik maak grote sprongen, want ik ben bepaald geen expert. Ik redeneer dus verder dat er steeds meer van die beestjes kwamen en dat die allemaal voedsel nodig hadden om die kindjes te kunnen maken. Ze gingen dus op gegeven moment elkaar opeten. Daardoor moesten ze dus zorgen dat ze konden jagen en zorgen dat ze zelf niet werden opgegeten. Aan dat ene celletje had je dus niet meer genoeg. Je moest cellen maken voor onder andere een maag, tanden en vinnetjes om weg te zwemmen voor grote enge beestjes en om zelf achter andere lekkere beestjes aan te zwemmen.

Die zee raakte dus vol met allerlei soorten zwemmende beestjes die er alles aan deden om te overleven. Met een buik vol kindertjes ben je makkelijker te vangen, dus moest je die kindjes misschien maar beter buiten je lijf groeien. Zo ontstonden de eerste eitjes. Het werd erg gevaarlijk in de zee, dus kropen ze aan land en gingen ze pootjescelletjes maken en nog veel meer celletjes want ze waren ontzettend groot. Reusachtige, verschrikkelijk enge dino’s. Ze hadden hele grote achterpoten, hele kleine voorpootjes en een hele grote bek vol scherpe tanden. Dino’s legden ook eieren om hun kindjes in te groeien. De kip zoals wij haar nu kennen bestond toen nog lang niet, maar de monsterlijke oermoeder van die kip wel. Dus, ja, het ei was er eerst, geloof ik.

De kinderen hebben het met grote ogen aangehoord. Mijn oudste denkt dan even na en zegt dan dat het toch best wel heel erg knap is als je dat van die celletjes en die oersoep allemaal kunt bedenken. Dat vind ik op dat moment zelf ook best knap. Maar langzaam bekruipt me het gevoel dat hij met “je” niet zijn vader bedoelt.

Powered by ScribeFire.