filosofie

Van steeds minder harte

Zou mijn telefoon dat nou ook hebben, dat ‘ie steeds minder zin in de dingen krijgt naarmate de batterij leger raakt? En als de benzine-tank bijna leeg is, zou de auto dan ook minder gedreven zijn? Zou een klok de wijzers met steeds meer tegenzin draaien naarmate de spanning uit de veer raakt of naarmate de gewichten steeds verder onderin de kast hangen?

Dooie apparaten voelen er natuurlijk niks bij. Opeens is de energie op en komen ze tot stilstand. Het leven is er dan ook meteen helemaal uit. En als je er weer energie in stopt, komen ze weer tot leven. Zonder energie geen leven. Zonder leven geen energie. Dat geldt althans voor mensen. Als je leven rot is, is je energie ook rot. Gelukkige mensen hebben meer energie dan depressieve mensen. Hoe meer energie een mens heeft en over heeft, van hoe meer harte de dingen kunnen worden gedaan.

En als je batterijtje te hard leegloopt omdat je energie verspilt aan het voorbij lopen van jezelf, gaan de dingen dus van steeds minder harte. Van volhartigheid, naar minderhartigheid. Bij halfhartigheid zou je eigenlijk al moeten gaan nadenken over het waarom daarvan, maar in de praktijk doe ik dat pas onder kwarthartigheid. Net als met de benzinetank van de auto. Als t’ie meer dan driekwart leeg is moet ik op zoek naar een tankstation. Als mijn telefoon driekwart leeg is als ik pas halverwege de dag ben ga ik op zoek naar een stopcontact. Alles draait om energie. Misschien moest ik maar eens wat minder bellen en autorijden.

Ambiversie

Ik verkeer graag in gezelschap
Maar ben ook graag alleen
Dan keer ik diep naar binnen
En even gemakkelijk flap ik uit
Spraakwater stroomt van mijn lippen
Vol ongegronde uitspraken
Mijn hart ligt op mijn tong
Mijn ziel ligt in stiller water
Soms wil ik alleen maar zijn
Voor diepe gedachten
Twee versies van mezelf
Dan een praatgrage zwijger
Dan een gezellige individualist

Uitgerekend nu

Ieder jaar wisselen wij te vroeg
De Aarde heeft haar ronde nog niet af
Van lente naar herfst en terug
De Aarde neemt er écht de tijd voor
De échte tijd ijlt na op onze werkelijkheid
Maar in werkelijkheid is onze tijd achterhaald
Er blijft ongeconsumeerde tijd over
Tijd die nog moet worden geleefd
Tijd die niet ten gelde is gemaakt
Iedere vier jaar krijgen we kliekjestijd
Inhaaltijd, schrikkeltijd, uitgerekend nu
Om in de pas te springen met het universum
Staan we allemaal even stil
Leef even heel bewust, uitgerekend nu

Over de berg

In maart 2003 emigreerden mijn vrouw, zoontje van 8 maanden en ik naar Amerika. Om precies te zijn naar Baltimore in de staat Maryland. Als een berg had ik er tegen op gezien om te emigreren. Een onneembare bergkam was het eigenlijk. Met grillige toppen die ooit de krassen op de maan hadden gemaakt. Uit mezelf zou ik de reis nooit hebben gemaakt. Ik ben niet avontuurlijk van natuur. In tegenstelling tot mijn wederhelft ben ik een standvogel.

In 1998 trouwde ik met een blondine die de Quantumtheorie snapt. Ze bestudeert het universum voor haar beroep. Ze bouwt mee aan nieuwe instrumenten om dat beter te kunnen doen. Wetenschapper in hart en nieren en bepaald geen standvogel. Dankzij haar heb ik de Andes van dichtbij gezien. Dankzij haar versta ik Beiers. Dankzij haar ligt een deel van mijn hart in Zweden.

Lijkbleek bleek ik te zijn geweest toen we op Schiphol afscheid namen van familie en vrienden. The point of no return was al lang gepasseerd. Het huis en een groot deel van onze spullen was verkocht. Andere spullen die we niet kwijt wilden, gingen in de opslag. En een klein deel ging per boot naar ons nieuwe adres. Wijzelf namen het vliegtuig.

Acht uur later kwamen we aan op Dulles National Airport (Washington). Als kuddedieren werden we door de douane gedreven, weet ik nog. Erg druk was het niet, maar toch moesten we persé de door lintjes afgezette route lopen. Toen ik, brutale, assertieve Nederlander zijnde, tussen twee paaltjes door wilde stappen werd ik woest door de dienstdoende, en zijn taak zeer serieus nemende agent, op het pad teruggeblaft. Ik luisterde gedwee en zei “Sorry” in mijn beste Amerikaans.

Met een huurauto, een veel te stoere Ford Explorer 4×4, reden wij toen van Dulles naar ons eerste, tijdelijke adres in Balto, in de wijk Elkridge. Het was nog volop winter daar. Er lag nog veel sneeuw op het terrein van het appartmentencomplex waar we de eerste maanden zouden gaan wonen. Ons appartementje was volgepropt met ontzettend, typisch Amerikaanse, protserige huurmeubels. Op ons bed lagen belachelijk veel, belachelijk dikke kussens. Ik voelde me nog nooit zo slecht thuis. 

De eerste week bestond uit het vinden van onze draai en het regelen van dingen. Mijn vrouw regelde en ik zocht draaien. Alles was vreemd en ook weer niet. Wat ik het moeilijkst vond om aan te wennen was die oppervlakkigheid van de mensen daar. Amerikanen veinzen interesse voor je met overdreven “hi, how are you”. Ik weet nu dat je dat gewoon moet terug zeggen. Het betekent niks meer dan “hoi”. 

Aan de andere kant van die berg, die zo onneembaar leek, vonden we uiteindelijk best een fijne draai. Het was een heftige en leerzame tijd. Leerzaam in de zin van leren omgaan met ogenschijnlijke onmogelijkheden. Niks is onmogelijk, en anders is er altijd nog de trap-onder-je-kont-methode om uit je misère te komen. Ik leerde dat ook standvogels kunnen emigreren en nestjes kunnen bouwen in vreemde, verre landen. Het kwam allemaal best goed. 

Af en toe komt dat gevoel van totale bevreemding dat ik tijdens mijn eerste momenten in Amerika voelde, nog wel eens naar boven drijven. Vlinders fladderen rond in mijn buik. Vlinders van verwondering, verbazing en onzekerheid. Maar ook van de spanning van het onbekende. Een heerlijk gevoel eigenlijk. Het is een gevoel dat sterk lijkt op verliefdheid. Het is de beloning voor het overwinnen van angsten die onoverwinnelijk leken. Het is de beloning die je krijgt als je over jouw berg heen bent gekomen en ziet wat er achter ligt. 

Ontdooid

Ontplooid ben je vrij van plooien
Ontdaan ben je als je uit je doen bent
Onthutst ben je als je niet verder onthut kunt worden
Ontfrutseld ben je frutselvrij
Onteerd ben je eerloos
Ontwapend ben je weerloos
Ontkleed ben je bloot
Ontbloot ben je juist aangekleed
Ontlucht snak je naar adem
Ontgaan ben je aangekomen op je bestemming
Ontstemd ben je sprakeloos
Ontkomen ben je ontvlucht
Ontvreemd ben je genormaliseerd
Ontmoet ben je vrij van alle plichten
Onthaast wordt het groene knolleknollenland
Ontgroend ben je niet langer groen
Ontwaard ben je niet langer waar
Ontdooid ben je niet langer dood

Doendenken en beginzin

Eerst denken, dan doen, zei mijn vader altijd tegen me. Met pedante nadruk op eerst en dan. Het zeggen ervan was volgens mij een soort mantra geworden. Hij zei het automatisch, bij alles wat ik in zijn ogen verkeerd deed. In mijn beleving zei hij het te pas en te onpas. Meer onpas dan pas eigenlijk. Ach, misschien had hij toch gelijk en was het toch wel meer te pas. Ik denk namelijk terwijl ik doe. Dat kan prima. Je zou kunnen zeggen dat ik toch heel letterlijk eerst denk en dan doe, maar dan in hele minuscule stapjes. denk-doe-denk-doe-denk-doe-denkdenk-doedoe. Niet te veel vooruit kijken, en steeds bijsturen. 

Het doel dat ik wil bereiken heb ik altijd wel vrij helder. Maar ook met een doel dat ik nog niet helemaal scherp heb, kan ik al beginnen te doen. Ik weet immers al waar ik ongeveer wil uitkomen en zie wel hoe ik er kom. Niet teveel plannenmakerij dus. Plannen vind ik maar niks. Mijn vader hoopte dat wel in mijn hersenen te spoelen met zijn mantra, maar helaas, ik ben een doendenker. Ik doe en denk simultaan. De mantra is wel altijd blijven nagalmen in mijn hoofd. Het draait er rondjes en veroorzaakt kleine wervelstormpjes. In het geraas hoor ik enkel 2 woorden: denken-doen-denken-doen-denken-doen-denken-doen-denken. Doendenken dus.

Dit jaar op 24 april zal ik al weer 14 jaar in het zelfde huwelijksbootje varen als mijn lieve echtgenote. Al 14 jaar probeert ze me hetzelfde te leren als mijn pa: Gebruik nou eens je hoofd! Ze bedoelt hetzelfde: éérst denken, dán doen. Ze heeft natuurlijk gelijk, want dat heeft ze altijd. Het probleem is ook niet dat ik niet wíl nadenken. Mijn handen gaan meteen aan de slag bij het zien van het licht. Daarvoor hoef ik niet alles helemaal door te denken. En terwijl ik dan druk doende ben, gaat de denkmachine vast verder om beter op dat licht af te stemmen. Dit is het patroon: evenkortdenkedenkedenke-licht!-doen-denken-doen-denken-doen-denken.

Nu is er ook nog dat oude gezegde: Bezint eer ge begint. Je raadt het al, daarmee kan ik slecht uit de voeten. Ik bezin zeg maar precies genoeg (volgens mijn metingen) en ga aan de slag. Ik ben een doendenker met teveel beginzin. Het gekke is wel dat dit gedrag zich 180 graden draait als ik iets moet doen dat ik niet leuk vind. Dan kan ik alleen nog maar denken, eindeloos denken. 

Binnenzak

Soms zou ik in de binnenzak van mijn eigen warme jas willen kruipen, terwijl ik het draag
Bijvoorbeeld op zo’n waterkoude, mistige herfstochtend op het perron waar mijn trein moet aanmeren
Heerlijk beschermd tegen de elementen rolde ik me dan lekker op in mezelf
Ik zou weer lekker in slaap dommelen op de deining van mijn eigen ademhaling
En als de trein dan kwam, werd ik ruw door mezelf uit mijn binnenzak gevist en in de trein gesmeten, dat wel
Maar eenmaal zittend in de coupe kruip ik weer fijn in mijn binnenzak en snurk verder

Engelen der verloren voorwerpen

Je weet zeker dat je het ergens op zolder hebt zien liggen. Het zit beslist in één van de verhuisdozen. Toen je laatst zocht naar dat andere dingetje, kwam je het nog tegen. Maar waar precies? Meticuleus maak je alle dozen open en kamt ze zorgvuldig uit. Het ding dat je zoekt kom je natuurlijk niet tegen. Wél dat ene dingetje dat je laatst niet kon vinden, ook al weet je zeker dat je de doos waar je het nu in tegen komt zorgvuldig en systematisch hebt doorzocht.

Je weet ook dat je het uiteindelijk vindt, na veel te lang zoeken. Het ligt op het allerlaatste plekje waar je kijkt. In het volle zicht! Het helpt niet om dan in de omgekeerde volgorde te gaan zoeken, want de regel gaat altijd op. Altijd! Om gek van te worden. Hier zit de God der gezochte voorwerpen achter. Hij beschermt de dingen die niet gevonden willen worden, of zorgt er dan tenminste voor dat ze zo lang mogelijk onvindbaar blijven. Een heilige plaaggeest is het.

Nu kunnen wij zoekende stervelingen een beroep doen op de Engelen der verloren voorwerpen. Blijkbaar kunnen zij Hem in al Zijn allomtegenwoordigheid verzoeken de locatie van het verloren artikel te duiden als je het heel nederig verzoekt. Op miraculeuze wijze komt die locatie dan tot je, in een droom bijvoorbeeld. Ik parkeer die optie even bij de pogingen der wanhoop.

Het mooie is dat je je helemaal niet tot opperwezens hoeft te wenden. Als er namelijk iets is waar een gezocht voorwerp niet tegen kan is dat er niet naar wordt gezocht. Ga gewoon heel actief niet zoeken naar het verloren voorwerp. Wat uitstekend werkt is zoeken naar iets anders. Of ga gewoon lekker slapen. De kans is groot dat je ’s nachts ineens wakker wordt en denkt: “stom, het ligt gewoon in de garage, op die doos met al die kinderlaarsjes”. Niks wonderlijks aan.

Powered by ScribeFire.

Je sterft maar één keer. Toch?

Je leeft maar één keer, zeggen ze. Dus dan moet je er het beste van maken. Wat een dooddoener. Dan ben je steeds aan het vergelijken. Doe ik het wel beter dan hem (of haar)? Ik had “hem” voor het laatst gesproken toen ik nog volop puberde. Hij kon altijd alles beter dan ik, vond ik. Laatst zocht ik hem eens op op LinkedIn om te kijken hoever hij het had geschopt. Dat had ik niet moeten doen dus. Toch hoef ik geen herkansing.

Het leven is kort, zeggen ze. Dan kun je maar beter zo eerlijk mogelijk leven. Dan duurt het langer. Eerlijk gezegd geloof ik daar geen snars van. Geloven is sowieso niet mijn sterkste vaardigheid, moet ik je bekennen. Alles moet in de twijfel getrokken, en zelfs dat weet ik niet zeker. Alles is immers nogal veelomvattend, maar ook weer heel betrekkelijk. Ik kan toch onmogelijk álles in twijfel trekken. Daar is het leven gewoon te kort voor.

Over één ding twijfel ik nauwelijks: sterven doe ik maar één keer. Toch? Wacht even, ik leef natuurlijk wel voort in mijn kinderen. Zolang zij zich blijven voortplanten, leef ik onderhuids door. Mijn manier van denken gaat voor een deel over op mijn nageslacht. Wie denkt die bestaat, dat weet iedereen. Dus ook mijn manier van bestaan is dan erfelijk. Geleidelijk besta ik steeds minder naarmate mijn stukje genetisch materiaal steeds verder wordt gestekt. In die theorie sterf je dus precies zo vaak als je nakomelingen hebt plus 1. Nog een hele wilde denkstap verder is dan beweren dat de kerk het liefst zou zien dat je zo vaak mogelijk sterft. God, wat vergezocht. Weer een half uur van mijn leven verspild met dit geneuzel.

Powered by ScribeFire.