Verhaal

ik ga op vakantie en neem mee: 738 boeken, …

Nou, ‘k heb er sinds eergisteren ook eentje hoor. Een iiiiirieder. Ik kon niet langer om de praktische kanten van zo’n apparaat heen. Het weegt niks, en bevat met gemak je complete boekenkast. En dat is dan ook precies wat ik straks meeneem (welja, een palyndroom) op vakantie. Dankzij de grootte van mijn gezin passen er meestal maar 2 of 3 boeken van pa bij in het doedingen-krat. Ik neem meestal een ontspannend stuk scifi en/of fantasy mee van een stapeltje boeken dat mijn vrouw al heeft verslonden, en koop on the go in een boekenwinkel op het allerlaatste moment nog een afgeprijsd boek.

En als ik dan heerlijk in het zonnetje zit met één van die drie boeken, de fantasy, kom ik er al na 20 bladzijden achter dat het boek me tegenvalt. Dus ik leg het weg en pak boek nummer twee. De scifi. Maar die is ontzettend langdraderig en bepaald niet ontspannend. Dus ook die gaat aan de kant. En tot overmaat van ramp blijkt mijn last-minute-boek een groot drama vol cliché’s. Dan maar net zo lang spelletjes doen met de kinderen tot mijn vrouw haar boek, dat mij hopelijk wel kan bekoren, eindelijk uit heeft.

Maar dit jaar gaat het anders. Met mijn vederlichte iiiirieder volgestauwd met 738 boeken kan het bovenstaande scenario niet optreden. En ik doe gewoon hetzelfde als altijd, maar nu digitaal. Mijn vrouw heeft namelijk al een jaartje zo’n iiiirieder, en dus al een aardige digitale boekenkast. En nu pak ik ik niet 1 of 2 boekjes van haar stapeltje, nee ik kopi…eh…backup gewoon haar hele collectie naar mijn apparaatje. Ook scharrel ik her en der wat iiiiboekjes van het internet op, ter aanvulling.

En als ik dan strakjes heerlijk in het zonnetje zit met mijn iiiiriedertje, komen mijn kindertjes vragend bij me staan. Nee, papa kan nu geen spelletje doen jongens. Ga maar lekker naar die leuke speeltuin daar. Papa is even lekker aan het snuffelen in zijn boekenkast. Er zit beslist iets bij dat niet zal tegenvallen. Je zult dan natúúrlijk zien dat het eerste de beste boek al gelijk raak is, maar dat risico neem ik dan maar voor lief.

Handdrukduel

Een nieuw gezicht neemt mij op als ik de vergaderkamer binnen stap. Ik zie nieuwsgierigheid en verwachtingen. Van mijn leeftijd, zo schat ik. Dus ben ik meteen tot je-en-jijen geneigd. Hij staat meteen op van zijn stoel en zet een stap in mijn richting. Zijn rechter hand maakt een royale zwaai naar achteren en omhoog, om vervolgens zijwaarts op me af te duiken. Theatraal blijft de hand voor me in de lucht hangen. Het breeduit glimlachende gezicht van de aanbieder kijkt me met afwachtende blik aan.

Ik kijk de man rustig en (hopelijk) nieuwsgierig aan en steek twee tellen later mijn hand recht naar voren en neem de aangeboden hand aan. Normaal gesproken moet er voor een handdruk die prettig is voor beide partijen een zeker contactoppervlak zijn tussen de twee handen. De duim-oksels moeten lekker tegen elkaar sluiten en de handpalmen op elkaar. Dat lijkt mij de algemeen geaccepteerde handdruk. Maar de ander denkt daar duidelijk anders over. Al voor ik mijn duimoksel tegen de zijne heb, knijpt hij zijn hand dicht waarbij zijn vingers een rechte hoek met de rug van de hand maken. Een ongemakkelijke handdruk is het resultaat. Ik voel autoriteit gemengd met onzekerheid. Ik knijp terug en zorg dat hij zijn hand pas los kan laten als ik mijn naam heb uitgesproken. Hij moet zelfverzekerde autoriteit voelen van mijn kant. 

In het gesprek dat dan volgt blijken we mentaal toch elkaar’s gelijke. Er woedt een beschaafde egostrijd waarin we – ongemerkt voor de anderen aan tafel – schermen met kennis en ervaring. Een waardige opponent ondanks de hoekige handdruk. Ik zie uit naar het volgende duel. 

Gerda’s heldendaden

De verkoper wreef genoegzaam in zijn handen toen hij de blonde dame in mantelpak de showroom zag binnen lopen. Ze liep recht af op een glanzend opgepoetste occasion. Een metallic grijze Renault Megane Cabrio die een maand geleden nog helemaal om een boom gevouwen had gelegen. De wagen was eigenlijk total loss verklaard, maar toch stond hij hier in de showroom te glimmen als een verse hondenkeutel in de maneschijn.

De mannen in de workshop hadden de wagen weer rechtgetrokken, uitgedeukt en opgekalefaterd met allerlei onderdelen van de sloop. Eigenlijk was het onderstel van de wagen helemaal ontzet geweest waardoor het behoorlijk verzwakt is, maar dat zie je niet aan de buitenkant. Ja, alleen een echte Renault Expert zou het heel misschien kunnen zien als hij op een afstandje recht voor de auto hurkt en met één oog dichtgeknepen langs de auto kijkt. Dan zou hij heel misschien opmerken dat de achterwielen niet helemaal recht achter de voorwielen staan. Het gaat om millimeters, dus dat ziet echt niemand.

De blonde zakendame loopt verlekkerd om de cabrio heen. “Mooi hè”, zegt de verkoper,  “net binnengekomen, echt een plaatje”. De blonde dame kijkt op en neemt een iets meer onverschillige houding aan. “Doet het elektrische dak het?”, vraagt ze dan. De verkoper zwaait de bestuurdersportier open en zet de wagen op contact. De achterkant van de auto vouwt zich even later zoemend open en het dak ontvouwt zich.

Niemand merkt de kleine spichtige gestalte op die op dat moment langs de auto loopt. Ze draagt nog wel een knalgele regenjas met daaronder felrode regenlaarzen. Maar daar is ze wel aan gewend. Niemand merkt Gerda op. Ze is erg onopmerkelijk. Eigenlijk is alles opmerkelijker dan Gerda. In haar aanwezigheid vinden mensen ineens spelden in hooibergen omdat ze plotseling in het oog opspringen.

Voor Gerda is dit natuurlijk nogal frustrerend. Op vierjarige leeftijd vergat zelfs haar eigen moeder dat ze bestond. Ze was hiervoor in therapie gegaan bij een psycholoog, maar ook die beste man vergeet steeds dat ze zijn patiënt is. Maar ze had nog geen dag spijt gehad van haar besluit om naar de psycholoog te gaan, want daar had ze de eerste persoon ontmoet die haar wel opmerkte. Een ongelooflijk vreemde kerel met woeste haren en borstelige wenkbrouwen. Hij had haar heel indringend aangekeken met zijn fonkelende ogen. Otto, zo heette hij.

Maanden na hun eerste ontmoeting stond Otto ineens naast haar. Ze maakte, ver na sluitingstijd, een nachtelijk wandelingetje door het Rijksmuseum. Als je aan hyperonopvallendheid lijdt, dan is gratis toegang tot musea één van de geneugten. Toen ze voor de Nachtwacht stond, stapte er ineens een enorme gozer met een woest kapsel uit de schaduw. “Schrik niet”, zei hij, “ik ben het, Otto”. Ze schrok zich rot en in een reflex hield ze haar adem in en maakte zich zo onopvallend mogelijk. “Doe geen moeite, ik zie je heus wel”, zei Otto rustig.

Ze hadden lang gepraat daar bij de Nachtwacht. Otto had haar geadviseerd om te proberen haar uiterst zeldzame eigenschap om te buigen in iets positiefs, iets waar ze voldoening van zou krijgen. Iets waarmee ze anderen helpt de dingen te zien die voor hen gemaskeerd worden. En daarom loopt ze in de showroom van deze oplichter. Ze had gezien hoe de Cabrio eruit had gezien. Hoewel ze bewondering had voor het resultaat van het werk aan deze auto, wilde ze voorkomen dat de blonde vrouw de auto zou kopen.

De blondine liep om de auto heen. Haar hoofd een beetje schuin. Voor de auto zet ze langzaam enkele passen naar achteren. Gerda zwiert draaiend met haar regenjas langs de auto. Plotseling fronst de blondine haar wenkbrouwen, “Is deze wagen echt ongevalvrij?”, vraagt ze dan. “Ja hoor mevrouwtje, 100%”, zegt de verkoper zelfverzekerd, maar er parelt een dikke druppel zweet onder zijn toupetje vandaan die hij snel wegdept met een zakdoek.

De blonde vrouw hurkt dan naar beneden en kijkt met één oog langs de linkerzijde van de auto. “Ik zou anders zweren dat die achterwielen ietwat naar links staan ten opzicht van de voorwielen hoor”, zegt ze dan verontwaardigd. “Maar mevrouwtje…”, probeert de autoverkoper, maar de blondine kapt hem bits af: “Niks mevrouwtje! Verkoop dit wrak maar aan een ander!”. Gerda rent langs de verbijsterde verkoper en plukt zijn toupetje van zijn kop. Ze gooit het giechelend omhoog en huppelt voldaan de winkel uit, achter de nuffig stappende blondine aan.

De kneep van het fwoepen

Op een dag, tijdens een heel saaie geschiedenisles van meneer van Puffelen  – zo heette hij niet echt, maar iedereen noemde hem zo omdat de man geen namen kon onthouden en dus “hee, van Puffelen!” riep tegen iedereen die niet zat op te letten –  zat de jonge Otto wat naar buiten te staren door het open raam. Hij zat helemaal achterin de klas, en leunde met zijn stoel op de achterpoten tegen de achtermuur van het klaslokaal. In zijn hand draaide hij behendig een HB-potlood tussen zijn grove, maar lenige vingers. Otto staarde naar een punt ver weg, weg van dit lokaal en dagdroomde dat hij in zijn boomhut zat.

Plotseling moest Otto niezen. Hij probeerde het tegen te houden, maar zijn neus kriebelde zo erg dat hij er tranen van in zijn ogen kreeg. Hij kon de nies niet langer ophouden en liet hem gaan. WHAAAAATSJOEOEOE! Zijn stoel kletterde ervan onderuit. Verschrikt draaide de hele klas zich om naar het harde geluid. Er doorheen klonk zacht “fwwwwoep!“, maar dat hoorde niemand. Otto’s stoel lag op de grond. Het potlood dat Otto in zijn handen had, rolde nog na over de vloer. De hele klas bulderde van het lachen, tot ze beseften dat Otto er niet meer was.

Omdat Otto bij het open raam zat, rende meneer van Puffelen geschrokken naar het raam en keek naar beneden, naar het plein. Het klaslokaal bevond zich op de derde verdieping. Het was ongelooflijk, maar Otto was nergens te bekennen. Otto’s klasgenoten begonnen opgewonden met elkaar te praten. Iemand riep: “Hij is vast omhoog geklommen, het dak op!”. Daar had van Puffelen niet aan gedacht.

Meteen rende hij het klaslokaal uit en liet het in rep en roer achter. Hij holde de trappen af, naar de kamer van de conciërge. Die was gelukkig op zijn plek. “Snel, hoe kom ik op het dak?”, hijgde van Puffelen. “Met de brandtrap, achter de kantine, maar wat?…”, maar van Puffelen was al weg.

Even later kwam hij puffend, met een rood hoofd boven de rand van het dak van de school uit, en klauterde het dak op. Hij speurde het hele dak af. Het was een groot, plat dak zonder enige plek voor iemand om zich achter te verstoppen. Waar zat die verdraaide vlegel? Van Puffelen begon bezorgd en boos tegelijk te worden. Het leek wel of dat pestjoch in het niets was opgelost.

Gek genoeg was dat ook min of meer precies wat er was gebeurd. Otto begreep er zelf ook niets van. Het ene moment zat hij te dagdromen in een muf klaslokaal, tijdens een suffe geschiedenisles, en het andere moment zat hij in zijn boomhut. Hij wreef over zijn kriebelige neus. Ja, dat is waar ook, hij moest niezen. De nies was niet tegen te houden, want hij had het gevoel gehad dat hij op ontploffen stond. En op het moment dat hij niesde, was hij nog half met zijn hoofd bij zijn boomhut. Lijfelijk was hij ergens waar hij niet wilde zijn, terwijl hij geestelijk ergens was waar hij juist wel wilde zijn. De nies had Otto’s geest en lijf weer verenigd, maar op de plek van de geest.

Otto grijnsde zijn kwajongensgrijns en zei hardop: “Cool!”. Hij zou willen dat hij het gezicht van van Puffelen had kunnen zien, en probeerde zich het beteuterde gezicht van de man voor te stellen. Zijn neus en gehemelte begonnen al weer te kriebelden. Bah, die verrekte pollen ook. Hier in de boom stikte het daar natuurlijk van. Otto’s gezicht vertrok in die typische niesgrimas. Ogen dicht, mond open….HAAAA……WHAAAAAA…..fwwwwwoep! Otto verscheen ineens weer naast zijn omgevallen stoel, achterin het klaslokaal van meneer van Puffelen….TSSSSJAAAA!!!…

Toen Otto zijn ogen weer open deed keek hij recht in het lijkwitte gezicht van meneer van Puffelen. “Ehhh..”, stamelde Otto. “Nhng…”, wist van Puffelen uit te brengen.  “Heeft u misschien een zakdoekje voor me meneer, ik heb geloof ik een beetje last van hooikoorts”, zei Otto waterig, en om haalde eens flink zijn neus op. Verdwaasd trok meneer van Puffelen een grote geruite zakdoek uit zijn broekzak en gaf het aan Otto: “hier jongen, neem deze maar, hij is nog schoon”. En vervolgde toen maar gewoon zijn saaie les, alsof er niets was gebeurd. Wat kon de arme man ook anders?

En dat was dus hoe Otto de Magiër erachter kwam hoe hij zich van de ene naar de andere plek kon “fwoepen”. Je moet met je geest eerst afdromen naar die andere plek en dan je lijf er “gewoon” naartoe trekken door het af te leiden door zoiets als een plotselinge nies. In het begin gebruikte Otto nog een veertje om onder zijn neus te kriebelen zodat hij moest niezen, en omgekeerd moest hij voortaan goed oppassen bij niesbuien. Maar al snel kreeg hij de kneep van het fwoepen onder de knie, zodat hij met een knip van zijn vingers kon oplossen in het niets. Buitengewoon handig natuurlijk voor iemand zoals Otto.

Speciale Berlijnservice

Een mevrouw en een meneer met twee grote koffers zetten zich neer in de stoelen direct achter mij. Ze hijsen zich uit hun dikke sjaals en jassen. “Hè hè”, zegt de mevrouw, “daar zitten we dan”. De meneer beaamt dit gegeven met een “Nou!”. De trein vertrekt meteen. “Goh, we hadden ook geen minuut later moeten zijn, hè”, klaagt de meneer, “dan hadden we onze trein gemist, wat een drama”.

 

Ik trek mijn laptop uit mijn tas en klap het open. “Dit is wel eerste klas, hè”, merkt de meneer meteen op. “O?”, vraagt de mevrouw. Maar ze blijven maar gewoon zitten. Ik zeg zelf niks, want wat gaat mij het aan? Dan komt de conducteur de coupé binnen gelopen: “goedemorgen, uw vervoersbewijzen alstublieft”. Even later is hij bij de meneer. “U zit verkeerd meneer, dit is 1e klas”. De mevrouw zucht en zegt: “O, maar dan zit ik ook verkeerd, want we horen bij elkaar”. “Dan moet u beiden een stukje doorlopen”, zegt de conducteur.

 

“Ja, we moeten helemaal naar Berlijn”, zegt de meneer dan gezellig. “Oooooo, had u dat nou even gelijk gezegd meneer”, roept de conducteur dan uit. “Nee, reizigers naar Berlijn vormen natuurlijk een uitzondering. Blijft u lekker zitten zeg. Wilt u er ook nog een kopje koffie bij misschien? Krantje? It’s on the house, speciale Berlijnservice!”, roept de conducteur uit. Met een zwierig gebaar trekt de conducteur zijn telefoon en belt meteen de ketering. “Ja hallo, ik heb hier twee reizigers naar Berlijn. Kunt u even twee koffie met een koekje komen bezorgen. Met een krantje erbij. Wat? O, een telegraafje zo te beoordelen. Ja. Okee. Bedankt!”, en de conducteur kijkt de meneer en mevrouw breedgrijnzend aan.

 

De meneer en mevrouw durven niks te zeggen. Neemt de conducteur ze nou in het ootje? “Eh, ik had toch liever een kopje thee dan”, durft de mevrouw heel zachtjes uit te brengen. “EN NU OPHOEPELEN, STELLETJE OUWE ZEMELAARS!”, roept de conducteur dan met overslaande stem. De meneer en mevrouw kruipen met bibberende onderlipjes in hun dikke jassen en sjouwen zichzelf en hun koffers bedremmeld naar de 2e klas. Och toch. “En nog een prettige reis naar Berlijn!”, roept de conducteur hen dan poeslief achterna.

Otto redt de paashaas

De ochtend gloort kil. Het is 3 graden onder nul en er dwarrelt motsneeuw naar beneden. Alle kindertjes liggen nog op één oor in hun warme bedjes. Buiten, in een te witte wereld voor de tijd van het jaar hopt de paashaas. Hop, hop, hop. In zijn pluizige voorpoten heeft hij een mand vol eieren. Anatomisch zijn hazen daar eigenlijk niet toe in staat, maar als een dode visser weer tot leven kan komen, dan is dit maar een eenvoudig wonder natuurlijk.

Met zijn hazelippen kan de paashaas nog iets wonderlijks, iets wat normale hazen ook niet kunnen: grijnzen. En al grijnzende verstopt het overal zijn bonte eieren. Nou ja, verstoppen is het juiste woord niet. Want de kindertjes moeten ze wel kunnen vinden natuurlijk. De paashaas zet ze zo neer dat ze in het oog springen voor mensjes met een ooghoogte van 4 turven.

Over het stoppelveld hopt de paashaas met zijn magische mandje met eieren. In werkelijkheid is het natuurlijk gewoon een kunstmatige wormhole naar de geheime voorraad bonte eieren. Is natuurlijk wel zo praktisch. Voor de paashaas is het de normaalste zaak van de wereld. Hop, hop, hop. Verder gaat zijn weg. In de verte steekt een dak met een rokende schoorsteen boven de ochtendnevels uit. Daar wonen vast ook kindertjes. Nietsvermoedend hopt de paashaas af op het gevaar.

Knarf, de afschuwelijkste kater ter wereld, sluipt onhoorbaar door het witgerijpte gras. Hij hoorde zijn prooi al van kilometers afstand aan komen stampen. Het domme beest doet niet eens moeite om niet op te vallen. De witte wieven op het veld maken dat Knarf op zijn beurt geen moeite hoeft te doen om onzichtbaar te zijn. Hop, hop, hop. De paashaas komt dichterbij.

De geur van een malse, kingsized haas, dat zelfs een toetje met zich mee draagt, maakt Knarf wild. Een dikke druppel heet kwijl vormt zich in de hoek van zijn lelijke, scheve bek. Knarf’s kwijl heeft een ongewoon hoge PH-waarde. Het heeft iets te maken met Indiase curry… Onvermijdelijk valt de druppel op de bevroren aarde: TSSSSSCH! Plotseling staat de paashaas stil. Wat was dat voor geluid?

Achter de paashaas klinkt dan een ander vreemd geluid: fwwwwwoep! Verschrikt draait de paashaas zich om. “Hi”, zegt Otto de Magiër tegen de paashaas, en dan: “Oooo, shit nee”, als hij ziet dat zijn monsterachtige huisdier de aanval heeft ingezet. “KNARF! FOEI!”, buldert Otto over het veld. Maar Knarf is niet onder de indruk. Grauwend als een panter rent de moordlustige, schele kater op de twee paashazen af.

Blikemsnel duikt Otto naar de van paas aan de grond genagelde angsthaas. Snel fwoept hij zichzelf en de paashaas naar een plek kilometers verderop.  “Voortaan blijf je beter maar uit de buurt van Knarf’s jachtgebied, je was bijna het haasje. Ha ha ha! Haasje! Vat jum?”. De paashaas kijkt Otto meewarig aan en schudt zijn nog immer grijnzende kop. “Ik heb geen tijd voor je flauwe grapjes”, zegt de paashaas chagrijnig. Dan draait het zich om en hopt in de richting van het vredige slapende dorpje verderop.

“Ho ho, krijg ik geen beloning?”, roept Otto verontwaardigd. De paashaas stopt en slaakt een diepe zucht. Geërgerd gooit het zonder om te kijken één vrolijk gekleurd eitje over zijn schouder. Otto peutert meteen het folietje eraf. Witte chocola. “Hee, heb je geen puur!?”, roept Otto de paashaas verontwaardigd na. En dan doet de paashaas weer iets dat hazen anatomisch niet kunnen aangezien ze geen middelvingers hebben…