mens

Uitgerekend nu

Ieder jaar wisselen wij te vroeg
De Aarde heeft haar ronde nog niet af
Van lente naar herfst en terug
De Aarde neemt er écht de tijd voor
De échte tijd ijlt na op onze werkelijkheid
Maar in werkelijkheid is onze tijd achterhaald
Er blijft ongeconsumeerde tijd over
Tijd die nog moet worden geleefd
Tijd die niet ten gelde is gemaakt
Iedere vier jaar krijgen we kliekjestijd
Inhaaltijd, schrikkeltijd, uitgerekend nu
Om in de pas te springen met het universum
Staan we allemaal even stil
Leef even heel bewust, uitgerekend nu

Zemelhanen

Heeee, lang niet gezien! Hoe is het met jou?

Ach, de rug wordt toch minder hè, maar verder mag ik eigenlijk niet klagen. En jij?

Mwoch, afgezien van mijn knieën gaat ‘ie in principe best lekker.

Zo zo. Mooi hoor. Ach jij ook met je krakende knieën! … Hoorde je dat?

Wat?

Dat knak-knak-geluid. Dat zijn mijn onderste ruggewervels. Helemaal verrot joh.

Lachuh zeg! Doe nog es?

Wacht effe…oe…doet een tikkie zeer maar

Hahahaha!

Ja lach jij maar, het is anders geen pretje.

Ja, net als mijn piepende schouders. Dat is echt zo naar.

Laat es horen dan?

Let op…ai…aaah

Hihihihi, wat maf. Nou, jij kán ze tenminste nog zo draaien. Bij mij zit ’t helemaal op slot.

Dat ken ik maar al te goed. Heb ik een half jaar voor bij de fysio gelopen.

Ik loop er al bijna 2 jaar voor bij de haptonoom. Helpt allemaal niks.

Nee! Wat rot voor je. Nou, mijn nieuwe wagen met massagestoel is wel een uitkomst hoor. Kom ik heerlijk…eh redelijk los op mijn werk. Is ook wel iets voor jou misschien.

Ach, wees blij dat jij nog zélf kunt rijden. Ik heb tegenwoordig maar een chauffeur. Wordt overigens helemaal vergoed door de verzekering.

Zo zo, bofkont. Mijn verzekering wilde mijn aangepaste auto die ik toch echt nodig heb om nog enigszins te kunnen functioneren, niet vergoeden. Geen cent keerden ze uit. Ik moest er ons huis voor verkopen om niet failliet te gaan. We zijn er erg op achteruit gegaan.

Zo, daar word ik wel even stil van. Dat klinkt niet best.

Nee, ’t is nie best nee. We wonen nu noodgedwongen in een hutje op de hei. Krap 450 vierkante meter. Maar wel knus, dat wel.

Tjongejonge.

Nou, en ik ben ook nog eens hardstikke allergisch voor hei.

Daar kan ik over meepraten. Zie je deze vlekken?

Ziet er niet best uit. Uitslagje?

Uitslagje?? Nee joh, dat is afgestorven huid. Visallergie. Als ik nu ook maar vislucht ruik, krijg ik binnen 10 seconden een shock. Ik moest er mijn directeursfunctie voor opgeven.

Jij directeur? Goh. Waar dan?

Ik was directeur van een grote visafslag. Nu ben ik noodgedwongen directeur van een Zwitserse chocoladefabriek. Ik moest van de dokter naar Zwitserland verhuizen namelijk. Vanwege de schone, visluchtvrije lucht. Is ook best behelpen hoor.

Jaaa ja. Goh.

Oei, is het al zo laat. Ik moet rennen…als ik dat zou kunnen tenminste. Nou, het ga je goed hè. Hou je maar taai ouwe mopperkont.

Insgelijks! En hou jij je ook taai ouwe knorrepot.

Over de berg

In maart 2003 emigreerden mijn vrouw, zoontje van 8 maanden en ik naar Amerika. Om precies te zijn naar Baltimore in de staat Maryland. Als een berg had ik er tegen op gezien om te emigreren. Een onneembare bergkam was het eigenlijk. Met grillige toppen die ooit de krassen op de maan hadden gemaakt. Uit mezelf zou ik de reis nooit hebben gemaakt. Ik ben niet avontuurlijk van natuur. In tegenstelling tot mijn wederhelft ben ik een standvogel.

In 1998 trouwde ik met een blondine die de Quantumtheorie snapt. Ze bestudeert het universum voor haar beroep. Ze bouwt mee aan nieuwe instrumenten om dat beter te kunnen doen. Wetenschapper in hart en nieren en bepaald geen standvogel. Dankzij haar heb ik de Andes van dichtbij gezien. Dankzij haar versta ik Beiers. Dankzij haar ligt een deel van mijn hart in Zweden.

Lijkbleek bleek ik te zijn geweest toen we op Schiphol afscheid namen van familie en vrienden. The point of no return was al lang gepasseerd. Het huis en een groot deel van onze spullen was verkocht. Andere spullen die we niet kwijt wilden, gingen in de opslag. En een klein deel ging per boot naar ons nieuwe adres. Wijzelf namen het vliegtuig.

Acht uur later kwamen we aan op Dulles National Airport (Washington). Als kuddedieren werden we door de douane gedreven, weet ik nog. Erg druk was het niet, maar toch moesten we persé de door lintjes afgezette route lopen. Toen ik, brutale, assertieve Nederlander zijnde, tussen twee paaltjes door wilde stappen werd ik woest door de dienstdoende, en zijn taak zeer serieus nemende agent, op het pad teruggeblaft. Ik luisterde gedwee en zei “Sorry” in mijn beste Amerikaans.

Met een huurauto, een veel te stoere Ford Explorer 4×4, reden wij toen van Dulles naar ons eerste, tijdelijke adres in Balto, in de wijk Elkridge. Het was nog volop winter daar. Er lag nog veel sneeuw op het terrein van het appartmentencomplex waar we de eerste maanden zouden gaan wonen. Ons appartementje was volgepropt met ontzettend, typisch Amerikaanse, protserige huurmeubels. Op ons bed lagen belachelijk veel, belachelijk dikke kussens. Ik voelde me nog nooit zo slecht thuis. 

De eerste week bestond uit het vinden van onze draai en het regelen van dingen. Mijn vrouw regelde en ik zocht draaien. Alles was vreemd en ook weer niet. Wat ik het moeilijkst vond om aan te wennen was die oppervlakkigheid van de mensen daar. Amerikanen veinzen interesse voor je met overdreven “hi, how are you”. Ik weet nu dat je dat gewoon moet terug zeggen. Het betekent niks meer dan “hoi”. 

Aan de andere kant van die berg, die zo onneembaar leek, vonden we uiteindelijk best een fijne draai. Het was een heftige en leerzame tijd. Leerzaam in de zin van leren omgaan met ogenschijnlijke onmogelijkheden. Niks is onmogelijk, en anders is er altijd nog de trap-onder-je-kont-methode om uit je misère te komen. Ik leerde dat ook standvogels kunnen emigreren en nestjes kunnen bouwen in vreemde, verre landen. Het kwam allemaal best goed. 

Af en toe komt dat gevoel van totale bevreemding dat ik tijdens mijn eerste momenten in Amerika voelde, nog wel eens naar boven drijven. Vlinders fladderen rond in mijn buik. Vlinders van verwondering, verbazing en onzekerheid. Maar ook van de spanning van het onbekende. Een heerlijk gevoel eigenlijk. Het is een gevoel dat sterk lijkt op verliefdheid. Het is de beloning voor het overwinnen van angsten die onoverwinnelijk leken. Het is de beloning die je krijgt als je over jouw berg heen bent gekomen en ziet wat er achter ligt. 

Ontdooid

Ontplooid ben je vrij van plooien
Ontdaan ben je als je uit je doen bent
Onthutst ben je als je niet verder onthut kunt worden
Ontfrutseld ben je frutselvrij
Onteerd ben je eerloos
Ontwapend ben je weerloos
Ontkleed ben je bloot
Ontbloot ben je juist aangekleed
Ontlucht snak je naar adem
Ontgaan ben je aangekomen op je bestemming
Ontstemd ben je sprakeloos
Ontkomen ben je ontvlucht
Ontvreemd ben je genormaliseerd
Ontmoet ben je vrij van alle plichten
Onthaast wordt het groene knolleknollenland
Ontgroend ben je niet langer groen
Ontwaard ben je niet langer waar
Ontdooid ben je niet langer dood

Domweg

Hij bestaat, de Domweg, en loopt ergens in midden in Gelderland. Zo te zien midden in dat grote militaire oefenterrein. Heel dom als je je daar als gewone burger waagt met je auto. Het is bovendien een doodlopende weg. Doodlopende wegen hebben met elkaar gemeen dat je er onvermijdelijk tot stilstand zult komen.

Dat stilstaan doen we natuurlijk ook massaal op onze snelwegen, maar dat is – in tegenstelling tot doodlopende wegen – onbedoeld. De bedoeling van een snelweg is juist dat je je er snel over kunt voortbewegen. Snelwegen moeten goed doorstromen. Het zijn de slagaderen van onze infrastructuur en bij de grote steden worden het aorta’s. Elke dag is het weer mis. Vooral bij de knooppunten waar snelwegen elkaar kruisen. Daar moeten we netjes ritsen en elkaar de ruimte geven om in en uit te voegen. En dat vinden velen erg moeilijk. Als iedere weggebruiker domweg 1 andere weggebruiker voor zich laat invoegen dan werkt die rits.

Om de veiligheid en doorstroming te optimaliseren wordt het verkeer rond de knooppunten automatisch geregeld met variabele snelheidslimieten die worden weergegeven op lichtgevende borden boven de weg. Het is dan dus strafbaar om harder te rijden dan de aangegeven snelheid. En toch zie je dat de meeste mensen gewoon met 120 (of harder) onder een 90 doorrijden. Verderop staat er dan 70 boven de weg en nog wat verder 50. Maar tegen de tijd dat je bij de 50-borden bent, mag je blij zijn als je nog stapvoets kunt rijden. Dat komt door onze eigenwijsheid. Wij denken wel even te kunnen beoordelen of de automatische verkeersregeling gelijk heeft of niet. Dat is ronduit idioot, want je kunt vanuit je auto nooit de hele verkeerssituatie rond een knooppunt overzien. Als we ons allemaal domweg aan toegestane snelheden die die tijdelijke borden aangeven zouden houden, dan heeft de nog relatief kleine of dreigende opstopping verderop tijd om op te lossen voordat de rest van de spits er achterop komt.

Die Gelderse Domweg ligt niet ver van de A50. Ik rijd er regelmatig langs. Vaak rond de spits. Verderop bij Zwolle wordt het dan heel druk. De spitsstrook is open en je mag maximaal 80. Normaal mag je er 100. Wie zich domweg aan die spits-snelheidslimiet houdt wordt vol onbegrip links en rechts ingehaald. 80 wordt niet begrepen en geaccepteerd als er toch een hele strook extra asfalt is. De wet overtreden is dan de norm. De verstandigen worden met de nek aangekeken. Ik probeer ook wel eens domweg verstandig te zijn, maar na een tijdje trap ik het gaspedaal dom genoeg toch maar wat verder in, wetende dat ik medeplichtig ben aan het veroorzaken van een verkeersopstopping.

Gelaten sluit ik even later aan in de door mijzelf mede-veroorzaakte file. Ineens wens ik dat mijn auto een zware militaire tank met rupsbanden is. Ik rij dan over iedereen heen die niet aan de kant gaat. Maar ik zit toch gewoon in een ongepantserd blikken voertuig en heb geen rupsbanden. Ik zucht en sluit aan. Er zit niks anders op. Ik bel vrouwlief maar weer op en zeg dat ik het domweg niet ga redden.

Stomme-medeklinkernamen en erfelijkheid

Je zou toch maar Sjors Smit heten. Dat is toch zonde van die ‘s’. De 2e ‘s’ van Sjors dus. Die hoor je niet, want het gaat op in de ‘S’ van Smit. Waarom konden Sjors’ ouders geen handigere naam kiezen? Net als de ouders van Peter Rademakers, Ruud Dekker en Natasja Adema. Ik snap dat gewoon echt niet. Bij het vinden van namen voor mijn eigen nageslacht was dit een belangrijk dingetje voor mij. Geen voornaam die eindigt op ‘n’, hoe mooi en bijzonder de naam ook moge zijn geweest. Als compromis mocht het dan e-ven-tu-eel bij de tweede naam, maar alleen als er echt geen alternatief kon worden gevonden. Ik hield mijn poot stokstijf als het nodig was (echt).

Een voornaam met “stomme medeklinkers” leidt al tot problemen bij het aangeven van de geboorte van je kind. “Hoe zegt u meneer? Natasja Dumma?” of: “Ru, zegt u?…wat een..eh..bijzondere naam meneer Dekker”. Gelukkig zit papa dan in zo’n roze wolkje en barst hij van het geduld. Dus hij artikuleert kalm en trots de naam van zijn nieuwe spruit tegen de onzeker glimlachende ambtenaar. Aanleg voor het geven van stomme-medeklinkervoornamen is blijkbaar erfelijk, want je wilt niet weten hoeveel Hermannen Nankman er in mijn stamboom zitten.

Mijn eigen ouders braken gelukkig met die generaties durende gewoonte van het vernoemen van zonen naar opa Herman. Mijn tweede naam eindigt dan weer wel op een ‘n’. Daar hield mij ma of pa zijn of haar poot blijkbaar niet stijf genoeg. Met de gevolgen van die slappotigheid moet ik mij nu door het leven zien te worstelen. Mijn vader is gelukkig een doorzetter en gaf dát gen gelukkig wél aan mij door. Nu maar hopen dat dat gen dat ervoor zorgt dat je je zoon Herman wil noemen niet alleen maar een generatie heeft overgeslagen.

Natuurlijk ben jij de allermooiste

Kleine kiem, diep in de bodem
Je barst van potentie
Zodat je omhoog schiet
Kijk eens hoe goed ik groei!

Ongeduldig, reikhalsend
Strek je je naar de hemel
Zo hoog als je kunt
Kijk eens hoe groot ik ben!

De hele wereld kijkt naar jou
Van schrik schiet je in knop
Je barst van de zenuwen
Waarom kijkt iedereen naar mij?

In het prilste daglicht
Ontluik je jezelf
Voor de allereerste keer
Hopelijk ziet niemand je

Onzeker kijk je om je heen
De wereld is gruwelijk mooi
Diep van binnen weet je het
Jij bent mooier dan iedereen

Moedig reik je hoger
Hoe hoger hoe vrijer
Je stijgt boven alles uit
Natuurlijk ben jij de allermooiste

Alles draait om jou
In de bloei van je leven
Kan je de hele wereld aan
Kijk eens hoe sterk ik ben!

Niks krijgt jou eronder
Je zwelgt van zelfvertrouwen
Totdat je wordt vertrapt
Wie dacht je ook dat je was?

Je keert in je zelf
Geknakt tot op je ziel
Toch kruip je weer overeind
Kijk eens hoe veerkrachtig ik ben

Fier richt je je weer op
Je putte nieuwe kracht
Uit je nieuwe wijsheid
Kijk eens hoe stevig ik sta

Mooier dan ooit straal jij
De wereld weer tegemoet
Dan word je eindelijk geplukt
Natuurlijk ben jij de allerliefste

Alles draait om liefde
Je hebt zoveel te geven
Je geluk is oneindig
Nooit krijg je genoeg van elkaar

Ineens ben je ouder
Je straalt bemoedigend
Naar dat reikhalzende grut
Natuurlijk worden jullie nóg mooier

Heren volgen geen instructies

Negen wijze heren kwamen bijelkaar om te praten over gewichtige zaken. Op de grote tafel in hun midden lag een klein kapitaal aan gadgets. Minstens 3 per persoon. Allemaal noodzakelijk natuurlijk, dat staat buiten kijf. Behendigd werd er uit de losse pols met de de diverse gizmos gejongleerd. Ikzelf arriveerde een chique half uurtje later. Met respect werd ik bij binnenkomst door de collega’s begroet. Argeloos slingerde ik mijn fonkelende leipad op tafel terwijl ik mijn leifoon achter mijn rug omhoog gooide, mijn jas over de leuning van de stoel hing, ging zitten en toen de telefoon in het borstzakje van mijn overhemd op ving. Allemaal in één vloeiende beweging. 

Die acrobatiek werd natuurlijk als volkomen normaal beschouwd. Dit werd ik geacht te kunnen en was ik op geselecteerd. De voorzitter knikte wel even goedkeurend, maar dat had er meer mee te maken dat ik was gearriveerd. Hij gaf aan een collega aan de andere kant het teken om de presentatie te starten. Daarop stond de beste man op en drukte op een knopje op een paneel aan de muur. Er rolde een projectiescherm uit het plafond en de projector aan het plafond boven de tafel kwam tot leven. Echter, de beoogde beelden verschenen niet op het grote scherm. De collega drukte nog eens op wat andere knoppen, maar dat leverde geen verbetering op.

De man keek hulpeloos naar zijn collega’s om: “Eh, hij doet ’t niet”. Verbijsterde blikken. Wat nu? “Misschien moet je de projector gewoon even uit en weer aan zetten en het nog eens proberen”, opperde iemand. Er werd meteen instemmend geknikt. Zo gezegd zo gedaan, maar zonder het beoogde effect. Het scherm bleef verstoken van beeld. De man bij het knoppenpaneel streek nerveus door zijn haar. Toen ging er een licht bij hem op. Zijn gezicht klaarde op, waarop de andere heren hoopvol opveerden. Maar toen verzuchtte hij: “Ach, dat werkt natuurlijk ook niet”. De heren zonken weer in. 

De voorzitter bracht verlossing: “Ik stel voor dat we dit moment even benutten voor een korte koffiepauze en dat iemand even contact opneemt met de technische dienst”. Het was natuurlijk evident dat de projector niet naar behoren werkte en dat er maar even iemand moest komen. De man die de twijfelachtige eer was toebedeeld het projectiesysteem te beteugelen werd verwachtingsvol door de voorzitter aangekeken. Hij maakte gehoorzaam twee lenige backflips en trok in één beweging zijn telefoon, koos het nummer van de technische dienst (welke uiteraard onder een sneltoets zat) terwijl hij via een dubbele salto in zijn stoel sprong. 

De andere heren wandelden één voor één, met soepele, nonchalante tred naar de coffee corner om zichzelf te voorzien van een ristretto, capuchino, machiato of een doodgewone, maar desalniettemin acceptabele espresso. Even later kwamen de heren, met koffiekopje in de ene hand en al twitterende met de telefoon in de andere hand, de zaal weer binnendruppelen. Er kon gelukkig worden gemeld dat de technische dienst met succes kon worden gecontacteerd. Alles was onder controle. Er werd meteen opgeluchter adem gehaald. 

De opluchting ging acuut over in verbazing toen er een klein, spichtig vrouwtje met een streng klein brilletje op haar neus in uniform de zaal binnentrippelde. Ze deed me sterk denken aan juffrouw Mier. In haar hand droeg ze een kaart met een overzichtelijk ogend lijstje. Klaarblijkelijk de bedieningsinstructies voor het projectiesysteem. Ze las de eerste instructie met luide stem voor: “aan de muur bevindt zich een bedieningspaneel…”. De heren wezen haar behulpzaam in de juiste richting. “Aha”, zei het mensje en las de volgende instructie voor: “Schakel de installatie in met de rode knop”. Knop werd ingedrukt en wederom kwam alles tot leven. En zo liep het mensje alle instructies één voor één af en geschiedde er een wonder: Op het scherm verscheen het door ons zo vurig gewenste beeld.

Enigzins geirriteerd haalde het mensje haar schouders op en keek ons meewarig aan. “Als je precies de instructies volgt, dan werkt het gewoon”, zegt ze. De heren, mijzelf incluis, keken van schaamte naar hun glimmende schoenen. “Eh, waar kunnen wij die instructies vinden”, werd binnensmonds door een van de heren gevraagd. “Die zou hier op de tafel moeten liggen. Kijk, daar ligt ‘ie”. En toen trippelde juffrouw Mier van de technische dienst weer de zaal uit: “Tot uw dienst heren, goedemiddag”. Met stomheid geslagen schoven de heren weer aan de vergadertafel aan, terug op hun plaats. Belangrijk turende naar het schermpje van het eerste gadget binnen handbereik hervonden de mannen weer hun waardigheid en kon er gelukkig fijn verder worden gegaan met de orde van de dag. 

Met de driewieler langs de Diamantlaan

Ik ben op ontdekkingstocht, op mijn driewieler. Hoe die driewieler er precies uitziet heb ik geen idee van. Ik neem ook maar aan dat het een driewieler is. De wereld is primair gekleurd: groen, hemelsblauw en goud-geel. Ik rij langs een smal strookje gras dat naast een hoge muur ligt. De muur is zo hoog dat het tegen de lucht aan komt. Ik voel me intens gelukkig. Mama loopt naast me geloof ik, maar dat denk ik omdat ik aanneem dat ik hier niet alleen mag zijn. De wereld is schitterend. 

Dat is hoe ik me dit blije moment herinner. Meer dan dit weet ik niet. Het is mijn eerste herinnering. Vage beelden en een nog heel sterk gevoel van geluk en verwondering. Het kan niet anders dan dat ik me een moment herinner van toen ik nog alleen met mijn papa en mama in een flat aan de Diamantlaan woonde, in Groningen. Ergens tussen 1971 en 1973. Ik was toen 2 jaar oud, misschien bijna 3. Ik weet het niet precies. 

Ze zeggen dat je je niets meer zou moeten kunnen herinneren uit je peutertijd. Nou ja, het is ook praktisch niets. Er zitten ook veel aannames en logische conclusies in om de vage beelden aan te vullen. Toch is het een heel levendige herinnering die me nog altijd doet glimlachen.