Bij vrienden hang ík
mezelf uit
kinderen
Daar buiten hang ík
kleren uit
kinderen
Aan neuzen hang ík
dus geen fluit
kinderen
In wilgen hang ík
naar verluidt
kinderen
Gedicht
Doorgedraaid
Maandagmorgen begon het
Een verontrustend geluid
Diep en ronkend
Tussendoor klonk gepruttel
En het draaide maar door
En het draaide maar door
Dinsdag brak aan
Het geronk zat nog dieper
Ergens liep duidelijk wat aan
Een metertje stond op rood
En het draaide maar door
En het draaide maar door
Woensdagochtend
Hoge druk op de ketel
Het metertje stond nog roder
Zuchtend en steunend
Draaide het maar door
Maar het toerental zakte
Op donderdag was het gedaan
Het metertje sloeg alarm
Piepend en krakend
Kwamen de raderen tot stilstand
De noodrem deed zijn werk
Anders had het doorgedraaid
Zexit
De zon gaat onder
voor ik er erg in heb
De zomer verlaat me
Er danst geen bij meer
in mijn lavendelstruik
De zomer verlaat me
De ganzen vliegen
al in V-formatie
De zomer verlaat me
Nijvere spinnen
bespannen mijn ramen
De zomer verlaat me
Eikels stuiteren
van mijn kop de straat op
De zomer verlaat me
Loeiende buren
ontbladeren hun tuinen
De zomer verlaat me
’t Bokbier springt vanzelf
in mijn winkelwagen
De zomer verlaat me
Dus rest niets anders te doen
dan drinken en hopen
Op een kort winterseizoen
Overmorgen voorbij
morgen pak ik
je hand vast
overmorgen voel ik
steeds nog jouw hand
morgen kopen we
ons eigen huis desnoods
overmorgen maar
geen dag later
morgen beginnen we
aan óns leven
morgen zie ik
onze horizon
oneindig ver strekken
overmorgen ver voorbij
wat ik dacht
wat ik dacht
onverwacht
welke macht
is van kracht
die de nacht
sterrenpracht
grijze vacht
voortgebracht
ongeacht
wat ik dacht
Barst maar
Het voorjaar fluit
mij maar aan
al mijn aandacht
gaat naar de knoppen
Barst maar
Des te wegger
Hoe langer wij
weg zijn van elkaar
des te wegger
ik voel
dat ik van je ben
Duin
De handen van de wind
schiepen je naar ’t evenbeeld
van de golven
Je huid schittert wit
zonlicht en verdiept
het hemelblauw boven me
In jouw luwte laat ik mij
door de wind dan
langzaam in je opgaan
Geslepen
Tot kille taal gesmede
woorden die gloeien
in vlijmscherpe zinnen
geslepen met vuur
getemperd, in zuur
Om me te verweren
tegen dat bittere zwaard
sleep ik kalm mijn ijzers
om scherp langszij
over ’t ijs te kunnen scheren
Vleugenaar
Plotseling duikt hij
vliegensvlug opzij
Onnavolgbaar
Onvoorspelbaar
Waar jij hem verwacht
komt hij nooit!
Tergende plaaggeest,
kriebelbeest dat vliegt
dat het een naam heeft
maar beter dan vlieg