filosofie

Dingetjes

Ik vraag: “Heb je nog iets met dat idee van jou gedaan?”.
Collega antwoordt: “Eh, tja, het is een beetje een dingetje geworden”.

Ai, heel vervelend, dingetjes. We hebben liever geen dingetjes. Als iets een dingetje wordt, of dreigt te worden, gaan teveel mensen er iets van vinden. Meningen raken verdeeld. Wat eerst heel eenvoudig leek, is uitgegroeid tot een complicatie.

Plotseling lopen er beren op de weg. Beren die jij weg wuift. Maar door je gewuif wordt het dingetje alleen maar groter. Het wordt steeds moeilijker voor je om het dingetje te blijven zien voor wat het eerst was. Je oorspronkelijke idee wordt steeds minder leuk. Het is niet meer helemaal jouw ding, zeg maar. 

 

In een stroomversnelling

Als de dingen dan ineens gaan glijden zodat je het allemaal niet meer kan tegenhouden dan móet je wel snel denken en schakelen. Het is dan net of je verstand letterlijk terugschakelt naar een lichtere versnelling zodat je meer denkvermogen hebt. Natuurlijk wordt je toerental veel hoger en verbruik je ook meer energie, maar je denkt ineens heel handig en praktisch.

Omdat je domweg geen tijd hebt om alle voors en tegens tegen elkaar af te wegen luister je veel beter naar je onderbuik, je intuitie. Je wordt nu gedreven door je primaire wezen. Alle jamaars zet je resoluut aan de kant, want je moet nú beslissen. De flow van de stroom bepaalt al dat je moet bewegen in een bepaalde richting. Er tegen in bewegen heeft geen zin. Drijf mee, maar alert, spiedend naar kansen, mogelijkheden.

Lenig als een kat maak je behendigd de grootste denkstappen. Je blik is messcherp en je concentratie is rotsvast. Stappen waar je gisteren nog tegenop keek, doe je nu bijna zonder nadenken, tussen twee ademhalingen in.

Plotseling wordt de stroming weer zwakker. Je bevindt je waar je altijd al was maar dan verder. Je hebt gered wat er te redden viel, je hebt gewonnen wat er te winnen viel, je hebt verloren wat je misschien best kon missen. Nee, niet verloren, maar geofferd. 

Je ruggegraat zindert. Je onderbuik gonst. Je voelt je levensenergie door je hele wezen stromen. Je voelt je onwezenlijk wezenlijk. Vanuit een diepe innerlijke kalmte keer je dan geleidelijk terug. Eerst voel je je stembanden alleen maar trillen, maar even daarna hoor je de primaire overwinningskreet die je lijf aan het uitstoten is. En als je je dan beseft dat je binnen luttele momenten achteloos iets hebt gepresteerd dat je nooit voor mogelijk hield, veranderen je spieren ineens in elastiek en gaat je schreeuw over in een onbedaard geschater. 

Fenomenaliteit

Wanneer ben je nou eigenlijk een fenomeen? Het betekent eigenlijk toch niet meer dan dat je iets kan dat observeerbaar is? Wat is daar toch zo speciaal aan? Iedereen is dan toch fenomenaal? Wat is dit voor vreemd verschijnsel, ja, fenomeen dat wij aan het woord “fenomeen” meer betekenis toekennen dan dat het letterlijk betekent? Komt dat omdat fenomenen geacht worden zeldzaam te zijn? Zijn, in die überbezeichniss, alleen dingen die je zelden tot nooit kunt observeren fenomenaal? Dat is toch eigenlijk bijna het tegenovergestelde van de letterlijke betekenis van “fenomeen”? Zijn fenomenen eigenlijk anomalieën? Zijn alleen uitzonderlijke verschijnselen fenomenaal? Zou je kunnen zeggen dat wij fenomenen dus eigenlijk niet normaal vinden? Zijn fenomenen abnormaal? Is fenomenaliteit dan ook een rekbaar begrip? Ik bedoel, kun je ook een beetje fenomenaal zijn? Kun je fenomenaliteit aanleren? En kan je je eigen fenomenaliteit vergroten? Bestaat het begrip “fenomenaliteit” überhaupt? Is er behoefte aan dat woord? Of is het een fenomenaal onzinnig woord? En waarom stel ik alleen maar vragen? Is dat wel normaal? Is dit sowieso niet de meest fenomenale flauwekul die je ooit hebt gelezen? Besef jij je zelf eigenlijk wel hoe fenomenaal je bent dat je dit leest?

Welvaartsjunkie

In Tokio wonen bijna net zoveel mensen als in heel Nederland, maar dan op een oppervlakte dat 66 keer in Nederland past. Per jaar heeft de gemiddelde Tokio-inwoner in totaal minder dan 60 seconden geen stroom. Volkomen onacceptabel natuurlijk. Er wordt uiteraard nergens zo veel geklaagd over stroomuitval als in Tokio. Jezus, laatst had ik minstens 2 seconden geen licht! Ik dien een vette klacht in!

In Nederland moeten we dan weer blij zijn met een ridicule 25 minuten stroomuitval gemiddeld per persoon per jaar. Belachelijk! Dat kan, nee dat moet beter. Ik bedoel: Tokioooo. Ja? Kan me niet schelen dat alle andere Europese burgers gemiddeld langer zonder stroom zitten ja!

In Congo mag je blij zijn als er eventjes stroom is. Maar liefst 35 uren per jaar zit de gemiddelde Congolees zonder stroom. Het komt geregeld voor dat je daar dagen lang geen stroom hebt. Niemand neemt daar voor lief dat er stroom uit het stopcontact komt. Maar áls het er is, dan is het feest!

En zo is het toch eigenlijk met alles? Luxe is maar eventjes luxe. Je wentelt je er drie keer in om en je begint je af te vragen of dit alles is. Welvaart went. Je wilt er steeds meer van hebben en je geniet er steeds minder van. Face it, jij bent waarschijnlijk ook een welvaartsjunkie. En nu moet ik dit snel op mijn blog zetten voor de stroom weer uitvalt. 

Goeie shit dat pogen!

Hé Meneer, wat doet u nou?
Ik poog, jongeman, ik poog.
Pogen, hihihi, wa’s dat nou weer?
Pogen is een edele bezigheid, jij kan het ook. Probeer het maar eens.
Ja doei, ik ga echt niet zitten pogen zeg. Wat heeft dat nou voor zin?
Pogen is de zin des levens. Leven is pogen en pogen is leven.
Wat bazelt u toch ouwe. Leven gaat vanzelf. Daar hoef je toch niks voor te doen?
Nee jongeman, geleefd wórden gaat vanzelf, zélf leven niet.
Wacht effe, dus iemand anders kan mij leven? Cool!
Nee, niet “cool” jongeman. Zij die worden geleefd, bestaan niet.
Huh, dus geleefd worden kán helemaal niet?
In tegendeel, het gebeurt maar al te vaak.
Meneer, ik snap er de ballen van.
Jongeman, het is echt heel eenvoudig: bepaal jij wie je morgen bent, of doet een ander dat?
Ja dùh, ik natuurlijk. En trouwens, ik ben altijd wie ik ben, morgen en over honderd jaar.
Dat zeggen allen die geleefd worden. Zélf leven is jezelf ontwikkelen. Pogen is ontwikkelen.
Jaaaa, ja. Dus van pogen wordt je, zeg maar, nog vetter. En eh… kun je dat leren, dat pogen?
Zoals ik al zei, je kunt het al lang. Iedereen heeft het in zich om te pogen. Gewoon een kwestie van doen.
Dus ik hoef er niet voor te leren?
Eh, juist, dat zeg ik.
Goeie shit dat pogen!

Eikel met Wortelnijd?

In Zweden zag ik deze monumentale eik. De boom is ontzagwekkend dik. Op het oog minstens twee meter. Het ventje (mijn zoon) dat er een beteuterd naast staat zou met gemak languit kunnen liggen in de boom. Iemand vertelde me dat de eik meer dan 500 jaar oud is. De eikel waaruit deze boom is ontsproten schoot dus ergens aan het eind van de middeleeuwen wortel. 

De eik staat op het terrein van een oude en beetje vervallen camping aan het grote Vänern-meer. We staan er met onze tent tussen dikke, bejaarde berkenbomen (en dikke, bejaarde Zweedse campeerders die alleen uit hun dikke caravan kwamen om óf naar de wc te gaan óf het gras om hun caravan te maaien). ’s Nachts zou het er heel stil zijn als de aftandse ijscovriezer in het kiosk-gebouwtje niet zo bromde. Het bromde niet heel hard, maar draaide niet continu. Als de vriezer zich uitschakelde werd de stilte even hoorbaar, tot het kreng weer aan sprong.

Toch sliep ik er heerlijk en in de laatste nacht op de camping had ik een bijzondere droom:

Ik loop midden in de nacht blootsvoets in een dun, hagelwit gewaad door een dicht woud van spierwitte berken. Het is heel helder en bijna volle maan. Mijn adem beslaat, maar ik heb het niet koud. Ook is het doodstil. Ik hoor geen enkel geluid behalve mijn eigen ademhaling en het gedempte ritselen van mijn eigen voetstappen in het zachte mos. Door de bomen zie ik het spiegelgladde wateroppervlak van het meer. Vastberaden loop ik in de richting van het meer. Het woud wordt minder dicht, en de berken worden steeds dikker.

Dan gebeurt het. Ik kom steeds moeizamer vooruit. Het kost me steeds meer moeite om mijn voeten op te tillen. Ik kijk naar mijn voeten. Ze zijn spierwit en zien er pezig uit. En het gewaad dat ik draag lijkt wel van spinrag. Het hangt in losse flarden om me heen. Steeds moeilijker kom ik vooruit. Mijn voeten komen steeds vaster in de grond te zitten en mijn benen worden steeds zwaarder en stijver. Er steekt een zachte, koele bries op vanaf het water. De raggen om mijn lijf waaien helemaal van me af, maar ik voel geen kou. De berken om me heen fluisteren geruststellend: “Shhhhhh, het is goed. Shhhhhhh”.

Op enkele meters voor de waterkant kom ik tot stilstand. Ik kom nooit meer vooruit, weet ik, maar ik voel me volkomen op mijn gemak. Ik kan me bijna niet meer bewegen. Ik kan mijn armen nog één keer optillen. Ik kijk naar mijn linkerhand, maar zie een dikke tak. Mijn rechterarm is ook een tak. Ik verander in een eik. Dat wat ooit mijn voeten waren zit ergens heel ver onder me, diep in de aarde. En dan groeien mijn ogen dicht en de wereld verstomt. Eindelijk zíe ik. Opgelucht blaas ik mijn longen leeg. Alles is goed.

Rare droom vol clichématige symboliek. Ik onderga in mijn droom gelaten een metamorfose die ik best griezelig vind. Mijn interpretatie is dat ik de eindigheid van het leven niet moet bestrijden, maar juist omarmen. Moet ik loslaten om echt goed te kunnen wortelen? Moet ik me ontdoen van omhullingen omdat ze me belemmeren te voelen? Moet ik mijn ogen en oren sluiten om echt te kunnen zien? Of ben ik gewoon een eikel met wortelnijd?

Middernisme

Ik heb niks met minimalisme. Less is gewoon echt less en meer niet. Dat je dan zo’n enorme villa op TV ziet met zo’n kil, wit interieur met hier een daar een essentialistisch simplistisch meubelstuk waar je oog wel op móet vallen omdat er gewoon niks anders ís om naar te kijken. In zekere zin is less dan weer wel more, maar vooral more money. Dat bedriegelijk simpele meubelstuk kost namelijk een fortuin. Minimalisme is eigenlijk een extreme vorm van protserigheid.

Ik heb ook niks met het andere uiterste. Ik noem dat dan maar even maximalisme. Dat is bijvoorbeeld een tuintje van 10 vierkante meter vol zetten met 80 tuinkabouters. Het is ook je Opel Corsa pimpen met zo’n stofzuiger onder je gril, zo’n taartschep achterop en een 1000 watt subwoofer in je kofferbak. In Baltimore MD heb je iedere Kerst “The Miracle on 34th Street” (ik heb het ooit zelf gezien). Dat is een dusdanig uit de hand gelopen kerstverlichtingsgekte dat heel de VS het massaal komt bekijken. Dat is übermaximalisme, too much, maar goed, daar zijn de Amerikanen dan ook erg goed in. Maximalisme is ook een extreme vorm van protserigheid.

Dan kom ik qua smaak dus automatisch uit op iets dat er tussenin zit. Gewoon een kwestie van proporties eigenlijk. Ik voel me niet gemakkelijk bij extremiteiten. Geen fratsen dus. Gewoon gewoon is al gek genoeg. Al die franje heb ik niet nodig en dat typeert me.

Ooit liet ik me eens overhalen tot de aanschaf van knalrode schoenen met gele veters (die staan je echt heel goed, schat…). Ze zaten heerlijk, maar iedereen keek steeds naar mijn schoenen. Ik droeg ze om Calvinistische beweegredenen: ze waren te duur om in de kast te laten staan. Later zag ik eens iemand met diezelfde schoenen lopen. Hij droeg ook een kanariegele broek, een witte koltrui met daar overheen een vuurrood colbert. Verder was hij zwaar opgemaakt en droeg hij een appelgroene oversized Alpinopet op zijn hoofd. Natuurlijk had zijn Chiwawa een matching outfit. Mijn rode schoenen pasten bij dat extravagante maximalisme, en niet bij mijn afgemeten middernisme.

Rotsvaste liefde

Het ouderlijk huis. Dat is iets dat je in je jeugd en je eerste stappen richting volwassenheid ervaart als een veilige, rustige haven waar je altijd mag aanmeren aan je eigen aanlegsteiger. Wat er ook gebeurt in je leven, de haven van je ouders is rotsvast. Er verandert nooit iets in die haven. De tijd staat er stil. Ik hecht daaraan. Het is mijn ideaal. Het is het baken waarop ik me oriënteerde in mijn zoektocht naar mezelf.

Mijn ouderlijk huis brak in tweeën toen mijn ouders gingen scheiden. Ik was al lang het huis uit, en ik kwam al lang niet meer ieder weekend de was doen. Mijn beide ouders gingen nieuwe levens aan waarin niets hetzelfde bleef. Alle vastheid waar ik zo aan hechtte was zoek. Natuurlijk steunde ik mijn ouders in hun zoektocht naar hun nieuwe geluk, maar ik was intussen wel mooi mijn aanlegsteiger kwijt. En mijn baken.

Ik had wel helemaal losgeslagen kunnen raken. Afgedreven naar ik weet niet waarheen. In zekere zin sloeg ik ook even helemaal los, maar ik vond mijn eigen koers. Ik vond ook mijn grote liefde, compleet met een intact ouderlijk huis. De aanlegsteiger van mijn lief was groot genoeg voor ons tweetjes, en bleek ook groot genoeg voor ons zesjes. Die zalige onveranderlijkheid van mijn schoonouderlijk huis. Zelfs de planten groeiden er niet. Heerlijke vanzelfsprekende vastheid. Ik hecht daar zo aan.

Mijn schoonvader had een praktijk aan huis. Ook voor de tandarts meerden we aan bij onze aanlegsteiger. Schoonpa werd Opa. Mijn kinderen zijn stapelgek op hem. Maar Opa tandarts gaat met pensioen. De tijd schrijdt onverbiddelijk voort. De praktijk werd verkocht. Ineens is hun huis mijn schoonouders veels te groot. Zonder pardon werd het te koop gezet. Hoe kunnen ze! Daar gaat mijn fijne aanlegsteiger weer. Ik was er zo aan gehecht.

Ik haat verandering. Toch ben ik over de hele wereld verhuisd en heb vele banen gehad. Ik ben nog wel steeds samen met mijn lief. Samen hebben we vier schitterende kinderen. Ik wil ze vastheid geven. Heel veel vastheid. Vastheid van ouderlijke liefde. De puurste liefde die bestaat. Ik moet al mijn ankers uitgooien. Voor goed. Zodat mijn losgeslagen schip rotsvast komt te liggen. Een diep verankerd startblok voor mijn kinderen om vandaan te sprinten. Iedere keer opnieuw. Een baken op de woelige baren van hun eigen zoektocht naar zichzelf. Toe maar. Ga maar. Ik blijf hier. Voor altijd.

Grote Lijnen

Denk grof
Alleen grote lijnen
Overzichtelijk
Laat de details maar
Sla alles plat
Alleen de essentie
Grote lijnen
Af op het doel
Rustige grote lijnen
Verfijning is verkleining
Vervelende verfijning
Wriemelende details
Problemen problemen
Gezeik en gezeur
Stil!
Het doet er niet toe
Zie het grote plaatje
De wereld moet plat
Simpel en eenvoudig
Kalme grote lijnen
Geen geneuzel
Geen gedoe
Mijn hemel

foto door Daphne Nankman