filosofie

Moeilijk

’t Is niet ingewikkeld, dat niet. Maar wel moeilijk. Snap je? Het gaat vooral om volhouden en niet terugvallen in oude gewoontes. En dat is dus heel moeilijk.

Soms moet je weer even leren om de dingen te zien zoals ze echt zijn. Terug naar de essentie. Dan moet je je luchtkastelen loslaten, en dat is vreselijk moeilijk. Niet ingewikkeld. natuurlijk, want ’t is gewoon een kwestie van niet meer vasthouden aan zinloze percepties en virtuele verworvenheden. Een minimale inspanning dus. Of nee, een ontspanning. En dat is dus zo on-we-zen-lijk moeilijk.

Vastklampen aan oude gewoontes en schijnwerkelijkheden is vele malen makkelijker. Oneindig veel gemakkelijker. Je vreest voor gezichtsverlies, maar eigenlijk ken je je echte gezicht niet meer zo goed. Wat er bij gezichtsverlies eigenlijk gebeurt is het omgekeerde. Je krijgt even je echte gezicht weer terug. Zoals het er echt uitziet. Je zou dat moeten zien als een geschenk in plaats van een kwelling, maar je raad het al, dat is fe-no-me-naal moeilijk.

Wijsheden tussen aanhalingstekens

Vorige week zat ik te eten in Der Pschorr in München. Een heel oud restaurant met die typische Beierse sfeer. Je weet wel, bediening in Lederhosen of Dirndels (afhankelijk van het geslacht) en iedereen eet Schweinehaxen met Semmelknödeln met grote glazen bier van de huisbrouwer (Hacker Pschorr). Op de tafel lag een soort krantje, en daarin kwam ik een rijtje met Beierse “wijsheden” tegen. Van die wijsheden die geen wijsheden zijn, maar met voldoende bier in de buik, wel grappig. Onderbroekenlol eigenlijk. Ik vond ze heel grappig, dus ik had blijkbaar voldoende bier in het bloed.

Nu heb ik dat krantje natuurlijk vergeten mee te nemen, maar ik weet deze nog (vrij letterlijk vertaald uit het Duits). Drink eerst even een biertje of 2, 3 voor je ze leest, dan zijn ze leuker:

Als de boer ploegt in mei, dan is april voorbij

Als het regent van voren, krijgt de stier natte horens

Kraait de haan in de mist, blijft het weer zoals het is,
maar kraait ‘ie op een hoen, heeft dat met het weer niets van doen 

Je ziet het patroon. Het moet nergens op slaan, maar wel rijmen. Dat moet ik ook kunnen:

Loopt een kip tegen het hok, dan hoor je “tok” (okee, gebaseerd op een al even flauw, bekend mopje…)

Blaft de hond bij het hek, dan komt er geluid uit zijn bek

Geloof me, met genoeg bier op, worden ook deze grappig. Maar als jij denkt dat je het beter kunt, kom dan maar op!

Ontmoet

we zouden ‘ns minder moeten zeuren,
minder zeiken en zaniken
we zouden beter moeten weten,
beter vertrouwen op ons verstand
we zouden ‘ns meer moeten geloven,
meer geloven in elkaar
we zouden ‘ns vaker moeten lachen
vaker onbedaard schateren
we zouden ‘ns vaker moeten leven
niet morgen, maar vaker leven in het nu
we zouden ‘ns meer moeten laten
meer laten los gaan, laat maar gaan
ja, we zouden ‘ns minder moeten móeten
ontsnap aan de waan van de dag, ontspan en ontmoet!

Wenkende perspectieven

Om redenen die ik niet helemaal begrijp hoor ik in mijn werkomgeving de laatste tijd vaak dat we van een wenkend perspectief willen uitgaan. Ik ben blijkbaar visueel ingesteld, want ik zie bij “wenkend perspectief” een soort paradijs voor me, een ideaal beeld, maar heel in de verte. Het pad ernaartoe gaat door wouden en dalen vol onbekende obstakels. Een heel eind van mijn gezichtspunt verwijderd staat op dat pad, bovenop een heuvel, een persoon die mij bemoedigend gebaart hem (of haar, dat kan ik niet zien) te volgen.

Ik vermoed de betekenis van streefbeeld. Een wenkend perspectief is dan een ideaalbeeld waar wij ons naartoe getrokken zouden moeten voelen. Wenkende perspectieven liggen in de verte, dus ze zijn niet voor iedereen even scherp zichtbaar. Het is voor velen een stip op de horizon. Wenkende perspectieven worden geschetst door visionairen. Dat doen zij met veel overtuiging, zodat leiders op basis van de hen voorgeschotelde visie besluiten om hele legioenen te mobiliseren en te verplaatsen in de richting van de stip. Een visionair kijkt alleen maar in de verte, dus die ziet de voorgrond dan weer onscherp. Op de tocht naar de stip loopt hij voorop en wijst in de richting van het wenkende perspectief. Over de manieren om er te komen spreekt hij breeduit, zonder concreet te zeggen hoe precies. Dat laat hij over aan het inzicht van zijn volgers. De visionair neemt alleen de twijfel weg of de richting juist is.

In de verte zie ik de toekomst. Achter mij zie ik mensen die mij verwachtingsvol aankijken. Ik tuur weer in de verte en zie warempel iemand wuiven, maar als ik met mijn ogen knipper is hij weg. Of nee, nu staat hij een heuveltje verderop. Ik wijs in de richting van het heuveltje en kijk weer achterom. Niemand beweegt, maar uit de groep komt een leider naar voren. Ik wijs hem de paden die ons mogelijk dichterbij ons doel kunnen brengen. Ik wijs hem op de door mij ingeschatte risico’s bij ieder pad. Dan kiest de leider resoluut de snelste en de goedkoopste van de paden die ik adviseerde. Ach, zolang we het wenkende perspectief maar niet uit het oog verliezen, vind ik het goed.

Het kaartenhuis

Ons kaartenhuis schudt op haar grondvesten
terwijl de koude wind erom heen giert,
trekkend aan de zwakste kaartjes.
Ze beven en steunen, klagen en kreunen.
Het kaartenhuis staat bijna op instorten.
Maar ach, als het onvermijdelijke dan gebeurt,
vegen we de kaarten allemaal bijelkaar,
wrijven ze weer warm tot ze blozen.
Dan bouwen we het kaartenhuis weer liefdevol op,
geroutineerd, kaartje voor kaartje,
zodat het de maatschappij weer even kan dragen.

Glunders voor nop!

Glunderen heeft te maken met nopjes, geloof ik. Als ik namelijk erg in mijn nopjes ergens over ben, dan ga ik helemaal vanzelf glunderen. Hoe dat glunderen dan gaat weet ik eigenlijk niet zo precies. Het gaat gewoon vanzelf. Zodra je in je nopjes bent. Volgens mij kun je het ook niet op commando. Alhoewel, als ik denk aan iets waarover ik erg in mijn nopjes was, dan komt de glunder toch best snel op mijn gezicht. Oogjes gaan glanzen, mondhoekjes worden van elastiek en trekken helemaal door naar de oren. 

In het woordenboek staat dat glunderen “opgewekt kijken” betekent. Maar glunderen is natuurlijk veel meer dan een opgewekte blik. Ik kan heel goed veinzen dat ik opgewekt kijk. Maar een glunder kun je niet veinzen. Glunders zijn altijd echt. Glunders komen van binnenuit. Ik denk dat je een glunder ook maar met heel veel moeite kunt onderdrukken. Ik kan het in ieder geval helemaal niet. Voor mij is dus geen pokercarrière weggelegd.

Ik vermoed eigenlijk dat de mensen met hele goeie poker faces gewoon veel te weinig in hun nopjes zijn. Ze walsen hun nopjes plat door hun trots en tevredenheid te onderdrukken en af te vlakken. Dat gaat deste makkelijker als je ooit eens in een soort nopjes-overdosis was. Na die overdosis valt alle geluk die je dan nog overkomt, in het niet. Je glunderweerstand is daardoor sterk vergroot, als het ware.

Je hebt ook mensen die totaal geen glunderweerstand hebben en zelfs doorslaan naar de andere kant. Die kunnen glunderen zonder in hun nopjes te hoeven zijn. Die lopen de hele dag gelukzalig voor zich uit te stralen. Die moeten eerst aan een moment denken dat ze ergens over in de put (een negatieve nop eigenlijk) zaten, om hun smoel glad te kunnen strijken.  

En dan nog dit bijzondere fenomeen: glunderen omdat je in de nopjes van iemand anders bent. Ouders en grootouders hebben daar bijvoorbeeld heel vaak last van als ze zien hoe trots hun (klein)kind is op een eigen prestatie. Die lekkere glunderkoppies die mijn kindertjes soms hebben om een eigen prestatie zijn gewoon ontzettend aanstekelijk. Dan glunder ik vanzelf mee, in hun kleine, o zo lieve nopjes. Gratis glunders, als het ware. Glunders voor nop! De allerlekkerste glunders zijn dat.

Woorden en daden

Daadkracht dat is, zeg maar, je capaciteit om daden te verrichten. Het maakt niet zoveel uit of het goede of slechte daden zijn. Hoe groter je daadkracht, des te makkelijker je overgaat tot daadverrichting. Koelbloedige moordenaars zijn dus bijvoorbeeld behoorlijk daadkrachtig. Daar worden ze vaak dik voor betaald. Net als topmanagers eigenlijk. Die worden ook geselecteerd op hun daadkracht. Een topmanager hakt los op lastige knopen en een moordenaar hakt er, zeg maar, ook op los.

Daden gaan vaak gepaard met woorden. Eerst is er dan het woord en vervolgens wordt daar een daad bij gevoegd. Zo gaat dat. De daad is de bekrachtiging van het woord. Je hebt mensen die aan 1 woord genoeg hebben om tot de bijbehorende daad over te gaan. Anderen hebben iets meer woorden nodig. Zolang ze de daad maar bij die woorden voegen vertonen ze een bepaalde mate van daadkracht. Daadkracht heb je dus in gradaties.

Mensen die zeggen dat ze iets gaan doen, maar vervolgens de daad achterwege laten, ontberen blijkbaar de moed om die daad te verrichten. Die zou je daadzwak kunnen noemen. Doe mij maar daadzwakke moordenaars. Niets mis mee. Dat zijn die spreekwoordelijke blaffende honden die heus niet bijten.

Maar er is nog een tandje erger. Je hebt ook mensen die A zeggen en dan vervolgens B doen. Die mensen verrichten een daad die niet in overeenstemming is met het woord. De verrichter van de daad is dan niet getrouw aan zijn woord. Het zijn de types waar je moeilijk vat op krijgt. Ze kronkelen en verdraaien je woorden, de valse slangen. Ik stap liever in een kennel vol blaffende honden dan in een kamer waarin zich één valse slang bevindt.

Maar wat moeten we dan met dit gezegde: geen woorden maar daden? Die moeten we maar niet al te letterlijk nemen. We grijpen naar dit gezegde als er teveel woorden zijn uitgesproken terwijl er nog niets is gedaan. Zolang dit uiteindelijk leidt tot de beoogde daad, is er niets aan de hand. Er was slechts een tijdelijke daadzwakte, maar met de juiste pep talk kregen we de mekkerende schapen allemaal over de dam.

Honden, slangen, schapen. Hebben we ze dan allemaal gehad? Nou, ik weet er nog wel eentje. Deze wezens leven volgens het motto: geen daden maar woorden. Deze wezens zijn bijzonder vaardig met woorden. Net als de slangen, maar dan zonder daadkracht. Op de momenten waarop ze hun verantwoordelijkheid moeten nemen, steken ze hun kop in het zand. In de politiek zie je ze maar al te vaak: struisvogels.

Zelf ben ik een man van woorden. Ik bouw er dammen mee.  

My Precious Lie

Last night I slept poorly
I seem to have lost my lie 

I think it lies low
to hide from the truths

Torturing truths that haunt me
Driving away the lie I cherisch most

Everyday worries paint too vivid pictures
On the inside of my buzzing skull

My headlights won’t switch off
Preventing me from submerging into my lie

If I could smash those lights
Smother the echoing worries

If I could just flush my mind
Paint black the inside of my skull

Worriesome truths be gone!
Come back to me, my precious lie!

blogs zijn egosculpturen

Misschien moet ik in de titel ook nog ergens het woordje “vaak” invoegen, maar zo zie ik blogs. Mijn eigen verwoede noten zijn duidelijk pogingen om mijzelf vorm te geven. Verwoed hak ik soms op mijn graniet los. Af en toe stuit ik ook op zachtere lagen en pak ik wat fijner gereedschap. Mijn blog spiegelt facetten van mezelf af.

Bij andere bloggers zie ik hetzelfde. Ze zijn bezig met hun eigen egosculptuur. Dat is vaak een zelfontdekking, maar ook al te vaak een zelfbevlekking. En hoe dikker dat laatste erop ligt, des te meer ik me daarover verbaas. De bloggers bij wie ik graag kom lezen zijn in mijn ogen heel authentiek. Daar hou ik blijkbaar van, van eigenheid. Oneigenlijke, gekunstelde dingen stoten me af. En het is een hele kunst om niet te kunstelen. Echte kunst is ongekunsteld. Echte kunst is eigenlijk geen kunst, als je begrijpt wat ik bedoel.

Zelf hou ik een handje vol blogs bij, en ik merk heel duidelijk dat de verhalen die me veel moeite kosten om te produceren, bijna altijd nul-komma-nul reactie of bezichtigingen krijgen. Ik ben dan gewoon te krampachtig. Dan wordt het dus veel te gekunsteld. En aan de andere kant kan ik me iedere keer weer verbazen over het aantal bezichtigingen en waarderingen bij verhaaltjes waarvan ik zelf dacht van: ach, ’t is niks, maar ik plemp het maar op m’n blog. Het stuk dat je nu probeert te verteren is er ook zo eentje. Dus ik verwacht louter lof.