Verhaal

Wurzel (sprookje met een knipoog)

Net als de meeste mannen in het kleine stadje werkte Hans zich krom in de glasfabriek. Van het geld dat hij verdiende kon hij zich zelf en zijn lieve vrouw Grietje maar net onderhouden. Grietje was bovendien zwanger. Het kind dat in haar groeide maakte dat de maaltijden steeds minder toereikend werden. Hans wachtte iedere maaltijd tot Grietje verzadigd was en at dan zelf wat er nog over was. Dat werd iedere dag minder en minder.

Hans en Grietje woonden in een sober flatje met een heel klein balkonnetje dat uitkeek over het weelderige landgoed van Baron von Gönthel, eigenaar van zo’n beetje alles in het stadje, en zo dus ook de glasfabriek waar Hans werkte. De Baron was zeer machtig en werd door iedereen gevreesd vanwege zijn legendarische en duistere magische krachten waarvan men zei dat deze steeds van zoon tot zoon werden doorgegeven. Misschien was het een legende die de Baron zelf had gecreëerd, maar dat durfde niemand hardop te beweren. Uit angst voor zijn toorn.

De Baron was bitter en boosaardig, wat men weet aan het feit dat zijn vrouw hem enkel dochters had geschonken, en geen zoon. Zeven dochters in totaal. Ieder van hen bloedmooi, zoals hun moeder die na de geboorte van de zevende dochter plotseling aan een mysterieuze ziekte was overleden . En hoewel de dochters geen van allen de magische krachten van hun vader hadden geërfd, hadden ze allen wel zijn boosaardige en wrede karakter geërfd. Daarom zette de Baron ze in om zijn fabrieken te leiden. Ze genoten zijn volledige vertrouwen en voerden zijn wil uit met welliswaar prachtig gemanicuurde, maar ijzeren hand.

Op een avond, na het eten stond Grietje met een tergend rammelende maag op hun kleine balkonnetje, weemoedig te turen over de tuinen van de Baron. Heerlijke geuren dreven uit de tuin omhoog. Grietje snoof de geuren gretig op. Omdat ze zwanger was was haar reukvermogen sterk vergroot. De baby in haar buik wilde meer. Het had meer nodig om te groeien. Plotseling kreeg Grietje ontzettend veel zin in worteltjes. Ze rook zelfs de geur van worteltjes. Ze keek naar beneden en direct onder haar zag ze in de uitgestrekte landerijen van de Baron een veld vol met wortels. “Hans”, riep ze hees, “Hans, ik móet wortels eten of ik besterf het!”. 

Hans hield zielsveel van Grietje en wilde haar niet verliezen. Uit angst dat dat zou gebeuren besloot hij om diezelfde nacht nog worteltjes voor zijn vrouw te gaan plukken van het landgoed van de Baron. Het landgoed was omringd door hoge muren maar het lukte Hans om er overheen te klimmen via de weelderige wilde wingerds die tegen de muur groeiden. Hans plukte een handvol wortels en bracht ze naar Grietje die er een heerlijke hutspot van bereidde die ze gretig op at. Waar Hans al voor vreesde, smaakte het Grietje naar meer, en zo kwam het dat Hans iedere avond heimelijk over de muur van de Baron klauterde om worteltjes voor Grietje te stelen. Zijn angst om Grietje te verliezen was groter dan de angst voor de Baron.

Op een avond, toen Hans net een grote zak worteltjes had gerooid en hij net weer terug naar huis wilde gaan, hoorde hij naderende voetstappen. Snel rende hij weg, maar het was te laat. Voor hem doemde ineens de duistere gedaante van Baron von Gönthel op. Nu was het met hem gedaan, dacht Hans. Maar de Baron vroeg Hans slechts met rustige stem: “Beste man, waarom steel jij mijn heerljke worteltjes?”. En Hans legde uit dat hij ze nodig had voor zijn hoogzwangere vrouw, opdat ze niet dood zou gaan. Tot zijn verbazing keek de Baron hem vriendelijk aan en zei: “Een zeer goed doel voor mijn worteltjes. Neem daarom gerust zoveel als je nodig hebt. Je hebt mijn toestemming, maar….”, en plotseling begon het te waaien en de Baron vervolgde bijna fluisterend: “…maar op één voorwaarde!”. Bevend knikte Hans met zijn hoofd. “In ruil voor mijn wortels moeten jullie je kind aan mij afstaan als het wordt geboren. Ik zal voor hem zorgen als ware hij mijn bloedeigen zoon”. Hans knikte zwijgend en rende snel weg en hoopte dat de Baron het zou vergeten, maar de Baron riep hem na: “Denk eraan! Je eerstgeborene is van mij! Ik vergeet het niet”

Hans was al lang blij dat hij nog leefde en vertelde Grietje over zijn ontmoeting met de Baron. Grietje was erg geschrokken maar ze dacht dat de Baron, die het toch erg druk had, het wel zou vergeten. Maar de Baron vergat het niet. Op de dag van de geboorte klopte hij bij Hans en Grietje aan. “Ik kom mijn zoon halen en ik noem hem Wurzel”, zei hij. Grietje stierf van verdriet om het verlies van haar prachtige zoon. Wat er met Hans gebeurde weet niemand. De Baron hield zich wel aan zijn belofte dat hij Wurzel zou opvoeden als ware het zijn eigen zoon. Het ontbrak Wurzel aan niets en hij groeide uit tot een charismatische en sterke jongeman met een buitengewoon lange bos rode dreadlocks dat op zijn twaalfde al tot aan zijn enkels kwam. 

Wurzel respecteerde zijn machtige vader, maar hun karakters botsten. Wurzel was waarschijnlijk de enige in het stadje die de Baron durfde tegen te spreken. Wurzel was niet bang voor de Baron. Daarom sloot de Baron Wurzel op in een hoge toren met enkel één venster en geen deuren zodat Wurzel niet kon ontsnappen en niet met andere mensen kon praten. De toren stond  ver weg van het stadje, midden in een uitgestrekt woud. De enige met wie Wurzel mocht spreken was de Baron zelf die iedere ochtend aan de voet van de toren kwam staan om Wurzel voedsel en drank te brengen en riep dan: 

Wurzel! Gooi je stinkende rode dreadlocks naar beneden!

En Wurzel gooide zijn machtige trossen vette dreadlocks naar beneden en liet de Baron er langs naar boven klimmen. Zo had Wurzel tenminste nog enige aanspraak. Hij verachtte de Baron, maar hij was van de Baron afhankelijk. Wurzel bracht verder zijn tijd door met het bespelen van zijn Djembé, wat je van heinde en verre kon horen. 

Op een dag wandelde er een beeldschone prinses door het woud dat grensde aan het land van haar vader. Ze hoorde het geluid van Wurzel’s Djembé en merkte dat haar voeten begonnen te dansen op het opzwepende ritme. Nog nooit had ze zich zo heerlijk gevoeld. Ze moest de bespeler van de Djembé ontmoeten en daarom ging ze op zoek. Al snel ontdekte ze de hoge toren met het enkele raampje en zag Wurzel’s gespierde lijf in de opening ervan zitten. Ze werd op slag verliefd. 

De prinses probeerde die avond een ingang in de toren te vinden maar vond er geen. Maar op een dag zag ze de Baron naar de toren lopen. Hij zag niet dat de prinses hem volgde en bespiedde toen hij riep:

Wurzel! Gooi je stinkende rode dreadlocks naar beneden!

Zoals altijd deed Wurzel dat en de Baron kon naar boven klimmen. Diezelfde avond nog sloop de mooie prinses naar de voet van de toren en riep voorzichtig:

Wurzel! Gooi je stinkende rode dreadlocks naar beneden!

En jawel, daar vielen Wurzel’s geurende dreadlocks al naar beneden. Wurzel vroeg zich al af waarom de Baron voor een tweede keer kwam die dag en waarom zijn stem zo vreemd klonk. En zijn verbazing was kompleet toen er een beeldschone vrouw door het venster naarbinnen klom. Ook Wurzel was op slag verliefd. De prinses wilde hem ontvoeren, maar hoe kon Wurzel uit de toren ontsnappen? De prinses wist raad. Ze zou iedere dag een zakdoekje bij Wurzel achterlaten die hij dan aan elkaar moest naaien om er een parachute van te maken. Zo gezegd, zo gedaan. Vanaf die dag kwam de prinses iedere avond dansen op Wurzel’s opzwepende Djembémuziek en liet een zakdoekje bij hem achter. Het liep allemaal volgens plan. De parachute was al bijna klaar.

Maar op een dag, toen de Baron hem weer te eten kwam brengen versprak Wurzel zich toen hij vond dat de Baron toch wel erg zwaar aan zijn dreadlocks hing in vergelijking met de mooie prinses. Hij klaagde: “Ach Baron, hoe komt het dat u toch zoveel zwaarder aan mijn dreadlocks hangt dan mijn lieftallige prinses?”. De Baron was des Duivels toen hij dit hoorde. “Jij slechte jongen!”, briestte de Baron. Hij trok zijn grote kromzwaard en met één houw, hakte hij de gigantische trossen dreadlocks van Wurzel’s hoofd en sprak een duistere bezwering uit. Wurzel viel in slaap en werd wakker in een dorre woestijn, zonder eten of drinken.

De Baron knoopte Wurzel’s dreadlocks vast aan een haak onder het venster en wachtte de prinses op in de toren. Hij gooide ze naar beneden toen hij haar hoorde roepen:

Wurzel! Gooi je stinkende rode dreadlocks naar beneden!

De prinses klom haastig langs haar geliefde dreadlocks omhoog en kwam oog in oog te staan met de boosaardige Baron. “Je drummertje is gevlogen! Je ziet je mannetje nooit meer terug. “, gilde de Baron terwijl hij dreigend zwaaiend met zijn grote kromzwaard op haar af liep. Wanhopig dook de prinses uit het raam. Doornstruiken braken haar val maar bekrasten haar prachtige gezicht en staken in haar beide ogen zodat ze blind werd. Ze zwierf jarenlang, door niemand herkend rond tot ze op een dag terecht kwam in de dorre woestijn waar Wurzel had weten te overleven en waar hij een eenvoudige hut had gebouwd en zelfs een djembé had gemaakt.

Ze hoorde ineens een bekend ritme en haar voeten begonnen vanzelf ritmisch te bewegen in de richting van het geluid. Wurzel zag haar en herkende haar aan haar mooie voeten en haar prachtige dansbewegingen. Huilend van geluk rende hij naar haar toe en nam haar in zijn sterke armen. Toen zijn tranen op haar gezicht vielen genazen haar ogen en kon ze weer zien. Samen reisden ze naar het land van haar vader, trouwden en leefden nog lang en gelukkig. 

Einde

Gestrand in niemandsland

Met mijn laptop op mijn knieën zit ik op Arlanda Airport te wachten op mijn vlucht naar Luleå. Mijn billen lijken wel van blik. De stoelen in de vertrekhal zijn niet gemaakt voor de lange zit. Na een tijdje wil de stoel dat je oprot. Toch zit ik er al ruim een uur in. Ik verdrijf de tijd met het prachtige boek “Italiaanse Schoenen” van Henning Mankell dat ik op Schiphol, na de douane in een opwelling nog even snel heb gekocht. Onderweg naar Stockholm was ik er al in begonnen te lezen en het verhaal pakte me onmiddelijk. 

Het verhaal speelt zich voor een belangrijk gedeelte af in Härjedalen, een prachtige Zweedse provincie. Dezelfde provincie waar mijn gezin en ik pertinent iedere zomervakantie naartoe moeten. Ja, moeten. Het is er zo mooi dat je er nooit genoeg van krijgt. Mankell’s aangrijpende boek speelt er zich af in de bittere winter en is vervuld van bitterheid, eenzaamheid en de dood. Het pakt me deste sterker omdat ik het landschap waar het zich afspeelt zo duidelijk voor me kan zien, alleen dan in het wit. Ik zie het eigenlijk altijd in het groen. Zo’n scherp contrast: groen tegen wit, leven tegen dood, warm tegen koud.

Mankell heeft het in het boek over een bosven dat zo zwart is als inkt. Het lijkt geen bodem te hebben en alles dat erin leeft moet zelf ook zwart zijn, zo schrijft hij. In zijn typische stijl van korte zinnen met eenvoudige woorden maar vol betekenis. Elke zin is precies afgemeten. Hij inspireert me. Ik neem me voor om de bosven op te zoeken in de volgende vakantie. Het ligt aan het einde van een houthakkersweggetje in de buurt van een berg met de prachtige naam: Aftonlöten. Alleen al vanwege de naam van de berg wil ik er heen. 

Ik ben nu op zakenreis naar Luleå, maar ik ben blijven steken op de luchthaven van Stockholm. Het komt allemaal door mijn bagage. Ik reis erg licht met mijn laptoprugtas met de essentiële gadgets en een klein sporttasje met kleding en de nodige toiletartikelen. Dat sporttasje moest ik op Schiphol inchecken van een vriendelijk glimlachende, hemelsblauw gemantelpakte tuttebel. Het woog toch echt maar 5 kilo. In het vliegtuig begreep ik waarom. Het zat bomvol. Toch had ik voet bij stuk moeten houden, want dan was ik namelijk niet gestrand in Niemandsland.

Na het inchecken van mijn sporttasje, kreeg ik een bewijsje waarop ik las dat mijn bagage automatisch door zou worden getransfeurd naar Luleå. Dat leek me dan wel weer handig en ik maakte me er maar niet meer druk om. Boven de wolken las ik mijn boek onder het genot van een muffe KLM-sandwich en een kop koffie. Op Stockholm liep ik rustig van de ene kant van het vliegveld naar de andere kant en checkte in voor mijn doorreis naar Luleå. Lekker op tijd belde ik mijn collega maar eens op die al een dag eerder naar Luleå was gereisd. We besloten om nog wat te gaan stappen in Luleå en stemden een tijd af. “Ik moet nog wel eerst mijn bagage ophalen”, zei ik, “dus het duurt ietsje langer dan”.

“Hoezo heb je je bagage dan ingecheckt?”, vroeg mijn collega toen bezorgd. In zijn ervaring kon mijn bagage namelijk niet automatisch worden getransfeurd naar Luleå: “Ik zou het voor de zekerheid maar even uitzoeken”, was zijn advies. En dat heb ik gedaan. Resultaat: mijn sporttas en ik werden gelukkig herenigd, maar mijn vliegtuig naar Luleå was gevlogen. Zonder mij. Ik kon kiezen uit twee alternatieve vluchten. Ik moest er sowieso een nieuw ticket voor kopen. De eerste vertrok over anderhalf uur en de tweede over 4 uur. Het prijsverschil was ongeveer even groot als het verschil in wachttijd. Nederlands calvinisme in volle glorie: ik koos het goedkoopste alternatief en 4 uur wachten op een vliegveld.

Ik ga maar alvast langs customs en struin wat langs de taxfree shops. Er is niets te koop dat ik wil hebben. Ik hang even aan een koffiebar, maar het is er niet gezellig. Voorbij customs beland je in Niemandsland. Het land dat van niemand is en waar iedereen niemand is. Dus het is het land van iedereen. Ik claim er even mijn stukje van. Mijn kont op een harde stoel en mijn voeten op mijn tas. Laptop op schoot en even lekker de tijd wegbloggen. En voor ik het weet mag ik boarden. Het is een avondvlucht. De zon is al mijlen voorbij de horizon. Of ik een isle of een window seat wilde, vroeg de SAS-dame toen ze de nieuwe ticket voor me maakte. Ik nam zonder na te denken de window seat. Principieel heb ik door het raampje naar buiten getuurd. Helaas, geen poollicht gespot.

Hyperonopvallendheid

Het licht gaat uit en de rolluiken voor de winkelingang rollen met zacht gebrom naar beneden. Gerda legt de kleurstalen die de winkelbediende over haar schouder had gelegd opzij en staat op van de hippe tweezitter waar ze zich rond de middag op had neergevleid. Zelfs op dit knalroze bankje dat heel prominent en pal voor de ingang van de winkel staat, viel ze niet op. En dat is Gerda ten voeten uit: onopvallend. Nee, onopvallendheid is alleen nog maar het gebrek aan opvallendheid. Gerda is hyperonopvallend.

Gerda is zo onopvallend dat in haar aanwezigheid dingen die normaal niemand opvallen, ineens door iedereen gezien worden. Het verklaart onder andere dat het minieme weeffoutje in de bekleding van het bankje waar ze net van was opgestaan, tot ontsteltenis van de verkoper, door tientallen mensen onmiddelijk werd gespot. Ondanks haar lichtblauwe legging en haar okergele houtje-touwtje-jas had niemand Gerda opgemerkt. Ze veegt haar lange, sluike, peper-en-zout-haren naar achteren, zodat het niet meer voor haar ogen hangt en loopt naar de roltrappen.

Gerda krijgt er een enorme kick van om na sluitingstijd in verlaten winkelpanden te lopen. Het is het soort hobby dat je automatisch krijgt als je aan hyperonopvallendheid lijdt. Niemand belet haar. Ze doet het omdat ze het kan. Op blote voeten beklimt ze de metalen treden van de slapende roltrap. Op de verdieping waar ze nu uitkomt is het een stuk lichter, wat komt door de grote galerij met de gigantische glazen wand aan de voorzijde van de winkel. Gerda loopt naar de galerij en drukt haar neus tegen het glas. Beneden op straat is het uitgaansleven van de stad op gang aan het komen. Op het plein lopen overal mensen. Niemand ziet Gerda over de gallerij huppelen.

Niemand ziet Gerda klauteren in de grote klimboom in de apenkooi waar winkelende ouders hun kinders kunnen stallen terwijl zij zelf een nieuw interieurtje uitzoeken. Even later glijdt Gerda met een zacht gilletje van plezier naar beneden over de superglijbaan die door de halve winkel spiraalt. Ze landt met een hoop kabaal midden in de grote ballenbak. Proestend van het lachen komt ze weer boven ballen. Nog steeds grinnikend klimt ze weer uit de ballenbak en loopt weer naar het grote raam. Plotseling is haar vrolijkheid verdwenen. Niemand ziet haar daar staan. Niemand.

Ontwapend

Ik zeg niks”, zegt zij. Hij wil bijdehand terugwerpen dat ze zichzelf tegenspreekt, maar zegt niks terug. Hij kijkt haar alleen aan met een blik waarvan hij hoopt dat het een onverschillige is. Zij doet daarop driftig haar armen over elkaar en kijkt hem verbeten aan. Hij opent zijn handen en trekt zijn wenkbrouwen op. Even gaat zijn mond open, maar hij klemt zijn kaken meteen weer dicht.

“Ja, ik zeg dus niks”, zegt zij weer. Hij moet dat blijkbaar wel doen, maar vertikt het. Zijn lichaam werkt alleen niet mee. Zij trekt heel overdreven haar schouders op en doet hoofdschuddend haar mond open met haar tong half naar buiten. Hij klemt zijn kaken weer nijdig op elkaar en ontspant zijn schouders terwijl hij zijn longen door zijn neus leegblaast. Ook sluit hij zijn ogen om ze enkele tellen later weer rustig te openen. Zij kijkt nu nijdig door het raam naar buiten, de armen nog steeds over elkaar. Haar linkerbeen wipt over haar rechter knie.

Nu wendt hij zijn gezicht ook af en kijkt ook naar buiten. Twee mezen fladderen driftig rond een vetbol die hij in de boom heeft gehangen. Vanuit het niets springt daar ineens de kleine poes door de lucht, de zwaartekracht om de tuin leidend. Haar voorpoten maaien naar de fladderende mezen. Ze mist er eentje op een veertje na en wordt dan weer door de zwaartekracht teruggegrepen. Pardoes dondert poes, kat-onwaardig midden in een struik. Dolkomisch natuurlijk en hij schiet in de lach en zij tegelijkertijd ook. Hij kijkt naar haar en ze heeft de tranen op haar gezicht staan van het lachen.

“Stomme kat ook”, zegt hij en denkt dat het ijs nu weer is gebroken. Ze zit nog steeds te schuddebuiken en kan haar lachen nauwelijks onderdrukken. Dikke tranen biggelen over haar wangen. Maar ze wil helemaal niet lachen, en zoals alleen vrouwen dat kunnen, lukt het haar om tussen de lachstuipen door ook kwaad naar hem te kijken. Plotseling vindt hij haar oneindig lief. Hij is ontwapend en slaakt de diepste zucht ooit. Dan zegt hij zacht: “o…kee….”.

Post content

De blogger klapte zijn laptop open waardoor het ding met een schor piepje ontwaakte uit zijn sluimertoestand. Even later toonde het de blogger zijn meest gebruikte programma: een webbrowser dat hij had uitgedost met allerlei snufjes, waaronder een blogverwerker dat nog open stond. Het toonde een nog maagdelijke blogpost. Lege titel en ook het vlak onder “post content” was nog leeg.  

Lange tijd staarde hij eerst naar het nog lege, witte vlak. Zijn vingers beroerden zachtjes het toetsbord, alsof hij het voor het eerst in zijn leven aanraakte. De toetsen beantwoordden zijn streling met een zacht maar bemoedigend geratel. Hij drukte voorzichtig de shift-toets in, alsof hij bang was dat hij aan de andere kant van het web een orkaan zou veroorzaken. Weer staarde hij naar het nog immer blanke vlak. “Post content”, dacht de blogger verdwaasd.

Het lege vlak leek groter te worden deste langer hij ernaar staarde. Daarom klapte hij zijn laptop geirriteerd, met een klap dicht. Zuchtend gooide de blogger zijn laptop in de hoek van de bank en stond op om een kop koffie te tappen. Hij trok de pot met koffiepads open en keek er in. Er zat nog precies 1 pad in. De blogger stak zijn neus even in het blik en haalde het er vol afgrijzen weer uit. De pad rook naar een vochtige, bruine, papieren zak. Desondanks legde hij het toch in de senseo en liep even later met een kop heet slootwater terug naar de bank.

De blogger nam een slokje slootwater en probeerde smakkend de smaak van koffie te zoeken in zijn mond, maar hij had net zo goed een slok afwaswater kunnen nemen. Hij pakte zijn laptop maar weer en klapte het weer open. “Post content”, dacht de blogger weer, “post content…”. Die twee woorden bleven hem maar bezig houden. Hij typte het daarom maar eens in het titelvak. In het grote vak eronder schreef hij om te beginnen maar eens:

Wees een vent en schrijf dan in godsnaam maar iets over post content!!!! 

Vaak moest hij namelijk gewoon beginnen met schrijven. Het maakt niet uit wat. Gewoon beginnen en zien wat er uit zijn vingers zou komen. Wat er nu stond was natuurlijk wanstaltig, maar hij liet het toch staan. Om zichzelf uit te dagen. Hij zette de dialoog met zichzelf maar eens op scherp: “Wat een waardeloze eerste zin! En dan die belachelijke uitroeptekens! Kun je echt niet beter vandaag!?”. Als antwoord kreeg hij alleen wat gestamel en een geërgerde zucht. 

Nijdig zette de blogger, om zichzelf te ergeren, er nog 80 uitroeptekens bij en wenste toen dat hij de tekst ouderwets en woest uit de laptop kon trekken om het te kunnen verfrommelen en in een hoek te smijten. In plaats daarvan tilde hij zijn arm op en liet zijn vinger zwaar op de backspace landen. Letter voor letter vermoordde hij dit afstotelijke kind. Een belangrijke vaardigheid voor een schrijver: je aan je eigen hoofd ontsproten creaties kunnen ombrengen. Tevreden keek hij naar het resultaat: een leeg vlak. “Wis content”, dacht hij nu triomfantelijk. 

“Post content”, stond er nog steeds in de titel. “Ach!”, dacht de blogger ineens, en sloeg zich zo hard tegen zijn hoofd dat het gonsde. “Wat een bak!”, riep hij toen uit, “maar dáár zit wel een geinig stukje in!”. En toen schreef hij het hele voorval in één ruk van zich af, om er maar vanaf te zijn. Toen hij klaar was las de blogger zijn woorden nog eens door. Niet bepaald de sterren van de hemel geschreven, maar dit kind wilde hij wel een kansje geven, dus hij postte het zonder aarzeling naar zijn blog. “Post content!”, sprak de blogger tevreden en sloeg zich lachend op zijn knie.

Zemelhanen

Heeee, lang niet gezien! Hoe is het met jou?

Ach, de rug wordt toch minder hè, maar verder mag ik eigenlijk niet klagen. En jij?

Mwoch, afgezien van mijn knieën gaat ‘ie in principe best lekker.

Zo zo. Mooi hoor. Ach jij ook met je krakende knieën! … Hoorde je dat?

Wat?

Dat knak-knak-geluid. Dat zijn mijn onderste ruggewervels. Helemaal verrot joh.

Lachuh zeg! Doe nog es?

Wacht effe…oe…doet een tikkie zeer maar

Hahahaha!

Ja lach jij maar, het is anders geen pretje.

Ja, net als mijn piepende schouders. Dat is echt zo naar.

Laat es horen dan?

Let op…ai…aaah

Hihihihi, wat maf. Nou, jij kán ze tenminste nog zo draaien. Bij mij zit ’t helemaal op slot.

Dat ken ik maar al te goed. Heb ik een half jaar voor bij de fysio gelopen.

Ik loop er al bijna 2 jaar voor bij de haptonoom. Helpt allemaal niks.

Nee! Wat rot voor je. Nou, mijn nieuwe wagen met massagestoel is wel een uitkomst hoor. Kom ik heerlijk…eh redelijk los op mijn werk. Is ook wel iets voor jou misschien.

Ach, wees blij dat jij nog zélf kunt rijden. Ik heb tegenwoordig maar een chauffeur. Wordt overigens helemaal vergoed door de verzekering.

Zo zo, bofkont. Mijn verzekering wilde mijn aangepaste auto die ik toch echt nodig heb om nog enigszins te kunnen functioneren, niet vergoeden. Geen cent keerden ze uit. Ik moest er ons huis voor verkopen om niet failliet te gaan. We zijn er erg op achteruit gegaan.

Zo, daar word ik wel even stil van. Dat klinkt niet best.

Nee, ’t is nie best nee. We wonen nu noodgedwongen in een hutje op de hei. Krap 450 vierkante meter. Maar wel knus, dat wel.

Tjongejonge.

Nou, en ik ben ook nog eens hardstikke allergisch voor hei.

Daar kan ik over meepraten. Zie je deze vlekken?

Ziet er niet best uit. Uitslagje?

Uitslagje?? Nee joh, dat is afgestorven huid. Visallergie. Als ik nu ook maar vislucht ruik, krijg ik binnen 10 seconden een shock. Ik moest er mijn directeursfunctie voor opgeven.

Jij directeur? Goh. Waar dan?

Ik was directeur van een grote visafslag. Nu ben ik noodgedwongen directeur van een Zwitserse chocoladefabriek. Ik moest van de dokter naar Zwitserland verhuizen namelijk. Vanwege de schone, visluchtvrije lucht. Is ook best behelpen hoor.

Jaaa ja. Goh.

Oei, is het al zo laat. Ik moet rennen…als ik dat zou kunnen tenminste. Nou, het ga je goed hè. Hou je maar taai ouwe mopperkont.

Insgelijks! En hou jij je ook taai ouwe knorrepot.