Taal

Struikelpartijen over taalkronkels

Proberen te trachten

Iemand schreef in een e-mail aan mij dat hij zou trachten om er op het afgesproken tijdstip te zijn. Trachten. Dat lijkt mij een uitstervend woord. Ik hoor het in ieder geval nooit iemand uitspreken. In geschreven vorm kom ik het heel soms nog wel eens tegen. Dat zijn dan heel ernstige, formele teksten. Trachten is hetzelfde als proberen, maar dan serieuzer, meer officieel. Trachten is proberen waarbij je extra je best doet. Trachten is koninklijk proberen. Beatrix tracht. Je heurt het haar zo zeggen.

De mailer van hierboven trachtte mij dus duidelijk te maken dat hij serieus zou proberen om op tijd te zijn. Hij heeft welliswaar moeite met op tijd komen, maar hij gaat het trachten. Onder voorbehoud van alles waar hij geen invloed op dacht te hebben. Hij was ruim een uur te laat, maar hij had het uit alle macht getracht. Ondanks het feit dat ik voor deze afspraak zelf extra vroeg voor van huis was gegaan trachtte ik er dan maar geen punt te maken. Hij had het immers getrácht.Op tijd komen ís ook best moeilijk. Ik weet daar alles van. Misschien moest ik het zelf ook maar eens wat vaker proberen te tráchten. 

Zware woorden

Behang, Lommerrijk, Beslommering, Klamboe, Gedoe, Balk en Ballon. Loodzware woorden. Qua klank voelen ze voor mij als het laten neerploffen van een mud aardappelen die je kilometers lang op je schouders hebt gedragen. Het komt volgens mij door de manier waarop ik ze zelf uitspreek. Ik heb namelijk een dikke tongval (ook al zo’n vermoeiend woord).

Mijn “L” ligt ver achter in mijn mond. Het kost moeite om hem op gang te brengen.

Mijn “B” zou je moet filmen met zo’n high speed camera. Mijn hele gezicht, hals en nek golven mee door de geweldige schokgolven die ik ermee veroorzaak.

Achter mijn “M” klinkt een diep geaard gegrom die ik vanuit mijn bekken naar boven stuw.

Eenmaal uit mijn mond geslingerd heeft mijn “T” zoveel massa dat de eerstvolgende twee lettergrepen mee de diepte in worden getrokken.

En dan mijn “G”. Die haal ik ergens heel diep uit de aarde via mijn voetzolen. Het giert langs mijn ruggewervels omhoog naar mijn strot. Mijn gezicht vertrekt zich alsof ik moet kotsen en dan komt het naar buiten als het geluid van over elkaar schurende bakstenen.

Ik ben een geboren Groninger. De dikke tong is erfelijk. In het zuiden is de taal veel lichtvoetiger. Zachte zoevende geluidjes brengen ze daar voort. Kost nauwelijks moeite. Moeite. Mijn God, wat een zwaar woord ook. Ik hou er maar over op, want ik wordt er doodmoe van. Gegroet.

Luisterrijke taal

Toch bijzonder dat iets na een opluisterbeurt, er beter uit ziet. Ik denk bij luisteren vooral aan horen en niet aan zien. Laatst hoorde ik ook iemand over een tuin zeggen dat deze heel luisterrijk was. Oudbollig taalgebruik, maar weer dat luister. 

Na even googlen kom ik erachter dat het woord “luister” ontleend is aan het Franse “lustre” en dat op haar beurt van het Italiaanse “Lustro”. Het betekent glans, schittering en glorie. Ons werkwoord opluisteren betekent dan zoveel als oppoetsen tot het glanst. Schone schijn?

Wij Nederlanders luisteren ook bij het horen. Waar komt dat dan weer vandaan? Duitsers hören alleen maar. Dus daar komt het niet vandaan. Het is vast wel weer van een andere taal ontleend. Om ons taaltje op te leuken, ja, op te luisteren. Schitterend toch, taal?

Sascha de Boer versus Lange Frans

Wat hebben onze NOS nieuwslezer Sascha de Boer en rapper Lange Frans met elkaar te maken? Op dit moment nog niks, maar als het aan mij ligt gaat Sascha in logopedische therapie bij die lange rapper. Misschien moet hij haar leren rappen in straattaal. Misschien dat ze dan dat afschuwelijke, Gooise erretje kwijtraakt.

De Nederlandse R hoort namelijk fatsoenlijk te rollen, vind ik. Mensen die de R stevig kunnen laten rollen genieten meteen mijn respect, net als mensen met en stevige handdruk. Net zomin als ik hou van een klef en slap handdrukje, hou ik ook niet van een klef en slap uitgerold erretje. Het toppunt is nog wel dat de mensen die die slappe R bezigen de R meestal op twee manieren uitspreken. Een prachtig woord als “rabarber” begint dan met een soort Franse, achterin-de-keel-R en heeft twee slappe erren. Getverrrrr.

Sascha de Boer – die overigens een geheimzinnig glimlachje heeft waar de Mona Lisa een puntje aan kan zuigen – beheerst de moderne, slappe R als geen ander. Alhoewel, “beheersing” is hier een slechte keuze. Het is eerder een gebrek aan beheersing. Slap gedoe is het gewoon. Ik erger me al sinds Kinderen-voor-Kinderen aan de slappe R en had eigenlijk alle hoop op verbetering opgegeven. Mijn eigen kinderen slap-erren vreselijk mee en ik corrigeer ze nauwelijks nog. Zelf hou ik wel moedig stand en blijf daadkrachtig rollen (en ik geef een stevige vijf).

En dan komt er ineens hoop uit een onverwachte hoek: de Nederlandse rapmuziek. Ik ben geen uitgesproken fan van de Nederlandse rapmuziek, maar hun erren zijn echt fenomenaal. En je hoort de jeugd deze nieuwe strakke erren overnemen. Daarom stel ik voor dat Sascha leert rappen. Of zullen we gewoon Lange Frans nieuwslezer maken? Ik zou het heel verrrrfgissont vinden.

Ontdooid

Ontplooid ben je vrij van plooien
Ontdaan ben je als je uit je doen bent
Onthutst ben je als je niet verder onthut kunt worden
Ontfrutseld ben je frutselvrij
Onteerd ben je eerloos
Ontwapend ben je weerloos
Ontkleed ben je bloot
Ontbloot ben je juist aangekleed
Ontlucht snak je naar adem
Ontgaan ben je aangekomen op je bestemming
Ontstemd ben je sprakeloos
Ontkomen ben je ontvlucht
Ontvreemd ben je genormaliseerd
Ontmoet ben je vrij van alle plichten
Onthaast wordt het groene knolleknollenland
Ontgroend ben je niet langer groen
Ontwaard ben je niet langer waar
Ontdooid ben je niet langer dood

Doendenken en beginzin

Eerst denken, dan doen, zei mijn vader altijd tegen me. Met pedante nadruk op eerst en dan. Het zeggen ervan was volgens mij een soort mantra geworden. Hij zei het automatisch, bij alles wat ik in zijn ogen verkeerd deed. In mijn beleving zei hij het te pas en te onpas. Meer onpas dan pas eigenlijk. Ach, misschien had hij toch gelijk en was het toch wel meer te pas. Ik denk namelijk terwijl ik doe. Dat kan prima. Je zou kunnen zeggen dat ik toch heel letterlijk eerst denk en dan doe, maar dan in hele minuscule stapjes. denk-doe-denk-doe-denk-doe-denkdenk-doedoe. Niet te veel vooruit kijken, en steeds bijsturen. 

Het doel dat ik wil bereiken heb ik altijd wel vrij helder. Maar ook met een doel dat ik nog niet helemaal scherp heb, kan ik al beginnen te doen. Ik weet immers al waar ik ongeveer wil uitkomen en zie wel hoe ik er kom. Niet teveel plannenmakerij dus. Plannen vind ik maar niks. Mijn vader hoopte dat wel in mijn hersenen te spoelen met zijn mantra, maar helaas, ik ben een doendenker. Ik doe en denk simultaan. De mantra is wel altijd blijven nagalmen in mijn hoofd. Het draait er rondjes en veroorzaakt kleine wervelstormpjes. In het geraas hoor ik enkel 2 woorden: denken-doen-denken-doen-denken-doen-denken-doen-denken. Doendenken dus.

Dit jaar op 24 april zal ik al weer 14 jaar in het zelfde huwelijksbootje varen als mijn lieve echtgenote. Al 14 jaar probeert ze me hetzelfde te leren als mijn pa: Gebruik nou eens je hoofd! Ze bedoelt hetzelfde: éérst denken, dán doen. Ze heeft natuurlijk gelijk, want dat heeft ze altijd. Het probleem is ook niet dat ik niet wíl nadenken. Mijn handen gaan meteen aan de slag bij het zien van het licht. Daarvoor hoef ik niet alles helemaal door te denken. En terwijl ik dan druk doende ben, gaat de denkmachine vast verder om beter op dat licht af te stemmen. Dit is het patroon: evenkortdenkedenkedenke-licht!-doen-denken-doen-denken-doen-denken.

Nu is er ook nog dat oude gezegde: Bezint eer ge begint. Je raadt het al, daarmee kan ik slecht uit de voeten. Ik bezin zeg maar precies genoeg (volgens mijn metingen) en ga aan de slag. Ik ben een doendenker met teveel beginzin. Het gekke is wel dat dit gedrag zich 180 graden draait als ik iets moet doen dat ik niet leuk vind. Dan kan ik alleen nog maar denken, eindeloos denken. 

Boterham

Het is een sneetje van een brood. Een sneetje worst noemen we dan weer een plak. Tenminste, als het niet te dik gesneden is, want dan wordt het een homp of een stuk. Een plakje wortel is dan weer een schijfje.

En alleen bepaalde sneetjes brood mag je boterham noemen. Ik heb geen scherp afgekaderde definitie, maar stokbroden kun je bijvoorbeeld geen boterhammen van snijden. Dus niet al het brood is boterhamwaardig.

Ik begin te vermoeden dat de vorm van de broodplak bepaalt of het een boterham mag heten of niet. Een soort paddestoel met een dikke steel. Die vorm denk ik aan bij een boterham. Maar ik noem een plak vloerbrood ook een boterham. Die plakken hebben de vorm van de hoofdletter D. Misschien is het toch niet de vorm.

En dan nog het woord zelf. Ja, op een sneetje brood is boter vrij standaard, maar ham niet. Of was vroeger toen de boterham werd uitgevonden ham het enige beleg dat bestond? Hier kom ik niet uit.

Wikipedia raadplegen leert me dat de herkomst van het woord onduidelijk is. Vroeger werd een sneetje brood ook wel een “rammel” genoemd. Een mogelijk oorsprong daar weer voor ligt in België, want daar noemen ze een geroosterde boterham een rammeke. Zie je wel, het ligt dus niet aan ons Nederlanders dat wij over boterhammen spreken. Die rare Belgen toch 🙂

Bek-lijven

Wat een gedrocht van een werkwoord is dat toch: beklijven. Ik lees dus altijd bek-lijven in plaats van be-klijven. Voor hetzelfde geld is “beklijven” gewoon het meervoud van beklijf. Godsamme wat heb jij eigenlijk een ontzettend beklijf! Je bent gewoon één en al bek, zo’n grote bek heb jij. Een soort pacman eigenlijk. Beklijven is dus een bommelwoord. Dat is een woord dat je op meer dan één manier kan lezen of uitspreken, zoals het welbekende bommel-ding.

Iemand vroeg me ooit eens om dit rijtje hardop te lezen:

barneveld
beneveld
theepottuitje
pijpetuitje

Juist: bene-veld en pijpe-tuitje. Nog twee bommelwoorden.
Dit geinige rijtje kan dus mooi worden uitgebreid met:

olijven
beklijven

Lelijk als het woord ook moge zijn, het wordt wel vaak dankbaar gebruikt als een soort excuus wanneer je nieuwe materie niet zo 1-2-3 allemaal kunt bevatten. Het duurt gewoon even voor nieuwe kennis bij mensen beklijft. Voor het blijft hangen dus. Ik doe het nu zelf ook, in mijn nieuwe baan. Gelukkig mag een nieuwe medewerker zich in het begin meestal nog fijn achter zijn (of haar) beklijfproces verschuilen. Ik mag nog ongegeneerd glazig kijken als ik in een vergadering weer eens een term hoor langskomen die ik nog niet kan plaatsen. “Eh, misschien een gekke vraag, maar wat is een TAO?”, vroeg ik nog in mijn proeftijd tijdens een bijeenkomst vol TAO-deskundigen (zo bleek achteraf). Ik zag de verbijsterde blikken best. “Ja, sorry hoor, het moet allemaal nog gaan beklijven voor me”, zei ik dan maar. De verbijstering sloeg meteen om in sympathie.

Ik merk dat dingen bij mij  sneller beklijven als ik het opschrijf. Kortom: schrijven doet beklijven. Dus wie schrijft, beklijft. En laat er nou ook nog dit spreekwoord zijn: blijven doet beklijven.  En daarmee is het kringetje mooi rond.

Toetenbordmissers en andere vergistingen

kaksalon
behanglijk
uitlaatgasten
paalwagens
klankenkoorts
kakkeloos
gebakzucht
komische straling
nachteloosheid
grachtwagen
zeefvliegtuig
groeisport
zalmnoten
gromfiets
visangst
ontbezeming
zwemleer
ruitvliegjes
flutsignaal
ijskraan
gansspoelmiddel
van het kastje naar de buur
ballondeuren
gifantisch
zuurpiet
gilworst
konijnekaas
koehappen
lachsalto

Powered by ScribeFire.

Mits tenzij

Laatst hoorde ik iemand zeggen: “Ik geef een positief advies, tenzij aan bepaalde voorwaarden is voldaan”. Dat klopt niet. Ja, mits een positief advies nadelig is voor degene die het krijgt natuurlijk. Een “tenzij” is een lichtpuntje: U stort in die afgrond, tenzij u vleugels krijgt. Een “tenzij” is een ontsnappingsmogelijkheid. Wij houden van tenzijs, want ze zijn hoopgevend.

Het moet dus eigenlijk zijn: “Ik geef positief advies, mits…”. Dat miljoenencontract ligt binnen handbereik, nu alleen nog wat mitsen wegwerken. Wij houden van mitsen noch maren. Mitsen geven een ongemakkelijk gevoel. Een mits heeft altijd een kleine maar reële kans van falen: “De WA-verzekering is een prima verzekeringetje hoor meneer, mits er geen hagelstenen van 7 centimeter op uw dak vallen…”, zegt de autoverzekeringsverkoper geruststellend maar vervolgt dan met: “maar dat komt toch eigenlijk nooit voor…”. De verkoper merkt dat zijn klant nu twijfelt en dan komt de inkopper: “Ja, tenzij dat met die opwarming van de aarde inderdaad vaker gaat voorkomen”. Bingo, de twijfel is weggenomen en de klant gaat toch voor de WA+ met hogere premie.

Kortom: gebruik “mits” tenzij je hoop wilt geven en gebruik “tenzij” mits je twijfel wilt zaaien.

Powered by ScribeFire.