alledaagse dingen

Wie slim is hoeft niet sterk te zijn

Dat ‘ie slim is, dat wist ik natuurlijk al lang. Maar dat ‘ie “cool” is, dat is een nieuwe ontwikkeling. Hij en ik doen tegenwoordig elke vrijdagavond samen boodschappen. Dat is heel gezellig. En handig bovendien, want hij denkt aan dingen waar zijn vader nooit aan zou denken. Dus daarom hebben we morgen ook een bessensausje voor over de griesmeelpudding.

Bij de kassa helpt hij me om alle boodschappen op de band te leggen. Als alles erop ligt staart hij gefixeerd naar de kassa-display om te controleren wat het kassameisje langs het oogje bliept. De lettertjes en cijfertjes die op het display verschijnen worden via zijn ogen zijn wondere brein ingezogen. Daar wordt de informatie op honderden lopende banden door zijn fantastische verbeelding getransporteerd. Zijn oogjes staan op oneindig. Hij lijkt er helemaal in op te gaan. Ik weet intussen dat hem op zo’n moment niets ontgaat van wat er om hem heen gebeurt.

Als alle boodschappen zijn afgebliept, laat hij zijn hand op de lopende band van de kassa mee gaan. Totdat zijn arm maximaal is uitgetelescoopt zodat de band onder zijn hand doorglijdt. Ineens vraagt het kassameisje aan hem: “Ben jij sterk genoeg om de band te kunnen tegenhou…?”. Nog voor dat ze haar zin af heeft, houdt hij heel cool zijn vingertje voor het sensortje aan het einde van de kassaband. De band stopt meteen, en het kassameisje is totaal verbluft. “O, dat doe ik altijd zo”, zegt hij. “Hij hoeft niet sterk te zijn, want hij is heel slim”, zeg ik trots en ik aai zijn haren eens goed door de war. Ik voel mijn mondhoeken naar mijn oren trekken. Lopen er even later een licht grijzende vader met zijn slimme slungel met onuitwisbare grijnzen op hun smoelen de winkel uit.

Engelen der verloren voorwerpen

Je weet zeker dat je het ergens op zolder hebt zien liggen. Het zit beslist in één van de verhuisdozen. Toen je laatst zocht naar dat andere dingetje, kwam je het nog tegen. Maar waar precies? Meticuleus maak je alle dozen open en kamt ze zorgvuldig uit. Het ding dat je zoekt kom je natuurlijk niet tegen. Wél dat ene dingetje dat je laatst niet kon vinden, ook al weet je zeker dat je de doos waar je het nu in tegen komt zorgvuldig en systematisch hebt doorzocht.

Je weet ook dat je het uiteindelijk vindt, na veel te lang zoeken. Het ligt op het allerlaatste plekje waar je kijkt. In het volle zicht! Het helpt niet om dan in de omgekeerde volgorde te gaan zoeken, want de regel gaat altijd op. Altijd! Om gek van te worden. Hier zit de God der gezochte voorwerpen achter. Hij beschermt de dingen die niet gevonden willen worden, of zorgt er dan tenminste voor dat ze zo lang mogelijk onvindbaar blijven. Een heilige plaaggeest is het.

Nu kunnen wij zoekende stervelingen een beroep doen op de Engelen der verloren voorwerpen. Blijkbaar kunnen zij Hem in al Zijn allomtegenwoordigheid verzoeken de locatie van het verloren artikel te duiden als je het heel nederig verzoekt. Op miraculeuze wijze komt die locatie dan tot je, in een droom bijvoorbeeld. Ik parkeer die optie even bij de pogingen der wanhoop.

Het mooie is dat je je helemaal niet tot opperwezens hoeft te wenden. Als er namelijk iets is waar een gezocht voorwerp niet tegen kan is dat er niet naar wordt gezocht. Ga gewoon heel actief niet zoeken naar het verloren voorwerp. Wat uitstekend werkt is zoeken naar iets anders. Of ga gewoon lekker slapen. De kans is groot dat je ’s nachts ineens wakker wordt en denkt: “stom, het ligt gewoon in de garage, op die doos met al die kinderlaarsjes”. Niks wonderlijks aan.

Powered by ScribeFire.

Boterham

Het is een sneetje van een brood. Een sneetje worst noemen we dan weer een plak. Tenminste, als het niet te dik gesneden is, want dan wordt het een homp of een stuk. Een plakje wortel is dan weer een schijfje.

En alleen bepaalde sneetjes brood mag je boterham noemen. Ik heb geen scherp afgekaderde definitie, maar stokbroden kun je bijvoorbeeld geen boterhammen van snijden. Dus niet al het brood is boterhamwaardig.

Ik begin te vermoeden dat de vorm van de broodplak bepaalt of het een boterham mag heten of niet. Een soort paddestoel met een dikke steel. Die vorm denk ik aan bij een boterham. Maar ik noem een plak vloerbrood ook een boterham. Die plakken hebben de vorm van de hoofdletter D. Misschien is het toch niet de vorm.

En dan nog het woord zelf. Ja, op een sneetje brood is boter vrij standaard, maar ham niet. Of was vroeger toen de boterham werd uitgevonden ham het enige beleg dat bestond? Hier kom ik niet uit.

Wikipedia raadplegen leert me dat de herkomst van het woord onduidelijk is. Vroeger werd een sneetje brood ook wel een “rammel” genoemd. Een mogelijk oorsprong daar weer voor ligt in België, want daar noemen ze een geroosterde boterham een rammeke. Zie je wel, het ligt dus niet aan ons Nederlanders dat wij over boterhammen spreken. Die rare Belgen toch 🙂

Spinnenleed

bron: zoom.nl

Vanochtend was mijn wereld weer eens in dichte nevels gehuld. De bomen langs het weiland waren vagen schimmen. Daarachter was alles verdwenen. Maar bepaalde dingen worden door de mist juist extra goed zichtbaar: Spinnewebben. Overal om me heen zag ik prachtige, glinsterende draden en witte webben. Vroeger, als ik door de mist naar school liep, dan maakte ik een lus van een soepel takje en ging dan spinnewebben vangen. Vooral die fijne, dichte webjes zijn mooi om te vangen. Na een stuk of 25 webjes krijg je een heel taai velletje. Sterker dan plastic. Dat ik het vlijtige werk van vele kleine spinnetjes had vernield, en dat ze geen vliegjes konden vangen en dus honger zouden krijgen, ging ik helemaal aan voorbij. Hoe wreed is dat?

Op deze mooie nevelige ochtend hadden de spinnen de auto alweer gebruikt om hun webben te verankeren. Het is natuurlijk weer volop spinnentijd, dus loop ik weer elke ochtend met mijn gezicht tegen onzichtbare draden aan. Zelfs als ik met mijn armen voor me uit zwaai. Dankzij de mist kon ik nu wel precies zien waar die draden liepen. Dus ik manouvreerde mezelf over en onder de draden om ze niet kapot te maken. Maar om in de auto te kunnen stappen moest ik toch echt het portier open maken. Daar ontwrichtte ik dus het eerste web. Onbruikbaar viel het in de buxuscubus. Total loss. En toen ik even later achteruit de oprit afreed, trok ik ook de andere spinnewebben mee. Eén voor één schoten ze los. Wat een drama! En ik doe het morgen ijskoud weer. Hoe wreed is dat?

Webben vangen doe ik al lang niet meer, en misschien moest ik het mijn kinderen ook maar niet leren. Maar de auto laat ik niet staan. Misschien moet ik de auto vanavond maar eens met groene zeep insmeren. Zou dat helpen? Ach, wat huichel ik nou toch weer. Ik griezel van spinnen. Als ik eerlijk ben koester ik niets dan wreedheid tegen spinnen. Het schijnt dat chimpansees dat ook hebben. Zie je wel, Darwin heeft dus weer gelijk.

Powered by ScribeFire.

Dankjewel voor het lekkere leven

dochter: Mag ik van tafel?

papa: Zijn we dan allemaal al klaar met eten?

dochter: O, nee. (mondje pruilt, diepe zucht) Waarom dúúrt het zo lang?

papa: Hee, hou es op met je gezeur. We wachten altijd netjes tot iedereen klaar is met eten

dochter: Ja, hallo, ik ben al lang klaar hoor! (fronsende wenkbrouwtjes, armpjes boos over elkaar)

papa: Zo, nu is iedereen klaar met eten. Zeg maar…hooo, waar ga jij heen?

dochter: Ja, hallo! Iedereen is toch klaar, dan moch ik toch van tafel ja?!

papa: eerst nog even?…

dochter, verbolgen mompelend: O. Ja. dankjewelvoorhetlekkereetenzeggen…

papa: heel goed. nou, toe dan?

dochter, heel snel terwijl ze even snel tegen haar stoel aan leunt in plaats van even weer te gaan zitten: Dank-je-welllll voor het lekkere eten – en zoef weg rent ze.

Mijn zoontjes zeggen het deze keer wel heel netjes met aureooltje boven hun schijnheilige koppies en armpjes overdreven netjes gevouwen…

Het gaat niet altijd zo hoor, maar wel vaak. Het zijn simpele regeltjes die wij heel belangrijk vinden. Eten doen we zoveel mogelijk gezamenlijk, en we wachten netjes tot iedereen is uitgegeten. Treuzelaars daargelaten, dat ook wel weer.

Dat “dankjewel voor het lekkere eten” zeggen is onze manier om heel kort even stil te staan bij het feit dat we gezond zijn en weer een bord vol eten hadden. Wij bidden niet en gaan alleen naar kerken om ze te bezichtigen. Gezond zijn en iedere dag 3 maaltijden kunnen nuttigen is niet vanzelfsprekend en moet je gewoon dankbaar voor zijn.

En ik vind eigenlijk dat iedereen die een gezond en gelukkig leven heeft gehad, voordat de laatste adem wordt uitgeblazen nog even netjes zegt: “dankjewel voor het lekkere leven”.

Powered by ScribeFire.

de wereld draait en draait en draait

Pas geboren draai je onwetend papa en mama’s hele wereld om
Als peuter weet je het zeker: de hele wereld draait om jou
Als kleuter wil je weten waarom de wereld draait
Als puber weet je zeker dat de hele wereld tegen jou indraait
Als schoolverlater ligt de wereld aan je voeten te wachten tot jij er een draai aan geeft
Als verse ouder draait de hele wereld ineens om je kind
Als werkende ouder draag je de hele doldraaiende wereld op je schouders
Als je nest leeg is, voelt het alsof de wereld zich van je weg draait
Als gepensioneerde draai je nog eens goed om die mooie wereld
Als bejaarde draait de wereld steeds sneller aan je voorbij
En als je op je sterfbed ligt, weet dan dat de wereld zonder jou gelukkig gewoon doordraait

Powered by ScribeFire.

Reusachtig mens

Op de parkeerplaats van de dorpsuper stapt een nogal uit de kluiten gewassen mens uit de duidelijk te kleine middenklasser waar ik net naast wil parkeren. Ik wacht even tot ik er langs kan. Ze kijkt me met gefronste wenkbrouwen aan. Het valt me op dat ze het blijkbaar erg warm heeft, want het zweet loopt in straaltjes over haar nogal zwaar opgemaakte gezicht. Ze draagt roze Crocks. Zo te zien, minstens maat 46. Verbazend dat ze in die kleur in die maat te koop zijn.

Even later kan ik de auto parkeren. Ik haal mijn zoontje uit zijn stoel en rij hem met de boodschappenwagen de super in. Daar kom ik het reusachtige mens weer tegen. Ze is zo breed geschouderd, dat ik haar niet kan passeren in de smalle gangetjes tussen de schappen. “Oma!”, roept mijn zoontje, en wijst ongegeneerd met zijn vingertje naar de enorme vrouw. De vrouw glimlacht even snel naar mijn ventje, en loopt haastig verder.

Als ik mijn boodschappenlijstje helemaal heb doorgestreept, kan ik naar de kassa. En daar legt de reuze-oma net haar boodschappen op de band. Ze moet bukken om haar hoofd niet te stoten tegen het reklamebord dat tussen de kassa’s hangt. Ik probeer niet teveel te staren, dat laat ik wel over aan mijn zoontje. Ik leg mijn spullen ook op de band terwijl de reuze-oma afrekent. “Spaart u ook zegeltjes?”, vraagt het kassameisje. De reusachtige vrouw antwoord met reusachtig zware stem: “Nee hoor, dankuvriendelijk”. En dan valt het kwartje pas voor me. Zijn benen heeft hij dan wel keurig geschoren…

Powered by ScribeFire.

56 sokken!

Zaterdagavond:
4 kleine mensjes liggen heel lief te slapen.
4 neusjes tegen 4 fijn ruikende knuffels.
4 buikjes die zachtjes op en neer gaan.
4 zachte koppies krijgen een aai.
8 oogjes gaan eventjes open.
4 lijfjes woelen zich om.
4 dekentjes stop ik weer in.
4 wangetjes krijgen een kusje.
4 maal vreselijk de moeite waard.

Zondagochtend:
12 keer moeten ze heel vroeg plassen
24 keer deur open en deur weer dicht
Veel te vroeg hebben ze praatjes voor 8.
8 blote voetjes stampen op de overloop.
80 keer sist papa dat het zachter moet.
Net zo vaak zegt mama: laat ze toch.
80 keer valt papa toch niet meer in slaap.
8 kleine (en 2 grote) voeten komen van de trap
4 dorstige halsjes en 4 buikjes die rammelen
8 zoete boterhammen verdwijnen
in 4 smikkelende chocoladepastasnoeten…
Daarna helpen 8 gewassen handjes papa mee
met het vouwen van stapels schone was,
waarin minstens 28 schone onderbroekjes
en minstens 56 schone sokken,
voordat deze 4 kindjes mogen spelen!

Powered by ScribeFire.

Zeikprooi

De trein zit bomvol. Zelf zit ik prinsheerlijk in zo’n eersteklas werkcoupé, maar direct naast mij staan mensen in het gangpad. Zij klagen niet, maar ondergaan de pech gelaten. Op de stoel naast mij zit een oud, zemelig wijf. Het wijf heeft relatief geluk, want zij hoeft dus niet te staan. Toch zucht en steunt ze terwijl ze dramatisch met haar ouwe kop schudt. Wanhopig probeert ze oogcontact te krijgen met de mensen in haar coupé. Mijn coupé-genoten verstoppen zich stoïcijns achter hun laptop of, zoals ik, achter hun boek.

“Nou, dan ga ik maar verder met mijn kruiswoordpuzzel”, zegt ze tegen niemand. Het wijf staat op om het uit haar tas te pakken die in het bagagerek boven haar hoofd ligt. “Oeh!!!”, slaakt het mens ineens. Ze verliest zogenaamd haar evenwicht en laat haar puzzelboekje op de grond vallen. Theatraal grijpt ze de rand van het bagagerek en kijkt verschrikt om zich heen. Dit heeft ze vaker gedaan. De trein reed op een recht stuk en maakte niet de geringste slinger. Het is nu de bedoeling dat iemand haar te hulp schiet.

De meneer met de laptop pakt het puzzelboekje van de vloer en geeft het aan het ouwe wijf. “O, dankuvriendelijk meneer”, zegt ze overdreven dankbaar, “fijn dat er nog behulpzame mensen zijn in deze wereld”. De man kijkt ietwat nerveus maar beleefd glimlachend naar haar op. Fout!! Nooit aankijken! Maar het is te laat. “Ach, het is niets hoor mevrouw”, en hij wil zijn blik weer op zijn laptop richten. “Wat erg hè”, zegt het mens dan terug terwijl ze nog zijn oogcontact heeft, “Dat niemand daar nou eens iets aan doet”. Ze heeft een zeikprooi aan de haak. Hij is reddeloos verloren, want de rest van de coupé duikt nog dieper in zichzelf.

Ongevraagd stort ze nu een tenenkrommend geklaag over alle ellende die ze op dit moment ervaart over de man uit. Dat ze van haar schamele pensioentje een veel te duur treinkaartje moest kopen en dat ze dan nóg hutje op mutje moet zitten in de eerste klas. En dat door die drukte Jan en alleman maar eerste klas gaat staan want conducteurs, ho maar!. En bij het uitspreken van “Jan en alleman”, blikt ze kwaadaardig in de richting van een knaap met versleten spijkerbroek en ruige baard die in het gangpad staat. Mijn klomp is aan gruzelementen. Ik zucht geërgerd en klap nijdig mijn boek te hard dicht. Verschrikt kijkt de meneer die tegenover me zit op van zijn tijdschrift. Ook in zíjn ogen zie ik ergernis. Een prima zeikprooi voor mijn eigen situationele onvrede.

“Dames en heren, we naderen het station Meppel…”, tettert die conducteur die niet optreedt tegen boven hun stand staande jongeren ineens door de intercom. Geen tijd meer om het wijf een koekje van eigen deeg te geven, want ik moet er zo uit. Even later wurm ik me langs Jan en alleman naar buiten. Ik kijk nog even naar binnen mijn coupé in. Tot mijn genoegen is Jan en alleman in mijn stoel gaan zitten. Even heb ik oogcontact met het zeikwijf. Haar ogen schieten vuur. Ik zwaai glimlachend naar haar terwijl de trein verder rijdt. Een glorieus moment.

Das Dachpfannenmänchen

Er werd vanmiddag bij mij aangebeld. Toen ik open deed stond er een klein mannetje met een pet voor de deur. “Einen schönen Tag, mein Herr”, zei het mannetje. En toen kwam er een heel verhaal over het feit dat mijn Dachpfannen sehr Schmutzig waren, maar dat hij mij “ein sehr günstiges Angebot machen” kon. Volgens das Dachpfannenmänchen – hij deed me eigenlijk wel een beetje denken aan een Meinzelmänchen – gaan Schmutzige Pfannen lekken en moesten ze deswegen professionel gereinigt und impregniert werden. Mijn buren werden sicher auch ganz froh sein als mijn dakpannen er weer schön sauber uit zouden zien.

Normaal zou mein Dach inclusief BTW zwei tausend oiro kosten, aber heute, und nur heute kon hij mij dit aanbieden voor slechts zwanzig hundert oiro. Jawel: zwanzig hundert in plaats van zwei tausend. Na, das ist doch gar nicht doer, durfde hij ook nog te zeggen. Ich bin doch nicht blöd! Ik kon hem nog maar amper tegenhouden, want hij was al halverwege de ladder mijn Dach auf om kostenlos mal drei Pfänchen zu reinigen. Ik ben benieuwd of hij mijn buurvrouw wel zo gek heeft gekregen.

Powered by ScribeFire.